Deze rubriek verscheen op 1 april 2010 op Dichters & denkers online van De Groene Amsterdammer


Koninginnenkind


Hans Tentije publiceert zijn dertiende dichtbundel, Als het ware. Zijn werk is beschrijvend, het ademt iets van sfeervol proza. In de 35 jaar sinds zijn debuut Alles is er lijkt Tentije gaandeweg zijn taligheid te zijn kwijtgeraakt. Hij schrijft met ogenschijnlijke soepelheid rijke en volle gedichten. Soms opent een gedicht als een thriller, een film, en dat is niet onlogisch als je naar zijn oeuvre kijkt. Behoudens het prozawerk De innerlijke bioscoop bestaat het werk van Tentije uit gedichten, een paar korte verhalen in twee van de laatste nummers van Raster daargelaten.

Tussen zijn gedichten en die verhalen zit niet al te veel verschil. Zijn waarnemingen zijn altijd getrouw. Zijn werk bestaat uit beschrijvingen. Bij Tentije worden beschrijvingen nooit saai - daar dicht hij veel te eloquent voor en met overgave.


Tentije's werk gaat goed samen met foto's. Zijn vorige bundel heette In de tussentijd en bestond uit gedichten naast foto's van Peter Bes. In een stuk voor Poëziekrant noemde ik die gedichten tussenmomenten: ze vormden een traject van beelden. De anekdotes die Tentije uit de foto's peurde gingen prima samen met die foto's zelf, ook al was het dan het vermadelijde praatje bij het plaatje, het paste wonderwel. Opvallend was dat zowel Yra van Dijk in NRC Handelsblad als Janita Monna in Awater de bundel tot een van de beste van 2009 uitriep, hoewel die in november 2008 is verschenen. In de nieuwe bundel mis ik op momenten de foto's, al is er een afbeelding van een altaarpaneel van Hiëronymus Bosch, dat veel zegt over de achterliggende zes gedichten. Werk dat bibliofiel is uitgegeven bij foto's en grafisch werk van René Bakker, mist in deze bundel die illustratie. Tekenend is dat je als lezer dan soms ook het onderwerp begint te missen.


'Gangstersetting', dat is het woord voor de aaneengelaste fragmenten verzameld onder de titel Elders en verschrikkelijk anders waar Als het ware mee opent. Een Toyota waar op een pier een vrouw wordt uitgegooid heet eerder een SUV en later een Landcruiser. Typisch voor Tentije zijn de snelle associaties, naar kindertijd en naar eerdere waarnemingen. Gedichten bestaan geregeld uit een enkele, lange zin, meanderend en wel. Het is moeilijk bij een mooi geformuleerde bijzin al te lang stil te staan, op straffe opnieuw van voorafaan te moeten beginnen om de draad tot het eind toe te volgen. Van verdichting heeft Tentije weinig last, lijkt het. Zijn tekst bij het altaarpaneel van Bosch weet hij behoorlijk uit te spinnen. Eerst met een trefzekere en nauwgewezette beschrijving van het wandelende jongetje met looprek en windmolentje, dan, in de daaropvolgende gedichten, via interpretaties, mogelijkheden, vragen en daarmee ook een mogelijke toekomst voor de jongen die afgebeeld staat op het prentje. Tentije maakt kilometers, er dreigt een gedreven romanschrijver aan hem verloren te gaan. Hij heeft nauwelijks ruimte voor het dichten, zoveel wil hij vertellen. Bosch' jongetje staat model voor de mens, behept met 'de doodschrik die in ieder leven zit'. Het is zowel een 'boerinnen-' als een 'koninginnenkind', wasbleek en al. Tentije voorspelt zijn geborgen leef- en zoektocht: 'Geen enkel noorden, alleen maar dierensporen/ en wolken om zich op te oriënteren'. Het is extreem volle poëzie. Langzaam wordt het complexer, al gaat Tentije telkens terug naar de foto en laat het jongetje doorlopen met zijn fragiele looprek: 'Tijd/ is een geschramde knie'.

Hans Tentije was redacteur van Raster en maakte voor dat tijdschrift een nogal roemrucht nummer, het 32ste, 'Poëzie en kritiek' getiteld. In 1984 heeft dat veel stof doen opwaaien. Behalve door een gesprek tussen critici kwam dat voornamelijk door een opstel van Tentije zelf. Of dat hem nadien ook als dichter heeft aangekleefd weet ik niet, daarvoor heb ik te weinig overzicht over zoveel jaren en ben ik simpelweg te jong. Wel valt er eenvoudig een tegenstelling te signaleren tussen de polemische 'laster in raster'-overlevering van destijds en deze rustige en fraaie verzen. Al klinkt veel naar poëzie, het is in wezen prozaïsch wat hij schrijft, vertellend en omschrijvend. Het zijn lange zinnen van meestal hetzelfde ritme. Tentije is subtiel in zijn detail: 'een stem van achter het beige radiodoek/ op het buffet'. Tegelijk vertelt hij graag op een volkse en ietwat ruwe manier. Die tegenstelling is aangenaam, het wordt niet poëzie-erig. Sommige wendingen in deze bundel gaan wel een beetje over de rand: 'dit doodsbed/ van het stukgeslagene'. In zijn beeldopeenvolging doet hij soms heel even aan Hans Faverey denken, en dat is een bijzondere, ongeëvenaarde dichter. Als Tentije een foto van een wrak en een paard beschrijft, verplaatst hij zich in een afgebeeld gezelschap, en mis ik opnieuw het beeld ernaast. Maar er zijn genoeg mooie wendingen, die zowel vertellend als beeldend zijn: 'een stuk krant dat zijn letters in zich heeft gezogen'. Het is een bundel 'om lekker langzaam te lezen' zoals volgens de archieven van De Bezige Bij men in de jaren zeventig nog voor boeken wist te adverteren.


Er is een gedicht over hoe een roodverbrande jongen door zijn moeder met eiwit wordt ingewreven, 'met een tederheid die niet bij haar normale hardhandigheid paste/ en zoals ik later nooit meer heb ervaren'. En er zijn mooie vragen: 'Is het de wind die ik hoor of het geritsel/ van een mes waarmee iemand aan het afschubben is -/ roggevleugels snijdt misschien?' Hans Tentije is een strandjutter, hij somt werkelijk ieder detail op. Mooi is een waarneming van een bevroren branding 'in een daglicht/ dat haast niet te verdragen was -'. En hij durft sentiment toe te laten, zoals in Die zomer:


Geen elmsvuur, dat onder nachtelijke onweerswolken

de toppen van de masten zocht, maar een vochtige, broeierige

atmosfeer, op het voor een van de kinderkolonies

gereserveerde strand - na het vrijen stonden we op

uit de ondiepe, lauwwarme kuil en deden wie het eerst

in zee lag - jij won, watervlug als je was, ik dook

over je heen en met gesloten ogen onder je door, kwam proestend

weer boven, zag even helemaal niets tot jij riep

dat ik verdomme kijken moest omdat zich een wonder voltrok -

met beide handen overgoot je telkens weer

en wat in van je afdroop dansten helgroene, fonkelende

lichtjes en toen je probeerde mij ermee te bespugen

glinsterden ze op je kin, je schaterde het uit, ik waadde op je toe

om je, je omhelzend, te beletten met dit soort

spelletjes door te gaan, je kussen waren nat en vurig

en zo ben je me altijd bijgebleven, vreemd

dicht bij me gebleven, de fijne stukjes schelpzand van je sproeten

willekeurig over je gezicht verspreid, die zomer

dat je nog niet van steeds weer, weer een ander was -


Er staan een paar mindere gedichten in Als het ware, zoals een over vuurtorenlicht. Dat kan aan de hoeveelheid liggen. Door de foto's in de vorige bundel was die feitelijk qua tekst samengebalder en korter. Maar altijd zijn er de rake beelden: 'de windroos/ van een kompaskwal'. De kleine reeks Terme di Manzano is een korte film, zowel stemmig als een beetje onbestemd. In losse gedichten (in de serie Daarstraks nog)  gebruikt Tentije een enkel woord als 'nachtevening' (de tijd dat dag en nacht even lang zijn), dat ik niet kende. 'spreeuwen hebben de vlieren leeggeplunderd, kramsvogels/ en koperwieken, ja die' - klinkt een beetje praterig. 'maar waarom ben ik hier, de aarde/ zo proevend, wat wil de tijd toch van mij, waarom/ stel ik nooit betere, helderder vragen?' Mooi is dat hij in Een poging ijsbloemen te verklaren alleen maar uitgaat van wat hij ziet, en alle scheikunde of natuurkunde gewoon laat varen. Fraai is ook een opening als 'Voordat de wind vanmorgen de mist enigzins liet schiften'. 'ach, idylles, als ze al bestaan, duren ze slechts kort', schrijft Tentije in het gedicht Teufelsmoor dat op een biografie van Heinrich Vogeler lijkt, gastheer van een hotel waar Rilke nog even verblijft. Ook het volgende gedicht is biografisch, maar dan de biografie van een bibliotheekboek. Het betreft een exemplaar van een Engelse vertaling van Céline's Dood op krediet, dat volgens een vignet aan een vereniging van zeevrienden wordt uitgeleend en in het gedicht een hele zeereis beleeft. En dat maakt het duidelijk: deze poëzie is feitelijk, steunt op gegevens, ook als hij gedichten voor de verjaardagen van Remco Campert en Hans ten Berge schrijft.


Schitterend is de slotreeks Venetiaanse passages, die Tentije's trouwe uitgever De Harmonie ook bibliofiel heeft uitgebracht. Het zijn negen gedichten die alle bestaan uit distichons. Het dodeneiland van Venetië komt voorbij, het glasblazerseiland Murano waar ze ook spiegels slijpen - en nergens wordt het kitsch. En dat is knap. 'hoe de boeg van het schip het ook splijt, het wordt onherroepelijk/ tot zog, tot kielzog vermalen'. Maar even schiet Tentije uit de bocht: 'wat was tijd anders/ dan een volgeschonken vleugelglas vinsanto', een regel waarmee hij beter een aardig zakcentje in de reclame had kunnen verdienen. Maar het is maar een korte misstap, gelukkig. De 'Venetiaanse passages' zijn een wandeling, een mooie wandeling onderbroken met vaartochten, overstappend van vaporetto op vaporetto. Venetië is 'kosmopolitisch in het dorpse'. Er klinken 'geen kikkerkoren' en geen 'getsjirp van cicaden, alleen op het Lido misschien'. Verse groenten worden kist voor kist aan wal gebracht, en daar schiet de schim van Joseph Brodsky voorbij, die de oversteek naar Giudecca maakt. Het zijn prachtige gedichten, een sierlijke eindsalto. En zo komt Als het ware van de geëigende en werkelijkheidsgetrouwe waarnemer Hans Tentije fraai op zijn pootjes terecht.



Hans Tentije, Als het ware. De Harmonie, 72 blz., € 15,90

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact