Deze rubriek verscheen op 12 maart 2010 op Dichters & denkers online van De Groene Amsterdammer


Albanië


Willem van Toorn bundelde onder de titel De geur van gedroogde appels verhalen die te maken hebben met poëzie of reizen, en vaak met allebei tegelijk. De verhalen lopen sterk uiteen. Ontluisterend is een verslag van een bezoek aan Sarajevo, pal na de Bosnische Oorlog, en dan vooral de rol daarin van Ed van Thijn. En Albana Shala, immigrante uit Albanië die sinds vijftien jaar in Nederland woont, debuteert met de tweetalige bundel De digitale paus / Papa dixhital.


In het eerste verhaal van Willem van Toorn is het al raak. De dichters komen terug na een avond Poetry International in Hotel Central om daar in de lounge als gebruikelijk in de diepe Agatha Christie-fauteuils na te praten. Maar die lounge is bezet. Een grote Amerikaan zit er voor een grote tv die in de haast naar binnen is gesleept. Hij slaapt in het hotel aan de overkant en daar wil men geen tv voor hem halen. De Golfoorlog blijkt uitgebroken. De Amerikaan heeft een sixpack naast hem staan. Het zijn zijn vliegtuigen waarmee de bommen op Bagdad gedropt worden, zegt hij trots. De dichters druipen af naar hun kamers. Het is in Van Toorns verhalen niet moeilijk te ontdekken wie wie is. De 'eeuwig jonge dichter' is natuurlijk Remco Campert. Mooi is de scène de volgende ochtend. De directeur is jarig. Voor de glazen pui van het hotel aan de Rotterdamse Coolsingel staat een lange tafel van twaalf meter met witte lakens en bakken sla en wortelen. Al de paarden van de directeur zijn als verrassing uit het paardenpension gehaald en zijn aan het schrokken als Van Toorn beneden komt en een krantje wil gaan kopen. Zelfs de politie te paard die langsrijdt kan de beesten niet bedwingen, die tussen de anderen gaan staan om een hapje mee te eten, met agent en al op de rug.


Willem van Toorn heeft een mooie milde blik op de wereld. Hij ontmaskert alle heisa rond dichtersmanifestaties en schrijft kleurrijke verhalen. Het liefst over Italië, waar hij familie heeft. Er staat een kort verhaal getiteld In het zuiden van niet meer dan zes pagina’s in De geur van gedroogde appels. En dat kleine verhaal is schitterend. Het speelt in Calabrië. De kleuren daar lijken een beetje op Afrika. De verteller staat op een balkon van een onafgebouwde flat, binnen zit zijn vriendin nog na te tafelen met de bewoners. Van Toorn beschrijft de geluiden, de vleermuizen, en het zuchten van een stervende buurman boven hen. Het is een boerenzoon die beambte is geworden, als hij sterft staart hij vanaf een poster verbaasd de mensen aan. De buren brengen eten, dat is iets waar de nabestaanden geen tijd voor hebben. Door de gebeurtenissen, de nauwgezette beschrijving van de nacht waarin de buurman sterft, lukt het Van Toorn de lezer aanwezig laten te zijn in dat zuidelijke Italië, invoelbaar te maken wat daar aan de gang is. Het is een liefdevol portret.


Een van de verhalen moet vele decennia eerder geschreven zijn. Het heeft de sfeer van de literatuur van na de oorlog, een wat grimmig zelfportret van een jongeling die zich wel heeft ingeschreven bij een universiteit maar niet studeert en zijn mond vol heeft van literatuur, die een doorwaakte nacht doorbrengt in Haarlem als zijn vriendin het uitmaakt. Het sluit nauwelijks aan bij de andere verhalen en past alleen in deze bundel als je het boek als een meerkantige autobiografie leest. Treffend is een verhaal over de beelden van de maanlanding, die Van Toorn in een boerderij in Frankrijk ziet – en zich die eerst tijdens de siësta herinnert tot een vrouw in het publiek bij een voordracht hem eraan herinnert dat de maanlanding ’s nachts werd uitgezonden.


Willem van Toorn verandert vaker van perspectief in deze verhalenbundel. In Zuid-Afrika worden Ineke en hij geweigerd op het vliegveld, ze moeten naar het naburige Swaziland doorvliegen. En er is een langere en gedetailleerde beschrijving van de reis die hij samen met K. Michel naar Sarajevo maakte, op uitnodiging van De Balie, pal na de oorlog. Michel noemt hij David Molenaar in dit verhaal, zichzelf noemt hij Leeman. Zij gaan niet mee met de delegatie uit Amsterdam, maar vliegen getweeën naar Zagreb. Ze vinden er op het busstation een kleine bus die hun naar Bosnië brengt. En dan beginnen de moeilijkheden, de Serviërs die hun tegenhouden, de blauwhelmen die ze weer door laten rijden. Langs de weg zien ze de stelselmatig in de oorlog geruïneerde huizen, buren van huizen die gewoon in blakende welstand zijn blijven staan, en dat naar etnische achtergrond van de bewoners. Er is een rol voor een meisje in de bus, Ljerka, een Bosnische die niet de oorlog heeft meegemaakt maar terugkeert.


In Sarajevo ontmoeten ze het gezelschap waarvan de 'jonge directeur' Chris Keulemans moet zijn, indertijd van De Balie. Een van de waarnemers is een voormalige burgemeester van Amsterdam, onmiskenbaar Ed van Thijn. De schrijvers geven een voordracht op een heuvel bij Sarajevo. Van Toorn ziet twee nerveuze jongens in het publiek, met dikke mappen onder de arm. In de pauze stapt hij op hen af. Ze hebben gegevens verzameld over Srebrenica. Van Toorn besluit ze het woord te geven na de pauze. Hij zegt dat hij er alles aan zal doen hun verhaal in Nederland bekend te maken en te controleren dat het niet in de doofpot terechtkomt. Na afloop vinden de schrijvers met Van Thijn een pizzeria en kijken er naar volleybal. Een jaar later publiceert De Gids een verslag van Ed van Thijn. Die rept van een woedende Bosniak in het publiek van de bijeenkomst in Sarajevo, die schreeuwt dat er niet over Srebrenica wordt gesproken en dat de schrijvers vervolgens afdropen. De politicus gaat voor het sentiment, bedot zijn lezers. Je voelt de onmacht van de schrijver in zo’n geval.


Een dergelijke botsing van literatuur en het ongemakkelijke en beladen gevoel betrokken te raken bij gebeurtenissen van politieke aard is mij niet vreemd. In Tetova, een stad in het noorden van Macedonië, gebruikte ik anderhalf jaar terug de lunch in een mensa op de gloednieuwe campus waar de Max van der Stoel-bibliotheek staat, vernoemd naar de europarlementariër die er geld aan heeft gegeven. In de mensa draaiden ze hard Laibach of Rammstein. In het zijzaaltje sprak ik met de eenarmige Letlandse dichter Mathura. Aan de andere kant van me zat de Bosnische journalist en dichteres Adisa Basic-Ceco.

Als ik me omdraai, vertelt ze me het verhaal van de Nederlandse blauwhelmer die in het kamp van Srebrenica voor het drama voltrok op een van de muren, uit frustratie waarschijnlijk, de graffiti aanbracht: ‘No teeth, a mustache, stinks like shit? Bosnian girl!’ Een graffiti die nadat de achtduizend mannen waren omgebracht, de vrouwen en kinderen weggebracht en ook de blauwhelmen waaronder de murale scribent waren vertrokken, moederziel alleen en als aandenken achterbleef in het verlaten kamp. Als een boodschap, als een ikoon, als een lelijk gedichtje. Een graffiti die de Bosnische kunstenares Selja Kameric fotografeerde en aanbracht op een foto van haarzelf, een mooie jonge vrouw, en op billboards langs de wegen rond Sarajevo liet plaatsen.


Wat was mijn antwoord op dat moment tijdens die lunch in Tetova, of Tetovo zoals de Albanese minderheid daar pleegt te zeggen? Een minderheid waarvan de festivaldirecteur telkens de band met de Bosniërs wil benadrukken omdat ze beide moslimvolken zijn. Ik realiseerde me dat er op het festival Ditet et Namit nooit eerder een Nederlander te gast was en dat Adisa vermoedelijk nooit eerder naast een Nederlander zat.


En op dat moment valt me het ceremoniële van een internationaal dichtersfestival zwaar, waar je hoe je het wendt of keert namens een land wordt uitgezonden en als inwoner van dat land wordt aangekondigd. En als we weglopen van die lunch, over een betegeld pad tussen die krankzinnig groene en kortgewiekte gazons naast de mensa op de campus, zal ik toch de neiging voelen me te moeten verontschuldigen voor die gefrustreerde blauwhelm die Adisa en iedereen heeft beledigd. Maar is dat niet iets bespottelijks? Want het feit dat ik gedichten schrijf en naar een festival afreis betekent toch niet dat ik een landtitel te verdedigen heb of ergens de schone schijn over moet ophouden, of namens een bevolking spreek en een vertegenwoordiger ben?


Abderazak Laâbi is eregast op het festival dat jaar. Hij heeft in Marokko gevangen gezeten, is nog bevrijd dankzij de Nederlandse tak van Amnesty, zo benadrukt hij. Hij woont in Parijs. ‘Men schrijft geen gedicht om oorlog te voeren’, zal hij me later op het vliegveld in het oor fluisteren. In een gehoorzaal op de campus blijft hij benadrukken dat literatuur vrij is, dat schrijven gewoon iets maken is. Hij blijft lief en een beetje wanhopig glimlachen tegen de hoogleraar die overgekomen is uit Tirana om hem aan de tand te voelen en over Heidegger begint. Je identiteit is een tekendoos, zoveel zegt Laâbi. Je kunt er een gedicht mee maken. ‘Bosnia, you never told me your first name’, zeg ik tegen Adisa als we aan het eind van het festival afscheid nemen. Ze kan er godzijdank om lachen.


Willem van Toorn, die net als Remco Campert de oorlog heeft meegemaakt, beschrijft een zwaar en ietwat bozig gevoel, als de Servische militairen het busje aanhouden, of als een douanier hem niet een land binnenlaat. Albana Shala verliet Albanië in 1995. Ook aan het einde van de Bosnische Oorlog. En toch zitten er in haar dichtbundel De digitale paus voldoende verwijzingen naar Kosovo. Het is moeilijk hoogte te krijgen van haar dichterschap. Dat kan liggen aan de vertaling, aan de diaspora waarin ze zich begeeft, het kan er zelfs aan liggen dat wij als lezers geen goed beeld hebben van poëzie in Albanië. Er is geen referentie voor deze gedichten. Je zou zeggen dat het niet uitmaakt, lees nou maar gewoon, het is toch vertaald? Maar ik vraag me af of dat volstaat.


Als we de grens overgaan, zijn we eraan gewend dat bepaalde dingen anders zijn. De vorm van het brood bijvoorbeeld. De taal, mogelijk ook de munten waarmee we afrekenen. Als je met een trein aankomt staat er soms een nette rij met mensen die die trein in willen, soms waaiert een groep mensen uiteen als een ontvangstcomité. Verkeersborden lijken op de onze, maar ze kunnen best eens voor het tegengestelde waarschuwen. Het kan ons verbazen hoe jonge gezinnen oplopen, hoe de kinderen gekleed gaan. We zijn bedacht op de verschillen. Maar één ding vergeten we. Waar we niet op voorbereid zijn, is het verschil aan poëzie. Wat als poëzie bevonden wordt, en zelfs wat poëtisch bevonden wordt. Waar de grens met kitsch ligt, daar in dat land. Dat ook zoiets cultureel bepaald is, is niet voor ieder mens even prettig en gemakkelijk. Zoiets kan verwachtingspatronen verstoren. Communicatie bemoeilijken, de notie van kwaliteit ondermijnen. Wat is hedendaags en waarom is dat modern?


Vertaler Andrea Grill noemt in het voorwoord van de bundel de gedichten van Albana Shala ‘tot het minimum gereduceerde verhalen’. En dat is misschien wel waar ook. Het eerste gedicht open lastig met het woord ‘Archaeopteryx’, een uitgestorven vogelgeslacht, een kruising tussen reptiel en vogel. ‘sokken/ vol kwijtgeraakte fietsen’ is een wending die waarschuwt dat je deze poëzie niet al te letterlijk moet lezen, en bij ‘het krijsen van de vleugels’ denk ik eerder aan een vliegtuig dan aan een vogel. ‘Het hout was bedekt met een druppelende stilte’, schrijft Shala, oftewel vertaalt Grill. Wat is de betekenis van deze gedichten in Albanië, of is dat een wrange vraag voor een immigrante? Veel van de gedichten ogen een beetje particulier. Wie nu precies Harry is, of opdrachtgedichten aan bepaalde personen, beschrijvingen van dromen en een kat met zeven levens, ik word er als lezer niet toe toegelaten. Wel staan er mooie regels tussen en is de taal vrijwel klaar: ‘het ritme stokt voor het muziek kan worden’. Het is aan de versificatie te zien dat Shala werk maakt van het dichten: ‘Ik verroer me niet./ Ik ren niet./ Ik schiet wortel.’ Eén gedicht is zelfstandiger dan de rest:



Over voorbijgangers



Soms merken ze ons op

met een priemende blik

alsof ze ons nooit eerder zagen.


Soms kijken ze naar ons

met iets als een glimlach;

hun golven slaan tegen onze kleine boot

en de wanden van het bamboehuis.


Soms dralen ze, eventjes maar

en buigen zich, bieden een hand aan

alsof ze ons op willen tillen

alsof ze ons mee willen nemen

op hun reis.


Maar we bewegen niet

wij blijven hier.

Zij moeten voorbij.


Andere gedichten willen, in het Nederlands althans, met moeite poëzie worden. Een bezoek van haar ouders is voor de verteller intens, maar wij worden geen deelgenoot. Lelijk zijn wendingen als ‘een stuk leven’. Aardig is: ‘Wie erin slaagt de zon te redden/ zal veranderen in een zonnebloem.’ Haar poëzie wisselt van extreem lyrisch naar droog en registrerend. Op haar best is de dichter in het beschrijven van straattaferelen, mensen bij tramhaltes, hoe paartjes zich gedragen. Het is voor poëzie een gevaar als een immigrant zijn oorspronkelijke taal überhaupt al als poëzie ervaart in het andere land, en alles dat herinnert aan het land van herkomst zonder vorm van kritiek of verdichting. Zoiets is voorstelbaar maar valt moeilijk te wegen tenzij het het persoonlijke belang onstegen is.


Opvallend bij Albana Shala is dat haar beelden niet rijmen. Na opnieuw een strofe met fluitende vleugels volgt er een met de schuimlaag van een cappuccino. Die beelden gaan geen gemakkelijk verband aan met elkaar. En of dat komt door de ruimte die tussen talen ontstaat, dat weet ik niet. ‘Je komt en gaat als de wind/ die de inkt droogt van de notariële akten/ waarin altijd het verleden trouwt met de toekomst.’



Willem van Toorn, De geur van gedroogde appels. Querido, 224 blz., € 19,95

Albana Shala, De digitale paus / Papa dixhital. Uitgeverij P., 64 blz., € 19,50

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact