Deze rubriek verscheen op 10 december 2009 op Dichters & denkers online van De Groene Amsterdammer


Sneeuw en wind


Toen ik in Parijs woonde, dacht ik dat Amsterdam een soort China was. Al die fietsers, hun draaiende knieën, die gelijk opgaan in de spits. Maar het ware China is groot en ver weg. Het trage vuur, tijdschrift voor Chinese literatuur publiceert in zijn nieuwste nummer (47) korte verhalen van Chinese schrijvers die vanwege Europalia in de Lage landen te gast zijn. Tegelijk verschijnt een aardige, kleine bloemlezing uit het werk van vijf dichters, een mooie kennismaking met werk dat in China geschreven wordt.


Bloemlezingen zijn kinderlokkers. Ze zouden lezers die niet veel met poëzie hebben over de streep moeten trekken. Graag doen ze je geloven dat je in een handomdraai de mooiste van of de beste van die meneer of die mevrouw of dat land of deze eeuw in handen hebt. Een ander vergelijkt ze eerder met Jehova's getuigen, types die je willen bekeren. Je moet deze gedichten gelezen hebben, roepen ze vanaf de kaft. In feite zijn bloemlezers struikrovers, die dichtbundels leegplunderen en er met de buit vandoor gaan. Ik heb al een boek, denkt de lezer, en zet het in de kast. Ergens bij de reisgidsen of oude catalogi, ja daar heeft mevrouw meneer ook wat gedichten staan.


Maar er zijn gevallen dat je er niet onderuit komt. Wil je de Italiaanse dichter Giuseppe Ungaretti in het Nederlands lezen (en ja dat wil je), dan moet je wel een Atlas-pocket kopen met op de kaft 'De mooiste van'. Maar er bestaan ook andere vormen van bloemlezen. Tout le monde se ressemble van Fransman Emmanuel Hocquard is een treffende titel, of anders Une anthologie de circonstance van Henri Deluy: het werk van je tijdgenoten vormt je 'omstandigheden'. Door hun werk kun je een route samenstellen. Bij het Poëziecentrum verscheen onder redactie van tijdschrift Het trage vuur de bundel Wanneer hij dit schrijven van een heel leven heeft voltooid. Van vijf hedendaagse Chinese dichters staan er vijf vertaalde gedichten in: Ye Yanbin, Wang Jiaxin, Yan Jun, Shu Cai en Lan Lan.


Juist in zo'n geval is een bloemlezing een sleutel tot een deur naar een onmetelijk grote ruimte. De vijf dichters kozen zelf met welke gedichten ze zich willen laten voorstellen en hebben verschillende vertalers. De bloemlezing opent met Ye Yanbin (1948), die aan de redactie werd voorgesteld door de Chinese schrijversbond. Volgens de inleiding van Iege Vanwalle betreft zijn thematiek China, het moederland. Die twee gegevens klinken naar staatspoëzie en maken Ye de opgedrongen eend in het gezelschap. Het is inderdaad even kauwen en slikken met wendingen als 'is de Lange Muur/ niet meer dan een ader op de huid van het volk'. En toch word ik verrast door het volgende gedicht, Voed de valk:

de dood is het laatste bedrijf
maar is het echt een eerlijke zegen?
nee! zie je niet dat het voeden van
de worm, de hond, de wolf, de jakhals, de tijger, de leeuw
insecten en reptielen
niet aan u is!

lig je liever op de hoogste bergtop
de valk te voeden met jezelf
angst is ook goed
terreur valt best mee
wees niet bang niet bang niet bang
bang? wel een beetje
bang dat je te zwak bent en dat
de valk je geen blik waardig keurt
en zegt: te vet

Wang Jiaxin (1957) is een totaal andere dichter. Tijdens de Culturele Revolutie werkte hij drie jaar op het land. Na de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede woonde hij veelal in België, Engeland, Duitsland en Nederland. Wang Jiaxin keerde terug naar China en werkt als docent in Peking. Ik herken twee vormen in de gedichten die vertaald zijn: prozagedichten die bestaan uit korte, genummerde notities, die iets weg hebben van aforismen maar gelukkig niet louter puntig of wijsgerig zijn, en losse vrije verzen op de pagina, zonder titel. De prozagedichten doen in de verte denken aan de afgemeten stijl van Cíoran en de beeldtaal van Octavio Paz. Naar de laatste verwijst Wang ook door een wending als 'een kind in het slijk'. De titel van een Engelse vertaling van een gedicht van hem luidt The Last Days of Octavio Paz. Daarnaast noemt Wang Paul Celan als invloed. En toch is er een andere kant van Wang Jiaxin, het is geen geadopteerde dichter, zoals blijkt uit het gedicht Een eenvoudige biografie:

Nu schrijf ik gedichten,
maar als kind
was een ijzeren ring rollen, in mijn eentje,
op weg van school naar huis, in het gouden licht van de avondzon,
het liefste wat ik deed.
Met al mijn kracht liet ik de ijzeren ring bergop gaan,
om het nadien hotsend en botsend de berg af te zien rollen.
Met mijn hand greep ik het stevig vast,
duwde de ring opnieuw met al mijn kracht de berg op,
en nog een keer, nog een keer, almaar opnieuw.

Terwijl ik al vele jaren gedichten schrijf,
is die jongen zijn ijzeren ring blijven rollen,
is hij die ring blijven bergop duwen,
is hij geluidloos blijven roepen,
op zijn rug zijn reeds vleugels gegroeid.
Ik stop met schrijven
misschien ben ik aan het wachten -
op de weerklank van de plons,
van die glimmende ijzeren ring die licht geeft,
die van de berg, in een rechte lijn, neerkomt in een diepe ravijn?

Ik ben aan het wachten op die meest diepe schreeuw.

In zijn prozagedichten staan notities als: 'zij die weten wat het is om in ijzige koude te leven, zullen een kluit aarde opzij leggen, om er hun zonnebloemen in te zaaien'. Of, in het eerder in Het trage vuur verschenen Wintergedicht: 'Opnieuw beginnen? Je kunt enkel door bezorgdheid voor je vorige vrouw volwassen worden.' Maar er zijn er ook die louter uit beelden bestaan. Er is rottende, goudkleurige maïs en er is sneeuw, heel vaak sneeuw in zijn gedichten. In het gedicht Appelsienen (Wang wordt in het Nederlands vertaald door de Vlaamse Iege Vanwalle): 'soms at hij ze niet op, zat hij gewoon heel langzaam te pellen,/ alsof er iets binnen de appelsien woonde.'

In een vertaling van Kyle Borner staat: 'A man writing in the deep of night/ Must find the root of his words before the world fills with snow.' Geïnterviewd door die vertaler vertelt Wang Jiaxin dat een ware dichter niet alleen enkele goede gedichten moet schrijven, maar ook het geweten van zijn nationaliteit en zijn tijd moet worden. Hij spreekt over het lot van de dichter. Deze ethische verantwoording betekent volgens hem geenszins dat hij de moraal moet prediken: 'een dichter is geen priester'. Ook de Amerikaanse dichter George O´Connel boog zich over zijn werk en vertaalde onder meer Limitations ('You too have limitations!' a friend said/ sharply once. 'Oh yes,'/ I said.// But how could I answer/ what I cannot know?') en Rewriting an Old Poem ('the courage to open a coffin/ and see if the person is dead').

De musicus Yan Jun (1973) schrijft korte, spreektalige gedichten onder titels die alle beginnen met een dag uit de kalender. Shu Cai (1965) was diplomaat in Senegal en vertaalde Pierre Reverdy, René Char en Yves Bonnefoy. En opvallend zijn de gedichten van Lan Lan (1965) die begon te publiceren op haar veertiende en titels uitbracht als Een lach voor het leven, Liefdesgedichten en Dromen, dromen. Ze bracht haar jeugd door op het platteland en daar spelen haar gedichten zich af. Ze schrijft ook sprookjes. Maar zo eenvoudig of lieflijk zijn de gedichten van Lan Lan helemaal niet, als je ze beter bestudeert. Waar in het werk van Wang Jiaxin de sneeuw voorkomt, is het in dat van Lan Lan de wind: 'beetje bij beetje leegt de wind hem'. Fascinerend vind ik de opeenvolging van de volgende regels: 'Doden kennen onze leugens. 's Ochtends vroeg/ kennen vogels in het bos de wind.' Beelden krijgen een sterke lading in een dergelijke wending, zoals in de gedichten van Tomas Tranströmer. Geïsoleerd raken die beelden betekenisvol en krijgen een lading: vogels die de wind in het bos herkennen zij niet zomaar wat vogels. Het is allesbehalve gratuite natuurlyriek. Misschien is Lan Lan wel de meest 'Chinese' dichter van het gezelschap. Op het gevaar af dat dat exotisch klinkt, bedoel ik daarmee dat haar gedichten ook dicht bij de beelden blijven. Zoals er in het gedicht Siësta, hier in vertaling van Silvia Marijnissen, van alles gebeurt terwijl er niets gebeurt:

Middaguur. Het dorp zinkt langzaam
in de klaarlichte nacht.

Tocht trekt over de rug van een man die siësta houdt.
liggend op een mat op het stenen bed geeft een moeder haar kind de borst,
haar geurige lichaam evenwaardig aan moeder aarde.

Cicades tjirpen. Bij de trog
zwiept een ezel zijn staart naar muggen en vliegen.

Onder de bonenstaken met sponskomkommers liggen kippen in de schaduw,
af en toe draaien ze hun goudkleurige ogen.

De zwakke geluiden van dat alles
- de diepste stilte op de wereld.


Wanneer hij dit schrijven van een heel leven heeft voltooid. Vijf hedendaagse Chinese dichters. Ye Yanbin, Wang Jiaxin, Yan Jun, Shu Cai en Lan Lan. Poëziecentrum, 80 blz., € 17,50

Het trage vuur, tijdschrift voor Chinese literatuur, Gent/Leiden, € 8,-
 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact