Deze recensie verscheen in Poëziekrant, 32e jaargang / nummer 8, november-december 2008.

Kijkt u even mee


Wouter Godijn. De zieken breken. Contact, Amsterdam, 2008. 64 p. €17,90

 

door Erik Lindner

 

Wouter Godijn maakt graag een karikatuur van zichzelf. Als hij niet zou dichten maar zou tekenen, zou hij zich als een man met een konijnengezicht afbeelden, 'droevig poepend' op een 'scherpgerande po'. Hij schrijft graag over darmen en ingewanden. Niet dat hij daarin zwelgt, maar de wederkerigheid van zijn thema’s laat een fikse gretigheid zien. Een voorliefde voor het banale en ook voor het bizarre: 'sluitspieren / ontspannen zich' – het aardoppervlak wil de dichter 'in een leegblubberend dier' veranderen.


De zieken breken is een tweeledige titel. Die lijkt een vaststelling, maar ook een oproep. De tweeslachtigheid keert terug in de indeling van de bundel: na een 'proloog' volgt de afdeling 'de zieken spreken' waarvan de titels in het rood zijn gedrukt. De derde serie heet 'Wouter Godijn legt de zieken het zwijgen op en spreekt' en staat in het zwart gedrukt. Vervolgens staan in de afdeling 'De zieken leggen Wouter Godijn het zwijgen op en spreken verder, de titels in het zwart en gedichten in het rood. De bundel lijkt zo de weerslag van een gevecht tussen het breken van een ziekte en erdoor gebroken worden.


Of de dichter zelf de afwisseling van zwart en rood bedacht heeft, is de vraag. De dichtbundels die uitgegeven worden door Contact zijn de laatste jaren vormgegeven door Melle Hammer. Hammer weet lucht een bundel in te tuinieren: de gedichten liggen prettig schreefloos op de bladzijde. Hammer snoeit een dichtbundel als is die een gazon. Nooit wordt een achterplat ontsierd door een ronkende flaptekst of auteursfoto: Melle Hammer zet daar de inhoudsopgave, wat handig is bij het opzoeken en bladeren, dat scheelt een vinger voorin het boek - of laat hem leeg. In De zieken breken slingert hij de titels van de series breed over twee pagina’s.


Wouter Godijn debuteerde met de roman Witte tongen in 1997 en publiceerde daarna vier dichtbundels, waarvan De karpers en de krab genomineerd werd voor de VSB-poëzieprijs. Na vorig jaar een tweede roman De dood van de auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt te publiceren, is er nu zijn vijfde bundel. Het gretig gebruik van zijn eigennaam kenmerkt de ironie die Godijn op een ongebreidelde manier hanteert: 'mijn linkerteelbal kan viool spelen / met losse handen.' Behalve de spijsvertering somt Godijn graag op wat er dagen eerder naar binnen is gegaan, zodat er halve recepten in de bundel staan. 'Nu begrijp ik mevrouw Waarheid!' roept hij, nadat hij een paar pagina’s eerder nog verzuchtte: 'Gingen de waarheden maar hand in hand // op een bankje zitten, werden ze maar verliefd.'


De auteur lijkt in de bundel op jacht te zijn op de ziekte. Het zijn 'de zusjes Pijn en Kwelling'. Vaak worden de poliepen die het lichaam bedreigen verbeeld in een soort kindertaal. 'Opeens waggelt een lange rij eenden voorbij – / heb ik die bedacht?' Helaas schrijft Godijn teveel tussengedachten uit om echt spannend te blijven. Daardoor bestaan zijn gedichten voor een groot deel uit meta-taal. '(maar lijken alle hij's niet op mij's?)' vraagt hij na de constatering ' – hij lijkt een beetje op mij – ' Dat haalt de vaart uit de bundel en breekt het ritme van veel gedichten. Het onderwerp plakt aan Godijn als een smet: 'Mijn ziekte // kijkt me verwijtend aan: een pruilend kind / zoals de vrouwen er ook een hebben. Ik geef mijn duim / en hij begint te zuigen.'


Her en der klinkt Wouter Godijn als Tonnus Oosterhoff, en eerlijk gezegd is dat mijn grootste bezwaar tegen het werk. Bij Oosterhoff is de geestigheid zo omnipresent in alle details dat die altijd wel op de lezer overslaat. Dat maakt hem onimiteerbaar. 'sal toch pille nie sijn vergeten god sij genadig,' schrijft Godijn. Ook 'verorbert mamma een winterwauw... AUW...! AUW...! AUW...!' roept herinneringen op aan het slot 'kauw kauw kauw' van Oosterhoffs gedicht 'naar mijn hart schrijft over poëzie Herman de Coninck....' Maar er zijn evengoed wendingen typisch Godijns te noemen. Niet alleen noemt hij graag zijn eigen naam, hij spreekt in het gedicht ook graag over de schrijver. 'Ik geloof dat hij dat dorp bedoelt. Zuidwolde' is een tussen haakjes geplaatst commentaar na de wending: 'de weg // naar Z.' Met de toennemende aantasting van de ziekte begint dat intertekstuele spel zowaar iets geloofswaardigs te krijgen, en dat is een compliment voor de compositie van de bundel. Gedichten haken in elkaar, vaak zit in de titel letterlijk een woord dat net in een van de laatste regels van het voorliggende gedicht voorkwam.


Toch is het autocommentaar ook vaak van een grote meligheid. 'Om te beginnen kunnen we vaststellen: // deze meneer is niet meer' lezen we als daarvoor al een man 'net klaar is met sterven'. 'kijkt u even mee' olijkt Godijn als hij net een beeld heeft voorgeschoteld. En als de lezer vast zou kunnen stellen dat twee gedeelten in een gedicht 'niets met elkaar te maken hebben', grijpt de auteur in en vertelt dat ze een jongen en een meisje zijn die 'vannacht met elkaar naar bed gaan'. Het is daarom dat ik niet zeker ben of Godijn een cliché van hier tot ginder met opzet gebruikt. Het gedicht getiteld 'Jeugdliefde' eindigt zo: 'Tot je weg was vond ik je terug // in alle andere vrouwen.' Hoopt een 'Oud wiskundig meisje' voor het donker 'terug in haar nest te zijn', dan hebben we weer te maken met die kraaiende voice-over: 'en de dichter-oplichter hoopt mee.'


De gretigheid om zich als een melige gek te presenteren, is ongekend. Het lijkt alsof Godijn alle woorden die hij heeft willen schrappen ('spreidwillig' voor een tafelblad) toch nog even tussen haakjes toevoegt. Op deze doorgevoerde manier heb ik dat elders nooit gelezen. Beklemmend is het dan ook als in de laatste serie de auteur bloedserieus wordt. Er wordt een film omschreven waarin een man door een militair wordt doodgeslagen, en vervolgens een verlangen omschreven die man in die film te zijn. Hier klinkt geen ironie meer in door, ook als Godijn een gedicht verderop eindigt: 'Dokter / moet nu echt komen. Gauw!' Hebben de zieken het echt overgenomen in deze roodgedrukte gedichten, of is Godijn nog aan het woord, in het gedicht 'Mijn ziekte'?:

Mijn ziekte is een meisje

ze zit met schokkende schouders in de tuin te huilen

op een bankje onder een fragiele berk

met gebruikmaking van een minuscuul zakdoekje.

Troostend sla ik een arm om haar heen.

Ik ben zo klein, klaagt ze,

zo zwak. Wat moet ik beginnen?

Ach, zeg ik vaderlijk. Dat gaat altijd zo.

In het begin is het niks.

Maar je zult groter worden

en sterk. Je zult hoog boven mij uit toornen.

Jij zult alles zijn

en ik zal aan je voeten liggen.

Meen je dat? zegt ze, haar betraande hertenogen

op mij richtend. Ja hoor, zeg ik, zo zal het gaan.

O, kwinkeliert ze, je hebt me zo geholpen!

Als ik jou niet had!

En ze omhelst me alsof ze me nooit meer los zal laten.

Wouter Godijn is sterk als hij gedichten schrijft zoals Walt Disney tekent. In een regel als 'de hoeven slapen als opgerolde poezen op de rand van de horizon' is het duidelijk dat hij het over boerenhoeven en niet paardenhoeven heeft. Inmiddels is de ik-figuur voorover uit zijn rolstoel het 'zompige grasland' ingedonderd, wat het perspectief van de waarneming dubbel zo voorstelbaar maakt. Als Godijn echt begint te hallucineren, wil ik hem beginnen te geloven. Een tandarts wordt een haai die door de tuin zwemt, 'een halve meter boven de grassprieten'. Op dat soort momenten heeft Godijn het altijd meteen graag over iets praktisch: 'ik begin aan de afwas / en zing een afwaslied.' Als de gedichten echt gek worden, klinken ze goed abrupt, eindelijk. Als er dan nog 'een overeenkomst met ademen' is, wordt duidelijk dat Wouter Godijn een serieuze poging doet zoiets grilligs als ziekte te beschrijven. Indrukwekkend.

 

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact