Erik Lindner

Achtergrond

 


Deze recensie verscheen in De Groene Amsterdammer, jaargang 132 / nummer 22, op 30 mei 2008.

Dan hèb je ook wat


Astrid Lampe. Park Slope. Querido, 2008. 70 blz. €18,95

  

Park Slope, de vijfde dichtbundel van Astrid Lampe, heeft als ondertitel 'K'nex studies'. K’nex is een merknaam voor constructief kinderspeelgoed. Park Slope is een wijk in Brooklyn, New York. Het zijn niet de enige momenten dat de bundel om een encyclopedie of woordenboek vraagt. Lampe’s onverwachte en vaak opzettelijk oneigenlijke gebruik van woorden doet de lezer ook begrippen opzoeken die bekend mogen heten. De gedichten brengen onzekerheid over die bekendheid mee. Ook de typografie is wilder dan in haar vorige bundels, en daardoor staan er minder woorden. Doorhalingen, inspringen, verspringende lettergroottes, dubbele witregels, cursieven: 'poëzie is dans,' citeert Astrid Lampe in het slotgedicht, ze verraadt alleen niet wíe ze citeert.


Voor de traditionele poëzielezer is het werk van Astrid Lampe nog steeds flink afkicken. Ze weet van haar lezer een stampende peuter te maken die ze een ratel voorhoudt en iele kiele oele boele toelispelt, dwars door diens dreinen heen. In Park Slope is dat nogal expliciet gemaakt in de reeks 'ALICE DATE / BLOGGER IN WONDERLAND (een beetje prof houdt er tegenwoordig een weblog op na)' als ze één van haar befaamde kreten gaat verklaren. Met ‘mier melk je luis’ lijkt ze de dichter als luis voor te stellen, een gemelkt object voor de mieren, oftewel voor de professoren die haar werk abusievelijk voor écriture automatique aanzien. Daarbij is ze onverbloemd en flink op dreef:

 

Wat ú hooggelaarsde professoren die zo stiekempjes over mijn schouder meelezen al rappend (er zijn cursussen voor) de poëzie (zat cursussen) zo spiekend (het kunstje afkijkend) de meest pure poëzie, die ongenaakbaar is nog OP DE STAART WILLEN (...)

 

Het werk van Astrid Lampe mag dan zot en ongerijmd lijken, onleesbaar is het niet. Haar taal is koket en gespeeld plat, maar altijd muzikaal, altijd verliefderig op een zo ordinair of liever nog zo ordi mogelijke uitdrukkingsvorm. Zet daar een Engels, Frans of Spaans woord naast en het effect is zachtgezegd bizar. '(onder het kopje Perfumes & Mujeres...) JOOP!' is een lange serie die vele pieken en dalen kent. Ze maakt er bij wijlen een Hollywood-achtige draak van, waarbij de Baywatch van het puriteinse Brooklyn moet toezien hoe de ik-figuur zittend haar badpak afstroopt: 'bloot van onder gerolde hemdsmouw'. 'Arte povera' staat voor geen gebruik van make-up 'en dat ut op straat ligt piep mijn verregende badeend'. Ook hier wemelt het van onverwachte woorden, zoals rimmel en rumspringa.


Een auerhaan is een soort van boshoen. Proscenium een voortoneel. Een sommelier een huisbediende die belast is met de zorg voor de kelder, dus zegge over de wijn gaat. Tonsuur staat voor het scheren van de hoofdkruin, zoals bij priesters het geval is. Pitriet is de kern van rotanstengel. Na al dit opzoeken schreeuwt de bundel op blz. 37: 'NOU ÉN... / DAN VÉRGT HET WAT NASLAGWERK / MAAR DAN KAN / KEN- / DAN HÉB JE OOK WÁT...'


Astrid Lampe’s achtergrond moet met theater van doen hebben. Behalve muziek en dans is de beeldende kunst steeds minder ver weg. Op haar website
www.parkslope.nl staat onder het lemma BlingBling een aantal You Tube-filmpjes. Vooral 'Oefening in lyriek (roos roos)' is een sterk filmpje, waarin ze overtuigend acteert, of beter gezegd: aanwezig is. Sterk omdat deze visuele vorm de bundel niet vervangt, maar aanvult. Lampe’s klaterende voordracht, ook op You Tube te vinden, benadrukt het monologische karakter van haar teksten.


Na de twee lange series is het wat moeilijk de tien losse gedichten te lezen, en dat maakt deze bundel minder evenwichtig dan haar vorige werk. Verwarrend is dat de K’NEX gelijk weer opduikt buiten het serieverband. Maar ook hier staan treffende wendingen tussen. In 'Wie schaakt hier wie (...)'  trakteert Ilhan 'na de BRUSSELSE KERMIS, de couscous en het nonstoppe stomme stoboscopische gestotter van de / eer-uh- exotische buikdans' de ik-figuur op CNN. In dergelijke monologen zet Lampe op losse schroeven wie er eigenlijk wie de baas is, en juist dat met allemaal gretig opgeschreven grootspraak. Misschien is dat wel de kracht van haar werk. Ze laat zo liefdevol zien hoe belachelijk opmerkingen en uitdrukkingen zijn, dat je ze toch wil koesteren. Haar werk is een 'domino-day van spasmen'. Ook sterk is haar openingsgedicht, 'Er was geeneens...' wat een hoog wat komt u doen? en dacht u dat ik u wat ging vertellen?-gehalte heeft.


Astrid Lampe’s werk wordt vaak beschouwd als compleet eigenzinnig en zonder enige voorgangers. Toch herken ik raakvlakken, zoals met het werk van Tineke Zaadnoordijk, of de performances die de illustere podiumdichter Nino V in de vroege jaren negentig ten beste gaf. Die raakvlakken zijn waarschijnlijk eerder gevolg van een andersoortig gebruik van tekst in andere disciplines, dan een werkelijke invloed. Het is Astrid Lampe die met vijf opvallende bundels de toon zet.


Astrid Lampe schrijft over haar onderwerp en haar vorm, haar presentatie en haar werk tegelijk. In één en dezelfde beweging. Als ze het over Cézanne heeft gaat het over reproducties. En dan heeft ze het over wildplakkers die 'zo (...naadloos!) "met volle streken de huid van een mooie perzik of de melancholie van een oude appel" / aan deze blinde muur slijten / naadloos zie! / hoe wij ál schaamtelozer / (wacht!) / alles aan alles paren / wat een beweging / wat een / (nu!) /

 

                                  D
                              W

                             I

                         N

                      G

                    E

                N

             D

          E

DORST NAAR ZON.'

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact