Music Hall (Montreal) 13.9.2005


De wind die door Montréal waait lijkt uit de achterkant van een stofzuiger te komen. Op een veldje liggen tien slapende honden rond een man die op een Pvc-buis blaast. Bij een standje kopen mensen een geschilde mango, gesneden in de vorm van een tulp en op een stokje geprikt. Punks duwen en trekken elkaar in de fontein. Over de rue Saint Laurent loopt een zwarte man heen en weer. Boven zijn hoed staat een monitor, steunend op een apparaat dat hij op zijn rug draagt. Op de monitor spelen reclames. De man glimlacht constant en kijkt niemand direct aan. Als ik bij de residentie aankom bereiken de grassproeiers op het veldje de halogeenlampen die het flatgebouw verlichten. Damp stijgt tegen de gevel op.

 

Een paar keer zie ik hetzelfde beeld: een man of een vrouw met blindenstok met een rollend balletje als punt die de stoep raakt.

 

Soms is het wel zo discreet de dingen niet te willen begrijpen. De fontein in de rue Prince Arthur is vol met zeepsop. Iemand vertelt me dat het eiland in de Fleuve Saint Laurent gebouwd is uit het puin dat overbleef na het graven van de metrogangen. Als ik het eiland bezoek, vind ik er een fort dat er al 400 jaar staat. Terug loop ik door een soort kooi, een voetgangerssluis langs de snelweg over de brug over de Fleuve. Een automobilist verwisselt in de file CD’s , houdt de een met wijsvinger en duim als een dienblad omhoog terwijl hij de ander uit de speler haalt.

De hitte is verzengend. Zelfs de eekhoorns in het park liggen plat op hun buik, met hun voorpoten voor hen uitgestrekt. In de tuin van een bejaardentehuis staan schommelbanken, twee tegenover elkaar geplaatste en aan elkaar verbonden banken, waarop vier mensen tegelijk kunnen schommelen. Ik zie er nooit iemand gebruik van maken.


De vierkante ogen van het Canadese stopcontact. Suikerklontjes in de vorm van harten, schoppen, klaver en ruiten. Een serveuse die met een scheerkwast de asbakken uitveegt. Alle huisnummers sluiten aan op de huisnummers aan de overkant. Iemand vertelt me dat na iedere zijstraat een nieuw honderdtal begint. Zo lijk ik, tot mijn teleurstelling, de stad door te krijgen. Gelukkig klopt ook dit niet. De mensen zijn zo graag behulpzaam. Nummer 10.000 op de Boulevard Saint Denis ligt niet op 100 zijstraten van de fleuve. De mensen vertellen graag hoe de eerste immigranten vanaf de Fleuve Saint Laurent over de rue Saint laurent, die in het Engels The Main heet, de stad binnen kwamen, er huizen bouwden en winkeltjes openden.

 

In de laatste week van mijn verblijf huur ik een auto, een automaat met airconditioning. Ik rij langs de grens met de Verenigde Staten door een gigantisch Ruhrgebied. Pas bij Sherbrooke zie ik velden, akkers zoals in Nederland, maar dan veel groter, bollend en glijdend. Beeldschermen geven in de basiliek Sainte-Anne-de-Beaupré de volgende mis aan. In de crypte branden honderden kaarsen, de lucht is er verstikkend. Ik volg de Fleuve tot waar die breder is dan de Noordzee. Ik slaap in een uit hardplastic opgetrokken chalet dat uitkijkt over de baai. De weg loopt bij Saguenay op een pont, die het Fjord oversteekt. Het inktzwarte water tussen de ferry en de kade. Een man in een mouwloos vaalwit hemd zegt met zware stem: Baleine. Alle passagiers lopen achter hem aan van stuur- naar bakboord. Daar zien we de rug en de staart van de walvis die met de ferry speelt, er naast zwemt en er voor langs gaat.

 

Over het fjord hangen elektriciteitsdraden laag boven het water, slap en slordig als snorharen. Tegen alle bergen groeit maar een boomsoort. Onder en rond de elektriciteitsdraden en –palen is het bos gekapt, er lopen banen door de wouden. Ik rijd om het Fjord en door het noorden van Quebec. Het landschap verandert nergens. Over sommige bruggen staat een houten overkapping, als 19e-eeuws icoon van Noord Amerika.

 

In Montreal een dansvoorstelling waarbij de danser niet beweegt maar mooi zucht. In alle tweedehands stripboekwinkels staat een kast met poëzie. In een CD winkel vind ik in de rekken achter vier albums een plastic houder met een Nederlandse naam: Jaap Blonk.

 

Terug in Amsterdam ben ik deze beelden kwijt. Ik zie als ik aankom een man langs het Oosterpark fietsen met een vogelkooi op zijn stuur. De volgende dag opnieuw en gisteren weer. Een andere fiets, een andere kooi, een andere man en een andere vogel. Ik spreek er de wens uit niet meer ergens te wonen, te behoren, te zeggen ik kom uit Den Haag, woon in Amsterdam. Heimwee ken ik niet. Canada is maar een gedachte.