Erik Lindner

Achtergrond

 

Deze recensie verscheen in De Groene Amsterdammer, jaargang 133 / nummer 7, op 13 februari 2009

Onaangelengde limonadesiroop

 

Jan-Willem Anker. Wij zijn de laatste geliefden van de wereld. De Bezige Bij, 2009. 48 blz. €15,-

 

door Erik Lindner

 

Jan-Willem Anker debuteerde in 2005 met de bundel Inzinkingen. Die bestond uit korte, ietwat ijle gedichten, sober en somber tegelijk. Anker won er de Jo Peterse Poëzieprijs mee. Criticus Rob Schouten vond in het werk bevestiging van zijn vermoeden dat Nederlandse poëzie na Oosterhoff en Lampe wat strakker in het jasje zou komen te zitten. De gedichten van Anker hebben iets vormelijks, ze lijken heel erg op gedichten. De prijs resulteerde in de kleine bundel Luchthaven, maar inmiddels was er al een tweede bundel uit, Donkere arena. Ondanks de titel werd de ijlheid van zijn debuut abrupt verlaten. Vooral de prozagedichten in die bundel bleven bij verhaaltjes. Er waren gedichten die een studentikoze sfeer uitademen, grapjes over langslopende meisjes op een Utrechts terras, een visje in een spel op een mobiele telefoon, een beschrijving van een Portugees toeristenoord.


De bundels van Jan-Willem Anker lijken op plekken waar een verspringende passer neerkomt en rondjes trekt. Een lijn valt er niet in te ontdekken. Eerder dan dat hij de weg kwijt is, lijkt het alsof hij maar niet kan kiezen welke weg in te slaan. Het titelgedicht uit Luchthaven beschrijft wachtende forensen op het treinstation van Schiphol, mensen die van fonteintjes drinken, marechaussee, een schoonmaker met een karretje en een meisje dat aan de hoes om haar contrabas ruikt. Dit afwachtende registreren leek nog het meest kenmerkende voor het werk van Anker. Totdat deze week zijn nieuwe bundel verscheen, Wij zijn de laatste geliefden van de wereld, die maakt dat alles weer anders is.


In twintig gedichten schudt Anker zijn eerdere invloeden af en verandert opnieuw van stijl, en nu dan ook radicaal. 'in een stilte die we uit de hemel puurden / voelden we de adem van onze voorouders,' spreekt een en dezelfde stem die de hele reeks aan het woord blijft. Het is de stem van de amore mechanica, bedwelmd door de liefde dreunt die in een cadans van drie strofes van ieder vier regels die alle uit twaalf lettergrepen bestaan, en dat de hele bundel lang. Opvallend is Ankers expliciete technische vernuft. Vogels vliegen 'als weerhaken' door de straten. Als hij schrijft over 'de zee die me omgeslagen wordt' klinkt dat omslachtig – en toch is het invoelbaar als je bijvoorbeeld ruggelings het water in gaat. 'Ik loop rond als een man in zijn manken verpakt,' spreekt de gekwelde geliefde en richt zich tot 'de mond die me tot gevangene heeft gekust'.


Knap zitten de gedichten absoluut in elkaar, maar na een gedicht of vijf begin je je af te vragen wat de dichter aan wil met deze tour de force. Het wordt snel allemaal teveel en eentonig met die beschreven liefde en de opeenvolgende gedichten beginnen op strekoefeningen in sentimentsbeschrijvingen te lijken. 'een belijdenis ons heimelijk beschoren' - je moet als dichter maar weten waar dergelijke plattitudes voor staan, en ook dat is knap. 'Alsof een sidderaal door ons binnenste waart.' Halverwege de bundel ben je geneigd tegen die bedwelmde stem te roepen: ga toch even zitten, drink een glas koud water. Het is een bundel zonder contrasten, een doorlopend gebed. Dit boekje is zo coherent dat je het niet meer geloofd. Op zich is dat als experiment interessant – boeketreeksliefde is blijkbaar voor poëzie veels te ingewikkeld. De tinten oker en oranje waarmee Anker zijn onverdunde olieverf aanbrengt zijn diep – 'zodra de zon aanvangt te sterven in zijn wieg'. Dan klinkt 'de poespas waarop ik jou in bed trakteer' stukken minder verheven – maar het betreffende gedicht eindigt met de regels waarbij je je even afvraagt of Anker voor zijn actors voice dreigt uit te komen: 'en fluister dat ik van je houd, een holle spreuk / maar niet voor mij, in mijn intiemste stem gelegd.'


Het dubbelzinnige is natuurlijk dat Jan-Willem Anker een groot talent is die behoorlijk wat kan. Veelal euforisch, dan weer contemplatief en ingetogen klinkt de verliefde stem in Wij zijn de laatste geliefden van de wereld. Borsten 'die hun luister vieren', er zal vast wel wat moois mee bedoeld worden, maar het klinkt zo poëtisch dat het doodslaat. De spreker is 'de dromer die jou tot muze verheft' en dan weer 'de afgod die je wereld openvouwt'. Zoiets leest als verlate adolescentenpoëzie en smaakt naar onaangelengde limonadesiroop. 'zonder je kus schimmelt mijn mond op de muren.' Wat het werkwoord in de volgende regel wil zeggen is mij duister: 'De winter slaakt zijn nachtvorst'. Even verderop heeft hij het over verkeer dat 'massaal door de natte sneeuw hikt' en dat is verrassend helder waargenomen. Een strofe later is hij opnieuw gedragen en zijn 'restaurants en grand-cafés / bedaarde vlaggenschepen van mijn ontheemding.' Natuurlijk is in het slotgedicht de liefde over en klinkt een plechtig halfrijm: 'Het bed waarin we lagen, tart herinnering / de kussen die we gaven, zijn een hersenschim.'


Wij zijn de laatste geliefden in de wereld is een klassiek werkstuk in een modern jasje. In een vraaggesprek met Jeroen van Kan op de radio argumenteerde Jan-Willem Anker dat het vrije vers zijn beste tijd gehad zou hebben. Die gedachte is niet onbekend. Eerder had Jacques Roubaud het over het Vers International Libre dat gemakkelijk vertaalbaar zou zijn en zo inzetbaar op vele festivals op de wereld. Dergelijke poëzie heeft Anker, voormalig programmeur van Poetry International, uitentreure gelezen, maar dat is nog iets anders dan geschreven.

Veel meer dan in zijn eerdere bundels klinkt Anker in dit werk als literatuurwetenschapper die aan het dichten slaat, met alle bagage van dien. Het uitbrengen van een serie gemaniëreerde liefdesgedichten voor valentijnsdag is niet de meest uitgelezen stap om van een literator een dichter te worden. Ga toch gewoon gedichten schrijven, zou je tegen ieder talent willen zeggen, en ontwikkel je eigen stem.



Zie je hoe de wind vogels van een tak opraapt

  ze uitvouwt, veer voor veer oppakt en openklapt

uit de lucht plukt die ze vliegensvlug verkennen

  als schichten in een bronsvertrekkend licht gevat.

 

Zie je hoe de zee schepen richting zon afvoert

  naar de hemel tast, de wolken naar binnen slokt

terwijl plezierboten voorbij de kust deinen

  zwemmers het dek opklimmen en zich uitstrekken.

 

Zie je dan niet hoe je mij door de dag heen praat

  me uitlegt aan de uren die ik niet begrijp

aan de tijd die jij laat zinken in je woorden

  de woorden waarmee je me vogelvrij beschut.

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact