Audiocorrespondentie Tirana 17.10.2005


In het stadspark in het oosten van Tirana laat een man een koe uit aan een lang koord. In het meer in het park staat een stenen plateau op 14 smalle zuilen waarvan alleen de eerste de oever raakt. Aan de rand van het meer waakt een visser over drie hengels. Een van zijn broekspijpen is opgerold tot boven de knie, de ander reikt tot zijn enkel.

 

Als ik de balkondeur open, klinkt de aanroep van het gebed allahu akbar. Er is geen straat in Tirana waar niet wordt gewerkt. Stoepen worden betegeld,  wegdek geasfalteerd, huizen gebouwd, afgebroken, uitgebreid met meer etages. De gevels van oude flats zijn opnieuw beschilderd, ze lijken op de kleurstaalkaarten in verfwinkels. Vanaf een doodlopende steeg is aan de achterkant de grijze onderlaag zichtbaar.


De lucht in de stad is zo stoffig dat het geen zin heeft op straat te roken. Een man veegt met een stoffer zijn auto af. Straten zijn opgebroken, op een kruispunt ligt een loopplank over een diepe greppel. De rivier is een kleine geul, eerder een goot dan een sloot. Onder een van de bruggen brandt 's avonds donkerblauw tl-licht. In een wijk is geen verlichting, en juist daar lopen mensen. Een verkeersagent die constant fluit gebaart de auto’s door te rijden. In zijn hand een klaar-overbordje met de Albanese adelaar in het midden. Een straatveger met een zakdoek om het hoofd controleert een leeg pakje sigaretten en werpt het op de stapel bladeren. Een stenen engel zonder hoofd boven een deur naar een braakliggend landje. De bewaker van een villa met machinegeweer praat door het hek met de kastanjepoffer op de stoep.

 

Overdag liggen op de rand van de stoep uitdragerijen, lakens met fruit, schoenen en kleren. Mensen wuiven met bundels geld om te wisselen. Afval ruikt hier niet zwaar zoet maar licht zuur. De onderkant van de loopplanken van een steiger zijn beschreven. Elektriciteitsdraden lopen langs de flats, watertanks staan op het dak. Een vrouw die in een kerkje woont dweilt haar binnenplaats. In een boekhandel vind ik een verklaring voor de wonderlijke mails die ik in Nederland ontving met het verzoek om hierheen te komen. Alle andere talen worden in fonetisch Albanees gespeld, ook de auteursnamen op de kaften. Op de gevel van het kunstmuseum is de sociaal realistische verbeelding van de ontwikkeling van pijl en boog tot klasnikov niet verwijderd.

 

Het netje knoflook aan de muur van de herenkapper. Het marktplein onder de eucalyptus. Karren met ijzerresten, karren met lood. Een vrouw met een zak lege flessen op haar rug gebonden. Achter het station ligt een veld met schapen, hutten en een mager wit paard. Het veld is bezaaid met vuilnis, tussen de schapen wapperen blauwe plastic zakjes. Een meneer in pak met een aktetas en daarop een opgerolde paraplu steekt het veld over. Voor de hutten wordt gekookt en zitten families in het gras. Aan de rand van het veld staan verroeste treinstellen naast het spoor, stationsloodsen, en erachter de bergen. Aan de overkant liggen de onder aarde bedolven ronde Albanese bunkers.

 

Aan de noordkant van het stadion staat een minibus. Ik noem de naam van de stad waar ik heen moet en kan instappen. We cirkelen door Tirana  en pikken op kruispunten mensen met bagage op. Een windscherm wordt met plakband tegen de achterbank vastgezet. Als er negen mensen in het busje zitten rijden we langs het park de stad uit. Een man houdt een vis aan een lijn omhoog. Albanië lijkt dichtbevolkt. De hele weg lang zijn er mensen te zien die iets doen, een land bewerken, huizen verbouwen of naar een langsrijdende bus kijken. Na twee bergkammen en een dal stap ik als enige uit in Pogradec.

 

Boven de weg hangt een spandoek met de tekst Poetical festival. Het hotel erachter lijkt gebouwd om complete partijkaders te herbergen. Het staat in het midden van de stad aan het Ohridmeer. Rami Saari, linguïst uit Athene, wijst me erop dat een voorbijganger poetical als political zal lezen. In de eetzaal is een ronde tafelgesprek gaande over Albanese poëzie. De tafels vormen samen een rechte u. In het midden staat een plant. Tijdens de uiteenzettingen kijk ik naar de violette muren en de bruine houten lijsten, het blauwe tafelkleed, het niet-bewegend schilderij van de waterval met de stekker uit het stopcontact, de twee sprekers die een leesbril delen, de ijskasten met glazen deuren, het houten dressoir met een beeldscherm, de waterflessen met rode en blauwe dopjes, de vier omgekeerde glazen per deelnemer, de wijnkalender aan de muur, de vitrages die het zonlicht buiten houden, de jonge leraar die iedere interventie in het Engels samenvat na een slapeloze nacht waarin hij onze gedichten in het Albanees vertaalde, zijn zigeuner studente die de vertalingen voor zal lezen en bij de lunch niet durft te eten. De Albanese poëzie heeft volgens de tafelgenoten sinds het sociaal-realisme een snelle ontwikkeling doorgemaakt van decadentie, autonomie en kubisme. Ik zou niet weten wat kubistische poëzie is, maar hou mijn mond.


Overal in Albanië klinkt muziek. In de minibus, bij het eten en onder iedere poëzievoordracht. Het festival wordt geopend in de bioscoop, voor een publiek van schoolkinderen en Albanese dichters en hun families. De burgemeester licht het cultuurbudget toe. Een meisje doet karaoka tussen de voordrachten. Als zeven zangers, een accordeonist en een gitarist een lied inzetten, staat de organisator te telefoneren op het midden van het podium. Na de opening volgt een diner waarbij gedanst en gedronken en opnieuw voorgedragen wordt. De festivalgasten worden vervoerd in een rode stadsbus uit Nederland. De letters Wilt u zitten? ik kan staan! zijn niet verwijdert. De bus brengt ons naar Lin, een dorp onder een 6eeeuws mozaïek dat bedekt is door gruis. In het dorp staan bepakte ezels.

 

De televisie vertoont een zwart-wit film. Een man rent achter een wit paard aan dat op hol is geslagen. In een rivier slaat hij zijn touw om de hals. Het volgend beeld is de plek waar de kogel het water raakt.

 

Over Berlijn schreef men na de eenwording dat het een stad is die altijd wordt en nooit is. Tirana loopt het gevaar met zijn vele constructiewerkzaamheden nooit wat te worden. Rami, die negen jaar terug in Tirana woonde, loopt naast me door een stratenplan dat hij zich herinnert, maar geen straat komt hem meer bekend voor. Hij wijst me welke huizen nieuw zijn en welke volgens hem verplaatst zijn. Ik zie alleen nog maar zijn woorden.

 

We belanden in de Piramide die de communistische leider Hoxha als zijn eigen mausoleum liet bouwen. Er is een beurs met een onduidelijk thema bezig. Stands van tankstationketens, mediagroepen en tegelzetters staan naast elkaar. Tafels met telefoonkaarten naast keramiek, wijn- en gasflessen, parfum en waterpijpen, tandpasta en bloemenvazen. Achteraan boeketten graansoorten, in felle kleuren geverfd.