Audiocorrespondentie Montreal 11.4.2005


Toen ik hier vorige week aankwam, waren de eerste dingen die me opvielen de parkeermeters. Die zijn klein en groen, staan met twee meters op een paaltje, met ieder een draaiknop en een rood wijzertje dat de minuten aangeeft. Vierkante, gele schoolbussen met kleine ruiten rijden langs. Voor de wolkenkrabbers in het centrum staan lage huizen, met dakkapellen, erkers en een buitentrap die hier en daar wentelt. Ieder huis is verschillend, vaak in opvallende kleuren geverfd, soms met een voorgevel van houten latten. Een Anglicaanse kerk wordt weerspiegeld door de ruiten van de laagste verdiepingen van een kantoor.

 

Ik verblijf in Le Rigaud, een flatgebouw in het noordoosten van Montréal. Vanaf de twintigste etage kijk ik uit op de wolkenkrabbers en rechts op de Mont Royal, een berg midden in de stad die ik gisteren heb beklommen. De zon komt links op boven de rivier en gaat rechts naast de berg onder. Le Rigaud is een huis voor oudere mensen. In de hal en in de gangen ruikt het altijd een beetje naar jachtschotel. In de lift begint een dametje van 90 in het zangerige Québécoise Frans grapjes te maken over hoogtes en lengtes en naar beneden of naar boven gaan. Als ze uitstapt en Bye gezegd heeft, bukt ze zich en raapt van het tapijt een tweedollar-stuk op, die ze in haar vuist naar me optilt.

 

Dit is het land waar alles groot is, de cappuccinokoppen, de tonnen vitaminepillen, de suiker in melkpakken. Mensen drinken koffie in 24uurs-coffeebars met een labtop op tafel, ze drinken koffie op terrassen en koffie uit plastic bekers terwijl ze over straat lopen. Stakende studenten dragen rode stukjes vilt met een veiligheidspeld op hun jas. In de latino supermarkt kost het me een uur de weg te vinden. Het punkmeisje voor wie ik buiten een shaggie rol vraagt me als ik haar vertel dat ik er vroeger net als haar uitzag: 'so why did you stop living?'

 

De eerste dag nam ik de bus naar Quebec-ville. Ik zag de Greyhound-bussen met bestemmingen in de Verenigde Staten. Ik zag op een eiland een achtbaanparcours die zo groot leek als Pernis. Op een kerkhof buiten de stad stonden de graven dicht en recht naast elkaar, zodat het vanuit de verte net een buitenopslag van een tuinbouwcentrum leek. In de bus leerde ik mijn handen wassen zonder water: uit een pomp kwam een wolkje geparfumeerde lucht.

 

Ik ging naar de Quebec voor een conferentie met vijftien Canadezen en vijf niet-Canadezen. Het Frans was er de voertaal. Toen de Deense dichter Nicholaj Stochholm en ik een Engels woord uitwisselden voor een term die we in het Frans niet vonden, werd er boos opgekeken. Het thema was dit jaar La servitude volontaire, de vrijwillige onderwerping. De conferentie werd beheerst door de verhoudingen op de universiteit van Quebec, de hoogleraar die de opening hield, zijn assistenten die hem beleefd aanvielen. Op het moment dat de Waalse auteur Jacques Sojcher de vraag stelde of literatuur het individu of juist de identiteit multipliceert, begon men aan de buitenkant van het vergaderzaaltje de ramen te zemen.


Hans Magnus Enzensberger was hier eerder te gast, Cortazar, Milan Kundera, Agota Kristof, Edmond Jabès en János Pilinszky. Ik heb twee dagen aangezeten zonder een interruptie te plegen. Opnieuw als schoolverlater tussen de professoren. Stochholm blies soms even op zijn mondharmonica. In de avonden verkenden we met zijn twee-en Quebec, de trots van de Franstalige Canadezen, dat op een Noord-Engels plaatsje in de sneeuw lijkt. We vonden er in een urinoir van een discotheek een bodem bedekt met ijsblokjes.

 

Op de laatste dag van de conferentie lezen we voor in een klein hoekje van de Salon de livre, voor het handjevol collega´s op kuipstoeltjes en daarachter wat moeders met kinderen die even uit komen puffen en in hun tassen ritselen. Als ik mijn gedichten in een andere taal voorlees, voel ik me een toneelspeler. Er klinkt lichte wrok in mijn aankondiging, een verontschuldiging voor mijn accent omdat ik nu eenmaal geen Fransman ben. Een jaar geleden, toen ik drie maanden in Marseille in residentie was, vroeg dichteres Marie Borel me waarom ik in hemelsnaam in het Nederlands schreef en niet gewoon in het Frans. Het bracht me tot een woede waar ik niet aan wil, die niet alleen taal raakt maar ook cultuur en nationaliteiten. Zeker hier in Montreal, dat werkelijk divers is, waar je hoofdzakelijk gemengde stellen ziet lopen, wil ik er niet aan. Maar ook hier loop ik rond met die regel van Dorpsoudste de Jong: 'Ik heb een hoofd vol Nederlands'.

 

De volgende ochtend wil ik met de trein, ik wil in een trein zitten op dit continent. Als ik de lokettiste zeg dat ik me erop verheug, verandert ze mijn tweedeklas kaartje in een eerste klas ticket. Ik krijg het vermoeden dat Canadezen blij zijn als iemand naar deze uithoek op de aarde komt, dat ze het diegene naar de zin willen maken. Mensen knopen makkelijk een gesprek aan. In de stationshal vliegt het piepschuimen bekertje in de machine telkens omhoog voordat ik de knop voor de straal koffie heb bereikt. Ik stap in een Canadese trein die fluit als een stoomboot. De bagage wordt op een rolband in- en uitgeladen. Terug in Montréal sta ik buiten het station voor het eerst tussen de wolkenkrabbers. De metro ruikt naar steenkool. Tegenover de perrons hangen televisieschermen met het nieuws.


Donderdag was hier een sneeuwstorm, vrijdag begon de lente. Op de Mont Royal ritselen eekhoorns in de struiken. Ze springen in bogen over het voetpad als kaatsende kiezelstenen. Jongens zetten bij acht graden boven nul een sofa voor hun huis en gaan daarop in boxershort bier zitten drinken. Mensen liggen te zonnebaden in een windvrij hoekje in het stadspark. Ik weet de weg inmiddels, maar voel hier niet goed wat noord en zuid is. Ook leeftijd is moeilijk te schatten. Een meisje dat 15 lijkt leest door een zonnebril de New York Times, haalt dan een sleutelbos uit de kniezak van haar gymbroek, stapt in een levensgrote jeep en rijdt weg.