De recensie verscheen in De Groene Amsterdammer, jaargang 133 / nummer 32, op vrijdag 7 augustus 2009.

Kordaat, opgewekt en grimmig

 

Wim Hofman. Op zekere dag ziet u plotklaps de ware liefde. Querido. 96 blz. €17,95

 

door Erik Lindner

 

Wat in Nederland precies onder een prozagedicht verstaan wordt, is niet altijd even duidelijk. Of een prozagedicht nu een poëtisch stukje proza is met de spanning van een gedicht, of juist een prozaïsch gedicht blijft de vraag. Op de grens van proza en poëzie is veel ruimte, zo lijkt het, en verkenningen zoals die van Mischa Andriessen met zijn bekroonde debuut Uitzien met D zijn kenmerkend voor die grens. Maar het gevaar dreigt dat poëzie een soort safety zone wordt waarin men mag uitspoken wat de uitgever liever niet meer in proza ziet gebeuren. Genre-aanduidingen hebben dan het nakijken.


Kinderboekenschrijver, illustrator en schilder Wim Hofman publiceert sinds vier decennia boeken, en sinds 2003 ook gedichten voor volwassenen. Of er veel verschil zit tussen dat werk en zijn werk voor kinderen wil ik betwijfelen: zijn poëzie heeft een sterk aanduidend karakter. Het is werk dat er niet om liegt: duidelijk van taal, pontificaal van thematiek. Hofmans derde dichtbundel heet Op zekere dag ziet u plotsklaps de ware liefde, een opvallende titel voor een auteur die zijn hand er niet voor omdraait ook voor kinderen af en toe een grimmig wereldbeeld neer te zetten. De bundel opent als een idylle, met de serie Een eiland, dat in zes gedichten met schelpen, krabben, vogels en planten gevuld wordt. 'De zeewind blaast in de linksdraaiende/ wormschelpen, doet zo zacht de zee na,' staat er in het eerste gedicht. Even dreigt er ironie, als er gesteld wordt dat het oerwoud niets tegen de zon heeft en de schrijver toevoegt: '(daar komen we op terug)'. En dan blijkt het waarom van de idylle: 'wij zijn er niet, / gelukkig.' Naaktslakken bewegen er alsof ze aan het tongzoenen zijn, en de schrijver verzucht dat het eiland 'niet te vinden is, nergens, nooit.'


Wim Hofman schrijft alsof hij een aandachtig luisterend gehoor toespreekt. En dat kan hij goed, geanimeerd vertellen. Al zijn de gedichten veelal direct, door Hofmans grilligheid worden ze nooit vlak. Als hij de zee als een soort muzikale ouverture beschrijft en 'de golven een brahmsiaans smaakje' krijgen, maakt hij dat ook 21 regels lang waar en laat hij de zee hotsen en klotsen op de maat. Zo heffen golven zich op in het volgende gedicht: 'Niets blijft van hen over dan lange/ slierten water, witte spetters, wit schuim.' Veel gedichten zijn beschrijvingen, van een vissersdorp of het vinden van een lievelingssteen. 'Engelen zien licht als schaduw,' schrijft Hofman in de beklemmende tekst Het meisje en de dood. Het is een prozagedicht dat telkens in alinea’s van drie regels is gehakt, en is in zijn vorm zeer geslaagd. 'De bomen zijn van ijzer, de lucht krijgt de kleur van oud papier.'


Vaak lijkt Hofman uit te gaan van feitelijke herinneringen, zoals aan een kinderzomer of aan een kamer. Daarnaast schrijft hij tot leesbare proporties teruggebrachte mythes die hij cultiveert, en waarin de kinderboekenschrijver zich verraadt. Het zesluik Toen een wolk is een fantasie, waarin een wolk als een bloemkool voor de zon komt hangen en de blauwe lucht en de blauwe zee doet veranderen door schaduw op het water te maken. Vissen springen op en verdwijnen in de wolk. Ook mensen die de vormen van de wolk met hun lichaam uitbeelden worden opgezogen. Kenmerkend voor de speelse stijl van Hofman is een dichtregel als ´hier volgt een lijstje:´ en daaronder volgen alle vissen die in de twintigste eeuw verdwenen.


Grappig begint de negentien pagina´s tellende reeks Suusje Oliepietz, waarin steeds een Candide-indachtig cursiefje bovenaan het gedicht vertelt wat ons te wachten staat. 'Kom vlug terug vogelenvis!' roept de verteller, als zijn heldin er even ervandoor is. Maar als Hofman Suusje op haar beurt Alfred Jarry laat lezen, raakt het effect verloren. Het is op het moment dat de schrijver de vertellerstem aan het woord laat om Suusje te bezingen dat zijn poëzie zingt. En dat gebeurt in deze reeks maar weinig. 'Ze kent wel honger en liefde / en die twee lijken op elkaar.' Het is van een prettig absurdisme, dat wel. Het gedicht Wat doet u slaat op het geval dat u plotsklaps de ware liefde ziet, en eigenlijk geeft Hofman daar alle mogelijke antwoorden op,  stilvallen, er op af stappen of doen alsof er niets aan de hand is. 'Een krant vergeelt in maanlicht' schrijft hij in een gedicht over slapeloosheid. Tot driemaal toe in de bundel staan bomen krom, ook zonder dat het waait. Of Hofmans jeugdherinneringen ongebreideld zijn of juist zijn fantasie — dat is en blijft zijn keukengeheim. 'Frambozen zijn het lekkerst als het onweert. Licht maak je uit heel veel donker,' herinnert hij gedacht te hebben. En: 'opa heeft een snor omdat hij pijp rookt.'


Hofman kan schrijven als een tierelier, maar behalve zijn series rijgt hij weinig aaneen. Expres, dat spreekt. Na een beklemmend verslag van een huiszoeking, komt ook het geluk even bij hem binnenvallen, maar wat hij daarmee aanmoet weet hij al helemaal niet. Soms lijken het uitgeschreven hoorspelen, compleet met geluidsaanduidingen, zoals ‘(geluid van sleutels)´.

Alle teksten van Wim Hofman zijn kordaat. 'Op de bergen zijn puntige huisjes gezet.' Hoe somber en grimmig hij ook over de toekomst kan schrijven, zijn teksten spreken altijd opgewekt. 'De echte, ondraaglijke toekomst/ ligt echter achter prikkeldraad./ Bloedspetters wijzen de weg.'

Een fijne, eigenzinnige schrijver.

  
 

’s Nachts geven overal lichtgevende kikkertjes

fluitstootjes. Ze zijn doorschijnend,

je ziet hun lieve hartjes kloppen.

Een slang sluipt onhoorbaar en onzichtbaar

dichterbij. Eet ons maar! Piepen

een paar kikkertjes, wij zijn met velen.

 
 
 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact