Athene 11.2007


Het is november als ik in Athene ben. In het steegje naast het Nederlands Instituut vallen boombladeren, groot als wilde spinazie, diepgroen en gekruld. Ze lijken haast van plastic. Binnen een dag zijn ze droog en plat.


Ik loop een straatje in waar de muziekschool staat. Drie jongens komen van een straathoek aangerend met in hun handen onderdelen van een drumstel. Drie andere jongens komen met de overige onderdelen van de andere kant gerend. Precies voor de deur van de muziekschool zetten ze het neer, perfect, zoals een drumstel hoort te staan. De jongens springen terug, een stap achteruit. Dan valt de hi-hat om. Ze proesten het uit.


Ik zie de vertrouwde beelden, de beelden die ik verwacht heb: een kralenketting die in een hand tikt. De trictrac borden. De opgravingen tussen de huizen. Daarnaast onverwachte beelden: in een overdekte passage een paar winkels en midden in de gang een trap naar beneden. Daar beneden staat een tafel met kranten, kaarten en bureaustoelen eromheen. Op de grond zaagsel en slapende honden.


Als ik een kerk binnenloop staat daar een vrouw op een stoel die me vraag om haar een brandende kaars aan te geven zodat ze iets aan kan steken. Een meisje loopt na het bidden de kerk uit zonder haar tranen weg te vegen.


In de metro is er een klimmend of dalend driehoekje onder een tekening van een trap, die de richting van de roltrap aangeeft.


Op het terrein van de Biennale raakt de man die achter me een zaal binnen loopt de halsketting om de nek van een beeld met beiden handen even aan.


In Gazi is er op een kruising een zigeunerbruiloft. Op een hoek staat een bestelwagen open met daarin aan een stang een rij glitterjurken. Op een andere hoek staan twee elektrische piano’s en een man met een klarinet. Op een derde hoek zitten mannen op een terras. Op de vierde hoek een formica tafel, een witte neonlamop en een camera op een statief. Kinderen dansen, tienermoeders met baby’s in hun armen. Traag passeert de stadsbus tussen de vier hoeken door.


Op de straatmarkt zitten kinderen in een open bestelwagen. Op het wegdek staan honderden doorzichtige plastic zakken met groente.


Een magere man dweilt met hoog opgetrokken schouders de stenen vloer van zijn benedenwoning bij blauw televisielicht.


Er rijdt een tram naar de kust tussen de bomen door. Kleine takken kletteren tegen de zijkant van de tram, dikke bladeren als die van een vetplant. In de tram hangen monitors met diervoedingreclames. Buiten slaan vlaggentouwen tegen palen.

  

De zee is paars bij Piraeus.

 

Een vlag kruipt uit de klokkentoren

als de wind draait.

 

Een man stapt over een hond.

Een vrouw wrijft gebogen over haar ooglid.

 

In een parapluwinkel valt een paraplu van de toonbank.

 

Op een smalle tak zit een duif

die erafvalt, fladdert en opnieuw gaat zitten

de bes die te ver op het uiteinde van de twijg zit

de tak die doorbuigt, de kraag die opbolt als de duif verschuift.

 

Een meisje stapt in de metro met een bureaula.

 

Op het dikke zand aan de branding

schuift een visser horizontaal zijn hengel uit

een fiets staat naast hem op de standaard.

 

Hij staat wijdbeens alsof hij plast.

Vogelpootafdrukken in het zand.

De hengel kromt boven de zee.