Deze recensie verscheen in Ons Erfdeel, jaargang 51 / nummer 3, augustus 2008.

Zing en knoop de oceaanmat.


Peter Holvoet-Hanssen, Navagio. Prometheus, Amsterdam, 2008, 61 p.


door Erik Lindner
 

Navagio heet de vijfde bundel van Peter Holvoet-Hanssen. Het is de naam van een baai op Zakyntos, een Grieks eiland in de Ionische Zee, niet ver van de Peloponnesus. De naam is vooral bekend vanwege het veel gefotografeerde wrak van het piratenschip Panatgiotis uit Piraeus dat er ligt. De baai van wit zandstrand wordt door zulke steile rotsen omringd, dat die alleen per boot te bereiken valt. Het is niet de eerste keer dat Holvoet-Hanssen voor een exotische titel kiest. Zijn vorige bundel Spinalonga is vernoemd naar een eiland bij Kreta met een fort, een leprozerie en een verdronken stad. Eerder verscheen Strombolicchio, ook al een toeristische trekpleister, dit keer een vulkanisch eilandje bij Sicilië.


Zuidelijke oorden die tot de verbeelding spreken passen de wonderlijke dichter Holvoet-Hanssen. Hij is in zijn bundels en op de podia een excentrieke verschijning. Bij een voordracht hoort een hele entourage: een schedel, een bromfietsketting en diverse kleden. Toch zijn de gedichten niet zo eenvoudig en tijdens het luisteren te veroveren, zoals men bij poëzie op het podium zou verwachten. Men zou Peter Holvoet-Hanssen een hermetisch podiumdichter kunnen noemen. Hermetisch, omdat hij met zijn vijf bundels een eigen en naar zichzelf verwijzende wereld opbouwt en tentoonstelt, die complex is. Eigennamen, verwijzingen, scheepstaal, zingende honden, monologen, perspectiefwisselingen: het is een curieuze bedoening, de daverende veelheid waar Holvoets-Hanssens bundels uit bestaan.


Peter Holvoet-Hanssen debuteerde met Dwangbuis van Houdini, vernoemd naar de Hongaarse goochelaar, boeienkoning en verdwijnkunstenaar. De voorliefde voor de variété is in al de vijf bundels blijven meespelen. Al in zijn debuut uit 1998 heeft de scheepsvaart een sterke metaforische rol. Volgens de uitgebreide aantekeningen in zijn nieuwe bundel Navagio, kunnen we zijn bundels als een vijfluik lezen, en eindigt hier de 'exploratiereis' die de dichter 'stolselmatig' aanvatte. Waar zijn vorige bundel Spinalonga eindigde met een 'storm die over de wereld walste', begint de nieuwe bundel met een wrak.


bouw dan van wrakhout een schip en doop het Navagio heet het prozagedicht waar de bundel mee opent. Holvoet-Hanssen timmert er meteen zijn thematiek in mee: hij jut 'wrakhoutwoorden', hij begint aan het bouwen van iets dat niet kan varen, een wrakhoutschip waarvan Holvoet-Hanssen een spookhuis maakt dat hij met leesbaar plezier inricht. Veel van de woorden uit dit intro keren terug in de gedichten. Zo gebeurt dat jutten van zijn gebroken woorden aan het strand van Dodenstad, de titel van de eerste afdeling van de bundel. Die dodenstad kan de ondergelopen stad uit zijn vorige bundel zijn, maar een en ander begint verwarrend te worden als hij het expliciet over de Scheldestad Antwerpen heeft. 'Stad van zandbankwrakken samenloop van puin en bloed bij / je mond Muzaffarabad kasjmieren dodenstad.' Even lijkt de dichter expliciet: 'jonge allochtonen / zwerven door de stad als uitzichtloze meeuwen.' Maar het samentrekken van de realiteit van Antwerpen en de sprookjesachtige wereld van de troebadoer en woordjutter is Holvoet-Hanssen eigen. Zijn droomwereld is consequent doorgevoerd. Die theatrale setting is in vijf bundels intact gebleven. Alleen de letterlijke elementen van de kindbeleving maken deel uit van Holvoet-Hanssens universum: zijn gedichten zijn bittere liedjes voor volwassenen. Liedjes, een 'sing along', nachtwijsjes, een trompettine: wat zeggen twee vrolijke grote muzieknoten naast de titel van een gedicht? De dichter schreef een deels rijmende bundel. Als je tegenstellingen in zijn uitspraken verwacht, zijn die er niet: 'Wat leeft draait rond de zon, de dood woont op de maan / de zee is natte lucht, de lucht is oceaan / ik die jut, jij die liever anemonen aait / meeuw die roept strijk die hemden waar de wind door waait.' Dat gebrek aan tegenstellingen levert een aantal uiterst fantasierijke, dromerige, ja gewoon mooie regels op: 'Onzichtbaar was de maan, maar ik voelde haar als een handvol / zeep op mijn hoofd.' Evengoed zijn sommige uitdrukkingen wat flauw en woordspelerig ('piercend licht') en bepaalde wendingen retorisch ('Zie je de glazenmaker in de lucht / vlieg dan als ganzen je laatste vlucht').


Die tweespalt keert terug in de chronologie van de bundel. Na Dodenstad en Gebroken woordenjutters volgen de series Naar het wrakhoutschip, Navagio en Sneeuwdienst. Uit de aantekeningen blijkt dat de aanleiding voor veel gedichten specifiek waren: de dichter verwijst veelvuldig naar kunstenaars en muzikanten wiens werk bij zijn gedichten een rol hebben gespeeld. Die gedichten onderbrengen in het verhaal over het wrak is een vorm van jongleren dat Holvoet-Hansen met gemak doet. 'Een beeflichtje betast de vrouw totdat zij zingt / de nacht valt als een spin / sneeuw dwarrelt er middenin.' Vaak lijkt het of de dichter zingt en al zingend instemmend citeert: 'Laat rijmen klinken / klingend zilt / maar draag geen string / onder je kilt'. Toch heet de enige korte tekst die echt als liedje geschikt zou zijn geen lied maar gedicht:

 

GEDICHT VOOR VOGEL KENNY

 

ik zie bijen op je mantel

zondag ijs met chocola

 

ik leer peinzen en niet denken

vlieg je maanmanwoorden na

 

kleiner als de zon daar scheer je

hoger, hoger dan de ra

 

roomijswit de sterren op je

mantel ’s nachts van chocola


Peter Holvoet-Hanssens werk vormt een markante en eigenzinnige illustratie van het wegvallen van de grens tussen podiumpoëzie en leespoëzie, zoals Bart Meuleman het opmerkte bij het uitreiken van de C. Buddingh'prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie 2007 aan de slammer Bernard Wesseling. Het podium als laboratorium voor nieuwe teksten hoeft niet per definitie een juk van verstaanbaarheid over gedichten te leggen. Dichters als F. van Dixhoorn of Nachoem M. Wijnberg besteden veel aandacht en concentratie aan hun voordrachten. Te midden van die ontwikkeling blijft Peter Holvoet-Hanssen een excentriekeling. Met zijn papieren performances levert hij een bewijs van het artificiële van het onderscheid tussen podium en bundel. En toch zou ik willen weten hoe hij zonder de theatrale setting van zijn eerste vijf publicaties klinkt, zonder alle decorstukken, specifieke attributen, exotische eigennamen en typerende verkleinwoordjes. In bepaalde gedichten uit Navagio klinkt een mooi ritme, een sterk taalgevoel en een knappe opbouw van de poëtische monoloog. En daar is niet zoveel theatrale poespas bij nodig.

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact