Deze rubriek verscheen op 6 november 2009 op de Dichters en denkers online pagina van De Groene Amsterdammer


Armada


Droevig bericht: het literaire tijdschrift Revolver gaat ten onder. Reden: de fiscus. In België is er een nieuwe regeling die de administratie van het eenmanstijdschrift ondoenlijk maakt. Revolver, waarin veel vertaalde poëzie verscheen, werd liefdevol en op groot formaat uitgegeven door Gerd Segers. Er verschenen mooie nummers over Enzensberger, Claus, Pernath en Hadewych. Het bestaat sinds 1968.


Het einde van Revolver is des te aangrijpender omdat er geen enkele vrijwilligheid aan ten grondslag ligt. Bij het legendarische Raster ging de harakiri niet echt van au, en ook het tijdschrift Bunker Hill leek maar al te bereid te knielen voor het nekschot. Redacteur zijn van een literair tijdschrift is een tijdrovende en inspannende bezigheid. Een altruïstische bezigheid: het begeleiden en stimuleren van collega-auteurs geschiedt doorgaans op vrijwillige basis. Dat tijdschriften geen kweekvijvers meer zijn, is een overtrokken en ook een beetje tendentieus. Ze zijn het evenzeer als schrijfacademies, het slamcircuit en bepaalde weblogs. De stimuleringsbeurs van Hollands Maandblad voor een debutant valt niet te bagatelliseren.


Een tijdschrift dat het wel volhoudt, is Armada. In zekere zin biedt het dat wat elders steeds meer gemist wordt: brede kennis van de wereldliteratuur. Het wordt samengesteld door docenten, vertalers en wetenschappers. En dat is ook meteen het nadeel van het blad: de bijdragen rijmen niet op elkaar. Het is een kaartenbak, een index van inhoudelijke artikelen die geen avontuurlijke nevenschikking kent. De bijdragen volgen elkaar op als alfabetische gerangschikte studies in een bibliotheek.


De laatste tijd komt daar voorzichtig wat verandering in. Er verscheen een aardig nummer over 'New York - plaats van aankomst', samengesteld door gastredacteur Haye Koningsveld. Van lofzang tot waarschuwing voor de onverschilligheid van de stad, van historische beschouwingen over 'Old New York' tot anekdotes uit het dagelijks leven van nu van Frank Ligtvoet, biedt het een veelzijdig portret van een stad. Zwaardere kost is het jubileumnummer van Armada waar tientallen specialisten het volgens hun allerbeste boek uit de literatuurgeschiedenis beschrijven. Dat is vragen om moeilijkheden. Om uit te leggen waarom iets echt vreselijk goed is, wringt een auteur zich vaak in moeizame bochten. Aardiger is het nieuwste nummer 'Ingrijpende gedichten' waarin dertig dichters en essayisten nagaan wat voor hen een overweldigende poëzie-ervaring is geweest.


Huub Beurskens komt met een hilarisch en goed geschreven verhaal over hoe een ranzig smakende croque monsieur hem er haast van weerhield om te controleren of er wel een panter in de Jardin des Plantes was, zoals Rainer Maria Rilke die zoveel eerder beschreef in het beroemde gedicht Der Panther. Barber van de Pol introduceert Jorge Guillén, waarmee ze een volgend jaar te verschijnen bloemlezing Spaanse gedichten aankondigt. J.H. de Roder herinnert zich in dit nummer hoe zijn docent van de derde klas lagere school De mus van Jan Hanlo voorlas als was het een psalm. 'Mussentaal', daar bestond het gedicht volgens zijn geheime liefde Nellie uit. Tom Van de Voorde laat een toerist met spijt zijn frappucino weggooien om het Louvre te betreden om de Mona Lisa te zien. Via Rilke, die in hetzelfde museum stond, komt hij op een breukjaar tussen Rilke's tijd en die van de toerist: het jaar 1942 waarin Wallace Stevens zijn Notes Toward a Supreme Fiction publiceerde. Van de Voorde maakt vaker opvallende, enigszins ongerijmde verbintenissen. Bij zijn vertaling van The Comedian As The Letter C van Stevens die hij eerder in Revolver publiceerde, begon hij zijn inleiding ook met hedendaagse vakantieoorden. Hij vertaalt voor dit nummer van Armada een ander gedicht van Wallace Stevens, The Motive for Metaphor.


Ze zijn er nog wel, literaire tijdschriften, maar ze worden specialistischer, vakmatiger, meer gericht op een specifieke doelgroep. Vertalers hebben hun vakblad, Armada. En toch heeft het blad het in zich om uit te groeien en ergens in de ontstane leemte die in Nederland is gaan heersen van kwaliteit te voorzien. Wat meer plaatjes zou helpen en wat meer afwisseling, en niet alleen bijdragen die beantwoorden aan het gestelde thema. Voor het nummer 'Ingrijpende gedichten' durfde de redactie eens voorbij de usual suspects te gaan van universitair docenten die het blad gewoonlijks volschrijven.


Kort geleden publiceerde datzelfde Armada het nummer 'Bloed en rozen. De literaire verbeelding van de Groote Oorlog' over literatuur tijdens, na en naar aanleiding van de Eerste Wereldoorlog. Diepgravend is een essay van Léon van Schoonneveldt waarin hij de onmogelijkheid van realistische representatie van oorlogsgeweld behandelt, de crises van de verhalende vorm omdat de gruwelijke ervaringen niet meer navertelbaar zijn. Er zijn meer treffende passages in het nummer, over het morbide verband tussen oorlogsherinneringen en literaire reisverhalen. En wat me zeer trof was het gedicht waar het nummer mee opent, Break of Day in the Trenches, geschreven door Isaac Rosenberg en voor het eerst gepubliceerd in 1916. Het gedicht is op een opmerkelijke manier nuchter en hedendaags in zijn taalgebruik. Het is vertaald door Willem G. Weststeijn als Het aanbreken van de dag in de loopgraven:

 

De duisternis brokkelt af -

Het is dezelfde Druïdentijd als altijd.

Slechts iets levends springt over mijn hand -

Een vreemde sardonische rat -

Als ik de klaproos van de borstwering pluk

Om achter mijn oor te steken.

Rare rat, ze zouden je doodschieten als ze

Weet zouden hebben van je kosmopolitische symphatieën.

Nu heb je deze Engelse hand aangeraakt,

Hetzelfde zul je doen met een Duitse -

Spoedig, zonder twijfel, als het je behaagt

Het slapende groen ertussen over te steken.

Het lijkt alsof je in jezelf grijnst als je

Sterke ogen, prachtige ledematen, trotse atleten passeert,

Die minder kans om te leven hebben dan jij,

Contractueel verbonden met de grillen van moord,

Languit liggend in de ingewanden van de aarde,

De stukgereten velden van Frankrijk.

Wat zie je in onze ogen,

Gericht op het schreeuwende ijzer en vuur

Dat door de stille hemel wordt gesmeten?

Wat voor beving - welk hart ontzet?

Klaprozen die hun wortels hebben in de aderen van de mens

Vallen en vallen voortdurend;

Maar die van mij in mijn oor is veilig,

Alleen een beetje wit door het stof.

 

Armada, tijdschrift voor wereldliteratuur. 15e jaargang nr. 56, oktober 2009. Uitgeverij Wereldbibliotheek. 144 blz. €14,50

 

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact