Erik Lindner

Achtergrond

 

Deze recensie verscheen in De Groene Amsterdammer, jaargang 132 / nummer 28/29, op 11 juli 2008.

De ijstijden van Verhelst

 

Peter Verhelst – Nieuwe Sterrenbeelden. Prometheus, 2008. 128 blz. €22,95

 

'Poetry My Arse.' Het moet voor Brendan Kennely een genot zijn geweest die titel op een kaft van zijn dichtbundel te zien toen hij in 1995 zijn ambt als literatuurprofessor aan Trinity college in Dublin neerlegde. Het kon hem gestolen worden, dat ambt, maar hij bleef schrijven: vier bundels zouden er op volgen. 'die poesie ist mein schiesshund,' is een gevleugelde titel van een gedicht van de Duitser Lutz Seiler. 'Als ik het woord poëzie hoor, trek ik mijn wapen,' dreigde Colin Newman, zanger van de Britse punkgroep Wire en auteur van opmerkelijke teksten. 'Je moet ièts zingen.'


Gedichten schrijven – en die ook nog eens naast andere gedichten in een boekje zetten en dat een dichtbundel noemen, is dat niet een beetje teveel van het goede? Zoiets moet Peter Verhelst gedacht hebben toen hij in 1997 aankondigde het dichterschap voor gezien te houden. Na zeven dichtbundels en drie romans was het welletjes geweest. Hij debuteerde in 1987 met Obsidiaan, een romantische bundel met reprodukties van Francis Bacon. Opvallend is de bundel Witte bloemen (1991) waarin hij Baudelaire laat spreken en De boom N (1994), een lang zinnelijk tuingedicht. Verhelst heeft er een handje van daarin het laatste woord van een regel als een losse tegel te plaatsen, waarop je zowel terug kan naar de voorafgaande regel als door naar de volgende. Dubbelzinnigheden zijn hem niet vreemd. Hij is een liefhebber van de allegorie, en de bedwelmende werelden in zijn geschriften doen denken aan fantasy. Hij maakt graag gebruik van suspense. Misschien vormt het werk van Verhelst wel de grens van de literatuur. Het getuigt van een zeer sensitieve voeling met hedendaagse beeldende kunst. Na zijn in De Revisor aangekondigde dichtersstop begonnen zijn romans angstvallig op te zwellen. Het hoeft geen verbazing dat hij zich niet aan zijn woord hield, hij moest stoom afblazen. In 2003 verscheen de bundel Alaska en nu is er de lijvige bundel Nieuwe sterrenbeelden.


Bij de eerste oogopslag is het flink schrikken. De bundel bevindt zich meer dan tevoren op de rand van de kitsch en esoterie. Onafgemaakte zinnen met als onderwerp een suggestief 'het' of 'iets' dat vaak een dier of substantie lijkt te zijn. Veel blijft oningevuld. 'Ooit moet en zal het / zichzelf geloven,' schrijft Verhelst. Zijn metaforiek zoekt hij in de natuur, maar telkens liggen valkuilen op de loer. 'de avondzon als olijfolie over de rug / van een landschap.' Vulkanen en gletsjers zijn geliefde atributen om de beeldspraak organisch te krijgen. Nieuwe sterrenbeelden suggereert een constante extase. Maar de liefdesscènes waar de gedichten in uitmonden krijgen vaak iets statisch en slepends. Of hij het nu over het redden van een kind dat op de reling van een brug staat, of Verhelst in de serie Crash stills juist de spanning tussen erotiek en een ongeluk zoekt, zijn gedichten zijn zo intiem dat het lastig is de beelden een kader te geven. 'Het is windstil, en toch / bollen onze kleren als druppels op'. Of: 'In de hoek van het tuinhuis pulseert de gele / tuinslang alsof hij nog leeft.'


Verhelst heeft twee registers, een snelle, nonchalante, gemakzuchtige, en een indringende en beklijvende. In zijn reeksen en series rijgt hij die registers aan dezelfde ketting. Hallucinatoir is een understatement geworden – Verhelst beitelt de taal keihard flou. Intelligente afbrekingen heeft hij overboord gekieperd. Deze poëzie wordt niet regel voor regel opgebouwd maar gonst en stroomt als een lawaaiig kanaal.

 

Kun je een vaas haar breekbaarheid verwijten

of een hand het breken van de vaas?

Misschien is het zo bedoeld

dat de vaas de hand op zich af zingt,

zodat de hand weet dat hij slaat

en in de vaas al scherven zingen

voor ze zijn ontstaan.

 

Waarom zou de hand verlangen naar een vaas

die, als een hals, zich uitstrekt naar de hand

die haar wil slaan? En waarom wil de vaas

haar scherven naar de oppervlakte zingen

zodat de hand haar niet langer kan weerstaan?

 

Misschien droomt de vaas wel van de hand

een roos te maken, wil de hand op zoek gaan naar de vaas

om eindelijk de scherf te vinden

waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan.

 

Die vermenging van object en subject, en die verschrijving en ommekering van gebroken naar heel is typerend voor Nieuwe sterrenbeelden. Een muur is bij Verhelst een organisch ding, iets waar je je hoofd in kan leggen. Een muur wordt bij hem gemaakt van een aantal horizontaal in elkaar hakende mensen. 'Een beeld valt net zo min samen met de werkelijkheid / als de ijsvogel met het meer waar hij overvliegt,' weet Verhelst. Toch doet hij niets anders in deze bundel dan suggereren dat dat wel samen valt. Als op het eind van de bundel mensen als een ritselend berkenbos op een plein staan, is er de theatrale setting waar Verhelst heen wil: een eenwoording van beeld en taal, zintuigelijkheid en waarneming, van mens en materie.


Het werk van Peter Verhelst is van grote invloed. De stempel van Verhelst is terug te vinden in De vloeibare jongen van Thomas Möhlmann en de gedichten van Jan-Willem Anker. Maar de ontwikkelingen binnen zijn eigen oeuvre zijn ongewis. Zijn obsessiviteit lijkt als een poort te fungeren voor veel lezers. Tegelijk wil zijn poëzie zozeer genot zijn dat die met steeds meer moeite op de lezer overslaat. Eerder raakt de lezer bedwelmd en versuft. 'Welkom in de 21ste eeuw,' staat er op de achterplat van de bundel. Dank je wel, ruimteschip Peter! Zijn nieuwe gedichten lijken de ijstijden te willen doen herleven en herbeleven. Met als nieuw sterrenbeeld een siamese tweeling, 'op de zwarte lakens van de nacht gestikt.'

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact