Audiocorrespondentie Montreal, 2.5.2005


Nergens in Montréal staat een klok op straat. Ook niet op de kerktorens. Na een week bedenk ik me dat ik de wolkenkrabbers in het centrum gewoon binnen kan lopen. Dat de Canadezen uit een zes maanden durende strenge winter komen. Ik zie in een atrium een kunstschaatsbaan waar kinderen rondjes rijden. De kantine eromheen is gesloten. Op de tafels liggen kranten. Binnen in de wolkenkrabbers hangen klokken.


Canada is een georganiseerd land. Op grote kruispunten geeft het stoplicht met een secondeteller aan binnen hoeveel tijd de voetganger aan de overkant dient te zijn. In iedere winkel staat in een hoek een pinautomaat. Bij de uitgang van cafés hangt een blaasmachine die aangeeft of men nog kan rijden. De gootsteen hier heeft drie kranen, een warm en koudkraan, een douchekop voor de afwas, en een tap waar kokend water uit komt voor thee. Als ik die laatste kraan niet gebruik begint hij ’s nachts te pruttelen.


Alles in Canada lijkt een uitvergroting. De Hebreeuwse slager is op en top hebreeuws, de Hongaarse delicatessenzaak tot in de kleinste detail Hongaars. Zaterdagavonden zijn hier heel erg zaterdagavonden. Dronken studenten roepen: let’s not go for a new England, just for another girl. Overdag studeren ze in het park en in de internetcafés waar ze bidi’s roken en een bijna gestolde concentratie hangt. Als de kantoren leeglopen klinkt de Bily Kun naar een grote vogelkooi; de stenen ruimte wordt gevuld met honderden gesprekken. Hoog aan de muur hangen zes opgezette struisvogelkoppen, van elk van wie de nek anders is gedraaid. In het Albert at Bay suite hotel in Ottawa bestaat een hotelkamer uit meerdere kamers, zodat ik ’s ochtends lang moet zoeken in welke ik mijn schoenen heb gelaten.

 

Ik ontwaakte vorige week in Ottawa en zag acht gekleurde krantenautomaten op een straathoek. Een boom in het trottoir kreeg water door een slang uit een ernaast geparkeerde vrachtwagen. De chauffeur rookte in de cabine en las een krant. Op het ronde vrachtgedeelte van zijn wagen stond het woord water. Op de markt, waar jongeren rolschaatsend boodschappen deden, prijsde een slager vlees aan door bovenop de vriezer graspollen uit te stallen van het soort dat het dier heeft gegeten. In het museum sliepen tieners op een sofa tussen schilderijen van Rubens en Van Dijk, tussen de landschappen van Salomon en Jacob van Ruisdael. Hier in Canada zag ik een suppoost gebiologeerd naar een schilderij kijken.


Op het Ottawa Writers Festival waren niet alleen schrijvers. Een archeoloog kwam uitleggen dat de Donau vroeger geen rivier maar een weg was. Een journalist liet haar reisverslag van Zuid-Afrika onderbreken door gezang. De twee organisatoren, vader en zoon, geven alles en iedereen een microfoon. De boekhandelaar fluisterde me in dat ze alleen stripboeken en beleidsstukken lezen.


Ottawa claimt de eerste stad te zijn waar het rookverbod is ingegaan. Voor de openbare gebouwen staan in perken de tienduizend tulpen die Canada jaarlijks van het Nederlands koningshuis krijgt. De perken rijgen aaneen als slotgrachten en dienen als asbak voor alle rokers die voor de gebouwen staan. Binnen vertelt de Sloveense dichter Taja Kramberger hoe bij de opdeling van Joegoslavië mensen zich snel moesten registreren. Wie in het buitenland was of elders een zieke verzorgde, miste de boot en heeft nu geen recht op werk of woning. 1800 Slovenen zijn nog steeds illegaal of erger dan dat. Ze vertelde dat de Sloveense schrijversbond niet onafhankelijk is van uitgevers of de overheid. Ze vertelde dat kleurlingen als ze er hun kind willen registeren zich dienen te onderwerpen aan een lichamelijke test. Op het moment dat ze het engelse woord voor zaad uitsprak, stond haar ambassadeur in Ottawa op en liep naar buiten, en niet om er te roken. Taja las haar gedichten in Engelse vertaling. Na smeekbedes van de presentator David O’Meara leest ze toch een tekst in het Sloveens, en pas toen braken de klanken open.


Dit keer las ik in het Nederlands en David het Engels. We besloten de standaard tien seconden poëtische stilte na een gedicht te skippen, en switchten direct met twee microfoons, eerst gedicht per gedicht, dan strofe per strofe, dan twee regels per twee regels, dan woord per woord. 'Kruimels.' 'Crumbs.' 'Paperclips.' 'Paperclips.' De respons was in Ottawa warmer dan ooit. Mensen wilden de verdere dagen van het festival in dialoog. Beginnende dichters deelden een als envelop gevouwen gedicht uit als hand-out.


Terug in Montréal overvalt me de vermoeidheid van de taalstrijd. In het Maison des écrivains zeggen mensen krampachtig dat ze de voordracht "très intéressante" vonden. Men lijkt hier uit te moeten leggen dat wie geen Québécois spreekt niet meteen Amerikaan is, dat er ook Amerikanen bestaan die geen Bush-fanaat zijn. Jongeren veranderen hier makkelijker van taal en organiseren drietalige festivals, ook in het Spaans. De taalstrijd maakt me achterdochtig. Vier jaar terug vroeg men in Taipei vooral over Taiwan als land te schrijven. Hier vragen de medewerkers van de UNEQ me het niet over Canada maar over Quebec te hebben. Het geeft de indruk dat wat niet op diplomatieke wijze wordt behaald, via culturele uitwisselingen zachtjes wordt opgedrongen.