Deze rubriek verscheen op 14 april 2010 op Dichters & denkers online van De Groene Amsterdammer


Kruimels


Het is dringen dit voorjaar, er verschijnen onmetelijk veel dichtbundels tegelijkertijd. De eerste paar maanden van 2010 lijken de kalmte van het vorige jaar weg in een golf te spoelen. Albert Hagenaars suggereerde in de Haagsche Courant dat Nederland ook wat poëzie betreft het dichtstbevolkte land van Europa is. Door de hoeveelheid bundels die verschijnen en de beperkte ruimte in de media om die allemaal goed en wel te signaleren, valt er het nodige van tafel. In deze rubriek drie bundels tegelijk: met stadsdeelgedichten van Hans Kloos, vergeten woorden van Emma Crebolder en kruimels in de lichte, tweede bundel van de getalenteerde Pim te Bokkel.


Hans Kloos is ondertitelaar en dat is te merken. Hij is technisch, vakkundig en precies met taal. Samen met K. Michel vertaalde hij weergaloos een gedicht van Michael Ondaatje, een lang poëtisch relaas over een man die de vorige dag in dronkenschap overal schade heeft aangericht, over zijn familie die hem in zijn delirium weet te redden en in de tuin laat slapen naast velden waar de koeien de achternaam van Francis Pooooooooooonge blaten. Hij debuteerde in 1986 met de bundel Legioen bij een uitgeverij die de wat melige naam Kruiwagen droeg. Hans Kloos schreef een van de mooiste gedichten die ik ken, haarscherp en kernachtig, over een hond die onder een tafel ligt en maar wacht en naar voeten kijkt 'die voor eeuwig van de vloer willen'. Zo'n hond die je op een feestje ziet liggen, die niet durft te janken of te blaffen maar zich hopeloos verveelt en weet dat het nog uren zal duren voor hij naar buiten mag. Het verscheen in zijn derde bundel, De hand boven het hoofd (Contact, 1994). Kloos verzorgde voor het tijdschrift De XXIste eeuw een rubriek over poëzie, waarin hij gedichten niet zozeer recenseerde of interpreteerde, maar werkelijk besprak en in een breder kader bracht. Kloos is een technicus, hij is niet hip en niet modieus.


De laatste vier jaar was hij stadsdeeldichter. De gedichten die hij maakte ontstonden  niet zozeer bij gelegenheden of bijzondere gebeurtenissen, maar zijn geschreven voor plekken, straten die hij laat spreken, plantsoenen waar hij taferelen in beschrijft, straatnamen waar hij de etymologie van bedrijft. Het is op het eerste gezicht droge methodiek bij Kloos. De gedichten zijn samengebundeld in Je ziet hier iedereen voorbijkomen: De Westerparkse gedichten, die zijn ambt van vier jaar afsluit. Dat is precies op tijd: het stadsdeel wordt opgeheven en gaat op in een grotere Amsterdamse wijk. 'Water maakt de wereld bloot en rond', schrijft hij in een gedicht over een pont in de regen getiteld Tasmankade. Er zijn gedichten over spullen op straat ('onverteerbare resten van een mensenleven'), over een binnentuin waar een wolk vogels als een school haringen omhoog golft in het licht van de maan. Er zijn sensitieve gedichten over het park waar de buurt naar vernoemd is en over een metselaar van de Westergasfabriek. En er zijn tips om in deze laatste volksbuurt nabij het centrum van Amsterdam te overleven: 'Luister als je last hebt/ van je buren/ naar het rommelen van je maag'. Kloos is een waarnemer, als diaplaatjes zet hij zijn registraties na elkaar: 'de deur van de schoonheidssalon/ knalt dicht/ achter een geblondeerde klant'. Bij de Gillis van Ledenberchstraat dicht hij in zeven fragmenten over de laatste uren van de staatsman waarnaar de straat vernoemd is. De staatsman wilde zich verhangen zodat zijn vrouw en kinderen zijn bezit zouden erven en dat niet verbeurd zou worden verklaard omdat hij gearresteerd was wegens hoogverraad. Dit zonder succes: met kist en al werd hij alsnog aan de galg gehangen en veroordeeld. Binnen een dergelijke context geeft Kloos zichzelf lyrisch volledig de vrije baan. De bundel bestaat ook uit een cd-rom waarop de gedichten digitaal zijn vormgegeven en door buurtbewoners ingesproken te beluisteren. In het laatste gedicht is een bushokje aan het woord: 'als iemand bus na bus/ niet instapt de ogen gesloten/ het hoofd tegen mij rustend/ wou ik dat ik de rokken/ van zijn moeder was'.


Ook Emma Crebolder had een functie als dichter: in 1993 was zij de eerste stadsdichter van Nederland, en wel van Venlo. Ze studeerde Afrikaanse talen en woonde onder meer in Tanzania. In 1979 debuteerde ze met de bundel Een hol in de zon. Ze is een dichter met een eigen following: haar vorige dichtbundel Toegift verscheen bij IJzer en is helemaal uitverkocht. Haar net verschenen veertiende dichtbundel Vergeten bestaat uit vormvaste, tienregelige gedichten. 'ik hoorde iemand iets vergeten' is een intrigerende regel, zo terloops geschreven dat je er bijna niet bij stil zou staan hoe genuanceerd het is. Crebolders thematiek in deze bundel is woordklank:


(...) Laatst het voorval met

'kornoelje'. Wat we verloren raakten is

geen naam, het zijn bijeengedreven veren.

