Erik Lindner

Achtergrond

 

Deze recensie verscheen in een kortere versie en onder de titel Humor als een vorm van sport in De Groene Amsterdammer, jaargang 132, nummer 12, 21 maart 2008.

Gemalen glas en identiteit

K. Michel. In een handpalm. Augustus, 160 blz. €19,90

Gedichten mogen dan wel op zichzelfstaande teksten op de pagina zijn, ze zijn daarmee niet a priori afgesloten van andere vormen van schrijven. Ze raken aan hun eigen achtergrond en onstaansgeschiedenis die helemaal niet zo geïsoleerd is als al dat wit om hen heen lijkt te impliceren. Dat wordt fraai geïllustreerd door In een handpalm, een verzameling gedichten, essays en verhalen van K. Michel.

K. Michel is een waarnemer bij uitstek, niet alleen van de dingen maar ook van wat die weten te zeggen en op te roepen. Hij houdt ervan daar op een onderhoudende manier over te vertellen. Of dat nu in de vorm is van zijn meneertje Tingeling uit zijn eerdere proza, middels een 'niet-verzonden brief aan Julio Cortázar' of in de beschrijving van een kunstwerk en de plek waar het hangt. Michel maakt verbintenissen tussen de begrafenis van een honderdjarige tante, een gedicht van Derek Walcott en een gesprek met een documentairemaker. Doordat die onderdelen juist samen tot inzichten leiden, zijn de op zich malle verbintenissen tussen die elementen nooit geforceerd: het is een kwiek en lenig denken, een opgeruimd en vrolijk vertellen. In een handpalm geeft bloot wat voor effect anekdotes en voorvallen op de auteur hebben. Daarbij heeft K. Michel, die eerder vier dichtbundels publiceerde, aan dit anarchistisch en genre-overschrijdende boek een van zijn sterkste gedichten geschonken. Het heet 'Daaag'
 
zolang ik er niet geweest ben
voel ik me niet geroepen
over het hiernamaals
iets substantieels te beweren
dat is een twee is dat
alles in de ruimte een achterzijde
heeft in de tijd alles een erna
de deur gaat dicht wordt muur
wordt huis wordt tuin weg na de punt
begint het wit van de volgende zin
anders dan zo – in begrippenparen -
denken wil maar niet lukken
echte eindes kennen we niet het is
de schuld van de seizoenen want altijd
wonderlijk anders helemaal hetzelfde
(dachten de eerste ex-apen) een slome
regelmaat die verwachtingen wekt
dat was drie en ten vierde
wil ik bij dezen Eddy en Gerard
Wout en tante Riet de groeten doen
ten leste moet me van het hart
dat het hele begrip me nog het meest
doet denken aan een verkeersbord
(op een kruisingbij Han-sur-Lesse)
met twee forse bazige pijlen
onder die naar links
staat toutes directions
onder die naar rechts wijst
autres directions


Dat gebeurt vaker in het werk van Michel: een gedicht waar als je het leest een hand uit lijkt te komen die de lezer een verkwikkende klap in het gezicht geeft. Wel even bij de les blijven lijkt die hand te zeggen, zo moeilijk is het allemaal niet, of zoals hij met instemming een in spiegelschrift geschreven krijttekening van de Amerikaanse kunstenaar Bruce Naumann citeert: 'Pay attention motherfucker.'

Hilarisch is hoe hij een anekdote over een kind dat in een dierentuin een babypinguïn steelt en onder zijn natte jas verborgen houdt, in de biografie van Henri Michaux moffelt en zo tot een hoogst apocriefe verklaring van een gedicht van de Franse auteur komt. Die humor is instrumenteel: Michel laat ons zien hoe ver onze interpretaties wel niet kunnen gaan en dan toch de schijn van waarachtigheid houden. Terwijl In een handpalm lichtvoetig en zeer leesbaar is, steunen elementen van het boek op erfenissen van de avantgarde. Dat is goed te zien als de dichter voorbij de pointe van zijn grap gaat: hoe het werkwoord 'moeten' de toonzet in 'het ronde tafelgesprek over het Nederlandse cultuurklimaat' is na drie voorbeelden op zich duidelijk. Michel kiest hier voor dertig voorbeelden. Als hij de insliktaal van Balkenende in een gedicht gebruikt, heeft hij in een paar woorden ('de koogin en het koolijk huis') zijn punt gemaakt, maar ook daar werkt hij het tot volledig gedicht uit. Bij K. Michel lijkt humor een vorm van sport: uitgekiend en afgemeten. Toch zou het te beperkend zijn om hem in te delen bij de patafysica of beoefenaars van andere stelselmatige taalspelletjes, zoals Georges Perec of meer recent Jacques Roubaud van de dichtersgroep Oulipo. Michel is in de eerste plaats dichter die met gewone taal en op een droge manier de lezer weet te raken en te ontroeren.

Hier en daar balt de auteur zijn teksten samen tot enkele alinea's. Dat is een vorm die doet denken aan bepaald werk van de denker Walter Benjamin. Aan de aura en afstand van Benjamin wijdt Michel het essay 'De waarde van de verte'. Dat doet hij nooit zonder er iets hedendaags bij te halen, zoals hier een live-verbinding met een congres in Atlanta. Terwijl Michel geraffineerd eenvoudig klinkt, liegen zijn onderwerpen er niet om. Er is een doorwrochte analyse in hoeverre gedichten van de Poolse dichter Zbigniew Herbert via het onderwerp van de Oudheid en de klassieken toch iets zeggen over het stalinisme. Daarbij blijft het niet op het simpele niveau hoe aan de censuur te ontkomen, maar de analyse vertelt over de verbeelding middels wat Michel 'de omweg van de geschiedenis' noemt. Die verbeelding is het wederkerende element van dit boek. Kenmerkend is een zin als 'toen ik, na mijn eerste shift als nachtwaker, uit het Museum voor Moderne Kunst naar buiten stapte vond ik dat de lucht er bar rommelig uit zag.' In zo'n passage lijkt een kunsteducatieve bedoeling te zitten, evengoed klinkt er de neiging de kunst te ontheiligen in door. Als Michel er achter komt dat 'wake' 'kielzog' betekent, blijkt een Engelse vertaling van een oud Japans gedicht helemaal niet abstract, maar zeer concreet te vertalen tot een helder beeld van 'het kielzog / achter een schip dat bij dageraad / is uitgevaren'.

Achter de opgeruimde en montere toon die telkens zijn eigen eruditie en intelligentie lijkt te relativeren, schuilt een fundament onder zijn dichterschap dat K. Michel in dit boek in stukken prijsgeeft. In een passage over de voormalige Joegoslavische dichter Predrag Dojčinović spreekt de wens de nationale identiteit los te koppelen van dat dichterschap. Michel legt helder uiteen dat dit lastig is, omdat juist taal verbonden is met die identiteit. Dat krijgt een behoorlijke lading als daarna Octavio Paz genoemd wordt, die de maatschappelijke druk om iemand te zijn vergelijkt met het mengen van gemalen glas door het voedsel voor honden.

Zo licht is dit werk niet, het heeft sterk aangrijpende passages. In de hoop een zieke die hun stem kan herkennen in leven te houden, vertellen twee mensen aan het ziekenbed elkaar verhalen. In een van die verhalen komt een wandelaar aan bij een door sneeuwval geheel bedolven berghut, om 'ergens onder de sneeuw vandaan plotseling / het zwakke geluid te horen van een rinkelende telefoon.' De foto's die de auteur maakte van teksten die hij in zijn keuken en kamer ophing, vergroot de intimiteit van dit boek.
 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact