Audiocorrespondentie Montreal 6.6.2005


In juni is het in Montréal plotseling zomer. Wat deze stad me nog te bieden heeft, is een opsomming van wat ik zie. Een aansteker met een kinderslot. Een meisje dat een bal in haar handen houdt en naar de trein kijkt. Smalle bladeren die uit de bomen komen propelleren. De rode houtsnippers in de voortuinen. De Spaanse keukenhulp die voetbal kijkt. De aerobics achter de ramen op de eerste etage in de winkelstraat Saint Catherine, op muziek die door een luidspreker op straat versterkt wordt.

 

Pas nu valt me op dat niemand op straat telefoneert. De mobiele telefoon heeft hier geen gadgetwaarde en mogelijk zijn de afstanden in Canada te groot.

 

Een zaterdagavond in café Sarajevo: het barpersoneel dat stopt te schenken om te zingen, de serveerster die stopt te serveren om te dansen, in de zitkuil gaat tijdens het refrein de microfoon van hand tot hand. In een danslokaal verderop is de dj ongesteld: hij draait muziek om op te stofzuigen. De plakletters op de caféruiten in rue Rachel prijzen niet wat er verkocht wordt aan, maar hoe het verkocht wordt. 'Gestileerde glazen', en, ertegenover de letters 'bevallig glimlachende serveuses'.

 

Het is plotseling zomer en mensen lijken een weerspiegeling van elkaars humeur. Iemand laat, als ik die toeknik, een boodschappentas op straat vallen. Iemand slaat achterover als ik de deur open. Af en toe herken ik de indianen, de aboriginals, in de stad. Ze spreken Engels, geen Frans. Waar ik ontbeet kwamen drie mannen binnen met het uiterlijk van eskimo’s. Ze bestelden koffie. Toen de serveerster hen vroeg if they would also like something to eat waren ze een tijd stil. Tot een van hen droog opmerkte: No, we don’t mind about the heat. Ik zag een indianenvrouw met haar vuist tegen een plattegrond op een zuil slaan, schreeuwend somebody put something in my drink.

 

De Marché francophone de la poésie, die hier vorige week gehouden werd, volgde de gewoonte gedichten te presenteren op een plek waar men niet op poëzie zit te wachten. In een witte tent voor de metro-uitgang Mont Royal stonden de stands van Québécoise en opvallend veel Waalse kleine uitgevers. Ambulances met sirenes kwamen langs tijdens de voordrachten van de dichters uit Quebec. Na twee maanden ken ik ze onderhand wel. De alcoholische dichter die telkens voor mijn voeten spuwt, de feministe die haar poëtica opbouwt rond de vrouwelijke uitgang E die men in het Frans niet maar in het Québécoise wel uitspreekt, de dandy die van Barcelona houdt, de dichter met de dunne snor die grapjes maakt, de performer die van stilte houdt, de dichter des parlements die liedjes zingt. Terwijl in Frankrijk de wetenschap dat in het Frans elke dichtregel al mooi klinkt nog steeds aanleiding is voor grammatica- en witregelvernietiging, voor avant-gardes na avant-gardes, is het in Franstalig Canada het catastrofale lyrisme dat nog steeds de toon voert. Onvriendelijk gezegd doen voordrachten hier sterk denken aan amateur-theater, met het grote gebaar, het moment in iedere tekst dat de spreker "s’envole en l’air", de lucht in vliegt. Alleen de teksten van Michel van Schendel, achterachterachterneef van Arthur van Schendel, raken me, ook al gaan ze over Hermes en Mercurus, door de krachtige afgemetenheid van de regels.

 

Op 17 april 1988 demonstreerden 25 duizend mensen hier op de place Jacques Cartier. Op de foto die deze datum iconiseert staat het spandoek "laat de taal van onze dichters leven". Niet lang daarna kwam er een verbod op andere talen dan het Frans in het openbaar.

 

"Integriteit is elastisch," zegt D. Kimm, organisatrice van het festival Voix d´Ameriques. De Québécoise poëzie, met zijn nationalistische, ecologische en soevereine thema’s, valt moeilijk te rijmen met de wereldse en geëmancipeerde stad Montréal. Een populairder genre is in Canada le Conte, de storytelling, een niet per se humoristische vorm van stand up comedy, die vaak in de vorm van een slamwedstrijd of een open microfoon wordt georganiseerd. In de marge van de Marché de la poésie houden jongeren een parodische poëzieavond. Een klankdichter begint met een elektrische schuurmachine een houten katheder te bewerken, zodat de vonken letterlijk de zaal inspringen.

 

Als je je hand plat op tafel legt zie je de omtrek van Quebec. Bij de wreef ligt Montréal. En de opening tussen duim en wijsvinger die steeds breder wordt heet de fleuve Saint Laurent die uitmondt in de Atlantische oceaan. Ter hoogte van de knokkel van de wijsvinger ligt het fjord du Sagueney, waar tegen half juni kleine walvissen samenkomen. En daar wil ik de laatste week die mijn verblijf hier rest heen.