Er hoort een woord omheen dat zit als

een condoom, strak, denk ik. Ruim voorin.


Taal is vaker thematiek in deze bundel, maar de dingen worden lenig gesteld in mooie zinnen. 'Door het/ gebrabbel en gebrouw kent men/ de smaak van letters al.' De taal wordt vooral gewantrouwd in deze bundel. Naar vergeten woorden wordt door de dichter getast. Ze ziet mensen lopen 'alsof ze daarginds boter gingen/ kopen'. En met die taal is het uiteindelijk vaak karig gesteld. Erger is het, als die wel overblijft en niet vergeten wordt: 'Van latere helden/ werd niets gevonden dan veel woorden.'


Het is een kleine bundel: de gedichten staan op de rechterbladzijden, links staat alleen een wisselend aantal punten tussen vierkante haken in een zwart vlak, als wordt er galgje gespeeld met het aantal letters van de vergeten woorden. Maar Emma Crebolder is geen dichter om over het hoofd te zien: ze heeft haar eigen domein.


Pim te Bokkel schrijft ontstellend gedetailleerd: 'terwijl de ochtendzon/ door een conifeer de glasvezelkabels/ verlicht'. Zijn gedichten zijn kleine experimenten, proeven met een spin in een web die in de schaduw de dag afwacht. Dat was al aan de hand in zijn debuut Wie trekt de regen aan, dat drie jaar terug voor de C. Buddingh'prijs genomineerd werd. Zijn gedichten hadden iets natuurkundigs: precies en daarmee nooit helemaal grijpbaar als gedicht. Zijn tweede dichtbundel De dingen de dingen de dans en de dingen is stukken toegankelijker. Het zijn kleine gedichten, lyrisch en met een opvallend open en bijna naïef rijm. Het zijn gedichten over geur, van een vlier of van een schaal fruit, die insecten lokt. Een duif landt op een schotelantenne, aan een telefoontoestel hangt een krul aan de hoorn. Veel gebeurt er niet, maar het wordt nauwgezet opgeschreven. Soms is hij licht sentimenteel, als de ik-figuur de spullen van een oud-geliefde opruimt om terug te geven en alleen de tandenborstel nog ziet staan die de zijne aankijkt. Het is aandoenlijk, alsof hij zich heeft toegestaan bescheiden en open te dichten. De tweede Pim te Bokkel wil zo licht zijn als Hans Lodeizen dichtte of misschien juist wel Jan Hanlo. Achter in de verwijzingen noemt hij Hans Andreus. Maar voor alles is hij gebiologeerd door de dingen. 'Ik schrijf een lijn/ en alles wat ik aanraak verandert/ in een ding/ en wordt herinnering'. En met precisie: 'de wasknijper/ die met een stalen oog/ een lijn vastbijt.'


Het zijn gedichten over het kijken, waarnemen, gezichtsbedrog, een wolk die geen wolk is, een reiger van papier. In de tweede reeks, die analoog aan de titel van de bundel ook 'dingen' heet, is Arno aan het woord. Een speels kind met skelter dat de dingen dirigeert en de pratende verjaarsvisite negeert. Ik betwijfel of het wel gedichten zijn, eerder zijn het kruimels daarvan, aanzetten, poëtische invallen. Het rijm blijft raar in deze bundel, soms te zwaar aangezet ('een lijn die er wil zijn'). De mengeling van geleerdheid en dichterlijk gemak is nogal wonderlijk, je krijgt nooit helemaal vat op hem als dichter. Een barst in een mok wordt 'als de onderzeese magmaspleten/ tussen werelddelen'. Hij jongleert in zijn gedichten, zo lijkt het. Hij speelt met de lichtheid ervan. Hij is fijngevoelig, dicht over een longdrinkglas waarin het water beweegt en breekt onder de stem van een vrouw. En hoe klein de gedichten ook zijn, ze zijn wel juist: 'Het zagen baart/ een nieuwe buitenkant'. Het zijn als gezegd maar kruimels, maar wel van een ontzettend groot en oorspronkelijk talent.


Soms blijven ze te veel een aanzet, een kladje, een opzet voor een mogelijk gedicht. Soms is zijn literaire allusie wat al te voor de hand liggend. Van Johnny van Doorns 'Magistraal stralende zon' maakt hij 'de magi/ stralende stralende Waal'. Vakantiefolders suggereren een droomreis: ja, en dan? En toch is het ook sierlijk dat Pim te Bokkel de dingen zo open laat, alsof een heel andere poëzie kan ontstaan als hij zou doorzetten. Het dansen uit de titel is een liedje over ene Lieke: 'Alle klank is dans'. Hier is hij woordspelerig als zijn meisje in een broodkorst bijt 'en bijt alsof ze bijna/ in een broodkorst kijkt'. 'Ze fietst een lijn/ een spoor een trein/ een eindje verderop/ de zon.' Ik voorzie een grote toekomst voor Pim te Bokkel als hij zijn subtiliteit en onbevangenheid bewaart en toch iets verder gaat dan in deze voorzichtige, aftastende rijmen.



Hans Kloos, Je ziet hier iedereen voorbijkomen: De Westerparkse gedichten. Uitgeverij de Contrabas, 48 blz., € 12,50

Emma Crebolder, Vergeten. Nieuw Amsterdam, 56 blz., € 14,90

Pim te Bokkel, De dingen de dingen de dans en de dingen. Nieuw Amsterdam, 64 blz., € 14,90

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact