Music Hall (Tirana) 6.12.2005


Ik kijk om en zie een Turkse man en vrouw aan de Ringvaart. De vrouw die in de boom met een stok tegen takken slaat. De man onder de boom die kastanjes opraapt en in een plastic zak doet. Op het stukje land tussen het pad over de dijk en de reling naar de brug, waar ik gewoonlijks doorloop en overheen klim. De vrouw slaat en de man buigt naar de grond en hun bewegingen blijven schichtig terwijl het ook hun kastanjes zijn.

 

Terug naar oktober, terug naar Albanië. In de kelder van het Brilant hotel speelt op een breedbeeld televisie Balkanika Music Television. De bewegingen in de videoclips zijn herkenbaar, maar de klederdracht, de romantische Zuidoost Europese landschappen maken de verleidingskunst van de zangers en dansers schokkend. En het decor van de kelder: de zwaar houten stoelen met hoge leuningen, de solide tafels, de gekruiste messen op de schoorsteenmantel, het glas in lood zonder ramen, de zwarte kandelaars. De jongen achter de toonbank schenkt steevast een glas in uit een ander glas. De bazin van het hotel zegt dat ze het zonde vindt dat ik me door een Albanese kapper heb laten kortwieken om enigszins incognito over straat te gaan.

 

Kleine volgepakte stadsbusjes. Fietsenrekken zonder fietsen. Een moskee met een ladder. De kraagjes van het schooluniform. Stoffige bomen vol met vogels. Wegen zonder bestrating waarover mensen door het verkeer heen lopen. Een bakfiets met negen vissoorten in negen piepschuim bakken. Een grote bakkerij met maar een soort brood. Druiven in kratten naast de weg. Te lopen, zo lang te lopen tot je geen verschil meer ziet tussen mensen en paspoppen in de etalages. Kinderboeken hangen aan een waslijn aan de muur.

 

Het standbeeld van Skanderberg op een paard op het plein. Skanderberg die volgens de taxichauffeur die me hier bracht eeuwen lang op dat paard de Turken op de grens van Albanië tegengehouden zou hebben en daarmee ook buiten West-Europa. Een man houdt me aan op het Skanderbergplein en zegt dat al rokend lopen zoveel betekent als zittend vijf sigaretten tegelijk roken. Zeker in Tirana. Zijn Engels is vlekkeloos, hij geeft zich uit voor informant van ondermeer de BBC tijdens de Kosovo-oorlog. Moet met de bus naar zijn moeder en is net uit het ziekenhuis. Ik geef hem een half uur en de 8.800 lek waar hij om vraagt. Alles wat hij vertelt vind ik terug in Albanian Times. Dat er geen trafficking van Roemenië en Bulgarije naar Italië meer zou bestaan, dat de Albanese maffia is opgerold, dat het tijd is voor de Europese Unie... Ja maar, ik ben geen journalist.

 

Een brommerwerkplaats in de bocht van een aluminium afscheiding van een bouwterrein. Een markt met metalen tafels met houten bladen, onder een overkapping van gescheurd linnen, op een plein met een eucalyptusboom. Het plein dat een hoek maakt en daarin alleen via portieken van woningen met de straat erachter is verbonden, een halve trap op en een halve af. Aan de overkant het karkas van een flat, zoals overal in Tirana: plafonds en steunbalken maar geen muren.

 

Albanië is het enige Europese land zonder McDonalds . Ze hebben hun eigen variant: de Kolonat, waarvan de K in het gele logo dezelfde sprongen nadoet als de M. Tirana valt niet te snappen. Is dit een stad net na een oorlog? Is dit een door Westerse macht bezet stuk Istanbul dat gesloopt is en in nieuwe steigers staat? In het stadspark staat op een kleine Amerikaanse begraafplaats de steen voor Captain H. Careless, piloot die hier op 20 oktober 1943 neerkwam. De tuinvrouwen die voor het kerkhof de bermen van het pad beplanten. In de stad de nachtbakkers. De krantenmoes waar je schoen in wegzakt. Een plantsoen met graafcontainers en een draaimolen met lachende olifantjes als wagens. De stofwolk als een auto is langsgereden. Oefeningen in kaalslag, al die kapotte stoepen, al die militairen dag en nacht wakend voor banken en openbare gebouwen.

 

Door de man die naar zijn moeder reist, weet ik waar ik in een minibus moet stappen om naar het poëziefestival te kunnen: noord van het stadion. Ik krijg in Pogradec tien gedichten onder ogen van een zekere Ledia Dushi die me bevallen, in het Engels vertaalt uit een Noord-Albanees dialect. Maar de dichteres is al weg, vertrokken met een hoge ambtenaar met een snor die een gevierd acteur is en ook nog eens gedichten schrijft. Bij alle bijeenkomsten voert Dimitri Pojanaku het woord. De directeur die zo mooi zijn pink weet op te heffen, wiens stem over begint te slaan als er jongetjes in zijn teksten voor komen en die hier in Albanië gewoon vrouw en kinderen heeft. 90 % van de tijd luisteren we naar zijn gedichten, die hij voordraagt met op de achtergrond de net te luide muziek van Julio Iglesias. Een forumdiscussie, over het communisme als moord op de individu. De bebaarde professor die voor de lunch naar huis fietst met de Fialda krant achterop opgerold onder de snelbinder.


Een zichzelf op het laatst aangemelde dichteres danst met brandende servetten in haar handen. Prikt met een pink in eigen buik. De zigeunerstudente die zo onze vertalingen voor zal lezen wenst ons en al onze families en kinderen een goede gezondheid toe. Het publiek dat kletst, lacht en klapt. Ik loop om naar de rechtertrap het podium op en bijt de technicus toe: no music, please. Daarna opnieuw Dhimitri, opnieuw het cassettebandje met Iglesias en de  kwijlerige gedichten over de herfst. Het doet me verlangen naar iets concreets, een gesprek over het verschil tussen peren en kweeperen. Of zelfs naar Nederland, een inpakzakje van een kantoorboekhandel met voorbedrukt de tekst inpakzakje.


Bij de lunch verlaat ik het gezelschap om aan de bar, tussen de obers die in de war raken omdat ik hetzelfde tenue als hen draag, koffie te drinken. Een capuchino, gemaakt uit een slagroomspuitbus. Families luisteren aan de andere tafelsmet spottende glimlach naar Dimitri. Twee Aziatische dames die gewoon zin hebben om om 4 uur ’s middags in een restaurant martini te drinken, worden van alle kanten beschimpt, ook door de Albanese dichters. De dames blijven er Aziatisch koel onder.

 

De dubbele wetenschap als westerling al te gretig ontvangen te worden. Het lijkt veiliger om met een labtop door Albanië te reizen dan met vijf eurocent door Zeist. En toch noemt Rami Sari, linguist uit Athene, de Albanezen het meest vriendelijke volk op aarde. Ja, de partizanen beschermden de Joden in de oorlog. Maar Rami leerde negen jaar geleden Albanees van een vrouw tot haar man dat verbood. In nog geen vijf generaties valt er iets in die opvatting te veranderen, zegt Rami. Hij wil dat ik in Tirana getuige ben hoe hij het stel na negen jaar in de armen valt, huilend. Hm, zegt Tom Poes. Rami, Rami, Rami. Eén leven is vanzelf al meervoud in het Hebreeuws.

 

Ik voel aan het trillen in de broekzak van mijn pantalon dat mijn mobiele telefoon afgaat. Het is François uit Marseille, âllo est-que je te dérange, ja, tuurlijk in een busje vol mensen en spullen dat lijkt op een turkenverhuizing in Albanië maar als we maar Frans blijven spreken en geen Engels is het goed. We praten over drukproeven en de mensen om me heen voelen zich ongemakkelijk. Nadenken, nadenken over Canada in Albanië, over de beeffalo als kruising tussen bief en buffalo en over zwaarlijvige indianen. Albanië is dichtbevolkt en toch zijn er bergen waarover we door s-bochten slingeren. Over Éric Giraud die voor de lokale radio Grenouille in Marseille zijn feuilleton Documentaire de la fabrication des Ámericains voortzet en zijn litanie zijn enumeratie stopt met de vraag Mais qu’est-ce qu’il y a dans des failles ? Les failles sont lisses. Maar wat zit er dan in de afgronden? De afgronden zijn glad. Wagenziek, ik ben alleen maar wagenziek. Vlak voor Tirana laat de chauffeur me er bij het stadspark op de heuvel uit.


De zigeunerkinderen die bedelen en voor foto’s poseren. Op het vliegveld geeft een man me een ticket voor een uitreisvisum, waarmee ik terug loop om naast de hal bij de American Bank of Albania 10.000 lek te pinnen en dat douaneticket natuurlijk weer kwijt ben als ik terugkom. Wil hij hetzelfde ticket zien? Met een ruiterlijk brede lach zegt hij: no, I just want the money. Dat is tenminste een eerlijk antwoord. Dank je, Albanië.