Erik Lindner

Achtergrond

 


Deze recensie verscheen onder de titel Je vader zegt niet veel in De Groene Amsterdammer, jaargang 132 / nummer 20, op 16 mei 2008.

De temperatuur van een fotolijst


Jos Versteegen. Slapen bij een warme man. Nieuw Amsterdam, 56 blz. €14,90.

 

De vierde bundel van Jos Versteegen is een huis. Het bestaat uit drie kamers met korte gedichten en vijf schotten van lange, narratieve gedichten die als de wanden fungeren. Het huis is een stil monument, een hulde aan de afkomst van de dichter. Het is een huis vol herinnerde kindervoorstellingen en herbezochte belevenissen. Er wordt overal minitieus langsgelopen, het lijkt een boerderij vol met gedachtenissen. Een hond blijft doorslapen als hij getroffen wordt door populierenblad, rompen van koeien zijn omwikkeld door kaarten met witte zee en rode vlekken land. Versteegen trekt zijn huis zorgvuldig op met losse, precieze en secuur waargenomen en uitgeschreven beelden. In die waarneming schuilt melancholie als duidelijk wordt dat hier een geboortehuis wordt herinnerd en de vrouw des huizes inmiddels ligt te slapen voor de televisie in een verzorgingstehuis. De man uit de titel van de bundel is warm doordat hij in een fotolijst geprikt zit op de televisie die aan is blijven staan. Jos Versteegen, die ondermeer de Homo-encyclopedie van Nederland samenstelde, zet zijn lezer daarmee subtiel op het verkeerde been.


Hij debuteerde in 1996 met een bundel sonnetten, Voorgoed volmaakt. Die gedichten waren fijnzinnig, en ook de stadstaferelen van de rijmloze sonnetten in zijn tweede bundel Jonge meesters waren vakkundig gemaakt en bleven toch monter. Het was geen spannende poëzie, eerder geruststellend. Met zijn derde bundel Nachtkermis verliet hij de vorm van het sonnet. Het werden doorlopende gedichten waarin beelden elkaar vlot opvolgden. Het leek wel een roltrap van over en in elkaar schuivende voorvallen, een verhaal van kleine waarnemingen, die betekenis kregen in een wat onderkoelde lyriek.


'Geen sprookjes' heet de eerste serie van de nieuwe bundel, en helaas zijn de meeste gedichten hierin net iets te mat. Niet altijd zijn de kinderbelevingen even invoelbaar. Dat komt omdat Versteegen veel substantieven menselijke eigenschappen geeft en van begrippen als huis of regen subjecten maakt. Hij bedenkt dat het hout van de deuren en drempels gegroeid is onder een negentiende-eeuwse zon en blijft zo minitieus stil staan bij de dingen dat de toon een beetje vlak wordt. 'Tuin zal je vloertje zijn wanneer / dit huis dood en begraven is.' Bestek ligt te grommen in afwaswater en er spoelt van alles onuitgesprokens door de gootsteen. Die zwaardere metaforiek is jammer, vooral omdat Versteegen glashelder is waar hij beschrijft. Als lakens worden gekookt in een grote ketel in de stalhoek en opbollen, dompelt een grote stok ze weer onder. Het meest duidelijk wordt de kinderbeleving omschreven als hij asperges op een bord als gekookte reuzenvingers voorstelt. Het kind wordt geen sprookjes voorgelezen, het verzamelt ze zelf bijeen. De waargenomen boerenmoeder zwijgt.


Hierna begint de bundel te zingen en is het moeilijk hem niet hardop te lezen. 'Onder een hemel als een blauwe cloche / staat onze maaltijd op het land / al woont er hier en daar nog luis / en dienen slakken nog verdreven / uit waaierbladeren van kool.' Versteegen somt op wat er groeit en gerooid wordt, verhaalt over onkruid en afdrukken van laarzen op de aarde. 'Je bent hier niet alleen: je moeder / kookt koffie en je vader zegt / niet veel, zoals hun ouders en / hun ouders en. Ze kijken door / je ogen, werken in je vingers, / lopen in schoenen, laarzen met / je mee.' 'Dieren eten' heet de kamer die na dit schot geopend wordt, en de beelden daarin zijn concreet en minder vlak:

 

Je draait gehakt, je maakt van vlees

en vet een soort van regenwormen,

rood-witte minislangen uit

de mond van onze tafelmolen,

die afbreken en vallen in

een groen geëmailleerde kom.

Het is oktober en je stopt worst.

Bloed aan je handen en je schoot.

 

De winter, en de braadlucht in

mijn trui. Ik denk aan roze dieren

wanneer jij in het darmvlies prikt:

ze sissen, spuwen naar de vork

die jij nu anders vasthoudt, hoger,

dan straks aan tafel, als je eet.

 

Het heeft iets aangrijpends, hoe de dichter de moeder toespreekt, nuchter maar juist daardoor ook teder. Het kind ziet 'een langpoot door je haren stelten' als zij naar boven gaat en droomt hoe ze door de hooiwagen als een grote prooi wordt ingesponnen.


In het volgende schot 'roffelen' muizen op zolder en eten er rafelranden aan in vet gedoopte spatels. In de winter is het wasgoed bevroren: 'blauwe overalls / die tegen muren konden staan, / maar knakten bij de warmte van / de haard, alsof een aangekleed, / onzichtbaar spook opeens de geest gaf.'


De laatste kamer draagt de titel van de bundel Slapen bij een warme man. De boerderij is achtergelaten. De moeder lijkt dement in het tehuis: 'Je zoons en dochters zijn zo oud / of jong dat je per dag verrast / opkijkt.' Door de vorm van de gedichten, telkens een tweeregelig einde met een ander beeld dan de voorafgaande strofe, zijn de gedichten niet stram meer. Jammer is dat Versteegen het hier herhaaldelijk over honderd vrouwen heeft, en zo alle buren in het verzorgingstehuis egaliseert met zijn moeder. Maar hij blijft gedetailleerd en onderkoeld. Hij maakt de stille dramatiek invoelbaar. Hij maakt van het sterfhuis een stenen luchtschip, in de eerste van de laatste twee schotten die de bundel besluiten. En als een broeder hem opbelt 'dat er brokken adem / in je keel bleven steken' zijn we even bij de dichter zelf thuis, voor het eerst, op de laatste pagina. Dat is een uiterst secure, vakkundige opbouw van een bundel. De klassieke poëzie van Jos Versteegen is de moeite waard. Versteegen heeft zeven jaar aan dit huis gewerkt. Zo’n stevig huis kan alleen voortkomen uit een forse dosis zuinigheid en zelfkritiek. Waarvoor hulde.

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact