De recensie verscheen in De Groene Amsterdammer, jaargang 133 / nummer 30, op vrijdag 24 juli 2009.

Modderen met metaforen

 

Inge Braeckman. Beeltenissen. Poëziecentrum, Bel-etagereeks. 60 blz. €17,50

Bart Vonck. Wanvuur. P. 94 blz. €16,-

 

door Erik Lindner

 

In de roman Joe Speedboot van Tommy Wieringa staan geregeld poëtische wendingen, zoals 'de dag rolt de nacht op als een krant.' Het zijn zinnetjes die de vertelling vaart geven, ze klinken lekker en lezen alsof ze er in een keer uitgeknald zijn. Of ze als metafoor helemaal kloppen weet ik niet, en wie weet geeft dat ook niet. Ik kan me moeilijk een wolkenveld of een laatste rand van een donkere hemel voorstellen die tegen de horizon als een soort grasmat aan het rollen slaat.


In de hedendaagse Nederlandstalige poëzie lijkt het metafoor steeds meer taboe. Een enkeling wil nog wel eens uit de bocht vliegen, maar dan toch liever buiten het gedicht om. 'Ze keek hem aan als een pony die je ontbijtkoek voert,' schreef K. Michel in zijn verzameling proza Tingeling en Totus. Weet daar maar eens de juiste soort oogopslag bij te bedenken. Toch bestaan er bundels die dwars tegen de gangbare stromingen ingaan en onvervalst lyrisch en romantisch klinken. Beeltenissen is de eerste bundel van Inge Braeckman (1975), medewerker van <H>ART, een jong en snel groeiend tijdschrift waarin goed over hedendaagse kunst in België en omstreken wordt geschreven. 'O vandaag is het alsof je komt, prins van// het waken, ik ren de flanken van de heuvels op,' staat er in het openingsgedicht. Na een onvertaald gebleven motto van Pavese volgt een lange 'prelude'; een hallucinatoir lyrische tekst van vier pagina’s waarin de auteur zichzelf tot op het bot lijkt te bezweren. De intensiteit doet denken aan de monoloog Tussen talen ontstaan van Hélène Cixous, waarin een stem aan het woord is die niet vraagt of ze kán schrijven, maar of ze mág schrijven. De 'prelude' leest als een vorm van écriture automatique. Herhalingen hebben niet direct een functie, ook niet voor het ritme. Met de overdadige beelde en metaforen van Braeckman is iets aan de hand, zoals in de wending 'op een weiland naast de autosnelweg terwijl duisternis haar eerste adem over het land uitstoot'. Door die snelweg heeft dat uitstoten nog enig verband, alsof de nacht via een uitlaat binnenkomt. De beelden die Inge Braeckman oplepelt, zijn in eerste instantie treffend, op een akelige manier mooi, en net te verrassend om af te haken.


Een aantal elementen keert geregeld terug in deze pittige bundel. Overrijpe vruchten vallen telkens opnieuw, van een tafelblad, een aanrecht, of op de aarde. Er is een dubbelgangersmotief: vaak verspringt ze in een gedicht naar een meisje in een ander land 'in de gedaante van mezelf'. Ze beschrijft tweemaal een pornografische scène in een arena waaruit de stier verdreven is, met op de tribune een vader die toekijkt. Maar vaak krijgen de gedichten die fraai beginnen een lelijk vervolg. 'Hij siddert binnenin als wespen op een vrouwentaille' is een beetje flou en krom in zijn vergelijking. Naarmate de bundel vordert wordt de taal steeds antieker, wat des te sterker opvalt omdat de dichter op bepaalde plaatsen cursief en tussen haakjes woorden als 'delete' of 'save' of 'scroll' heeft geplaatst. Zo staat er achter 'zij droeg de lamp achter de waterlissen': 'downloaden'. Ik weet niet wat ik me bij 'de geur van bevroren zeewier' voor moet stellen. Braeckman maakt constant abstracties concreet en jongleert zo met de taal, daarbij speelt ze een wat al te opgelegd intertekstueel spel door motto’s eerst in de gedichten te laten verschijnen en daarna als aanhef. Jammer is dat je het schrijfwerk blijft zien, en het niet het gedicht is dat spreekt. Het is vreemd dat iemand die zo scherp over beeldende kunst schrijft, in poëzie zo’n voorliefde voor clichés tentoonspreidt. 'Ik slijp mijn beeltenis aan een/ onzichtbaar mes dat over mijn gelaat heen strijkt: de tijd,' is de meest ergerniswekkende wending op het eind van de bundel.


'Poëzie is de openhartigheid waarmee in ons spreekt wat we niet kennen. De enige weg van wat ons niet weten onderbouwt,' schreef de Argentijse dichter Roberto Juarroz. Volgens Bart Vonck, die dit citaat opneemt in 'enkele notities' achterin de bundel Wanvuur, klinkt dat fragment net iets te nodeloos 'fundamentalistisch', omdat er geen fundament of grondslag voor poëzie is. Ook Vonck schrijft romantische poëzie, maar in een meer gefragmenteerde en ingehouden vorm. 'Alsof al onder je ogen afbrokkelt de zin die je nog niet schreef,' opent het tweede fragment van de bundel. Net als Braeckman heeft hij het opvallend vaak over 'de taal' en 'woorden', en dat kan een hinderlijke ingekeerdheid opleveren. Maar de poëtische notities in Wanvuur zijn prettig abrupt. 'Je reist tegen het tij in, reiger.'


Opvallend is dat beide Vlaamse dichters, net als Peter Verhelst, woorden gebruiken die je in Nederland niet zo snel tegen zou komen, zoals 'Obsidiaan'. Veel van de fragmenten in Wanvuur staan als proza uitgevuld, en soms zijn die door schuine strepen doorbroken als geciteerde gedichten. Wat mij betreft zouden het ook fragmenten uit een absurdistische roman kunnen zijn. 'Foetsie is het niet, maar wat een timbre! Het water in te lopen staat je goed, toonbeeld van haastig en slap, van fladderend vuur in je haren.' De titelserie 'Wanvuur' bestaat uit zes reeksen van ieder circa tien gedichten, waarvan de ondertitels die telkens een nieuwe reeks aanduiden samen weer als gedicht te lezen zijn. Dat beschrijft Bart Vonck in het nawoord, waarin hij net iets teveel uitleg geeft en zo tussen gedicht en de lezer gaat staan. Don’t do it, Bart! 'Bloedbad/ gewoonte kleurt de wereld rood' schrijft hij in een fragment waarin hij van 'de grote commercie van de oorlog' spreekt. Wanvuur was sterker geweest als de dichter het gehouden had bij de titelserie en behalve het nawoord ook niet de twee andere gedichten had opgenomen, die beiden uitgaan van een ongespecificeerd 'wat' en tamelijk melig worden.


Bart Vonck (1957) is vertaler van ondermeer Neruda en Llorca, en ook van Franse poëzie zoals die van de in Marokko geboren dichter Abdellatif Laâbi. Wanvuur is een prettig tegendraadse en onconventionele bundel, met soms wat terloopse en vrijblijvende fragmenten, maar ook verrassende en aanstekelijke passages: 'Vier hemelse poten hebben paard en buffel. Zo menselijk zijn ze ook met hun halster en neuring. Dieren en onvervulde wensen. Iedereen huiswaarts.'

  

Strandjutter op hoge hakken: dansen zijn de dansers die op stelten in de lucht verkoopcijfers doen dalen. Als een boeket van vuur ligt aarde in zee-engte nauw aan het hart. En dansen is alsof, in zekere zin. Ook dat bestaat en brengt verkoeling. Ik kom maar even nemen een slokje uit de zee, dans maar, blijf niet lang, vind wat je zoekt en ga dan hiervandaan, op hoge hakken, over die immense sloot.   (Bart Vonck)

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact