Deze recensie verscheen mei 2010 in Ons Erfdeel (53ste jaargang, nummer 2)


Vechten met een engel


De poëzie van Toon Tellegen vormt een minimalistisch theater. Zijn gedichten lijken zich op een podium te bevinden. Daar staan twee figuren, een man en een engel. Af en toe is er een klein atribuut, een lichtflits, of klinkt er geroffel. Soms zijn er meer figuranten, maar ze beelden in principe hetzelfde uit. De engel wil met de man vechten. Dat is de hoofdzaak. Bijzaken zijn abstracties: ‘schaamte en vergeefse moeite woeien op / en verspreiden zich als stof / over de grijze aarde.’ Het maakt Toon Tellegen een tovenaar, die materie maakt van emotie.

De bundel met de fraaie titel Stof dat als een meisje groepeert de gedichten rond de engel en de man, waarvan Tellegen er een aantal eerder publiceerde. Ze verschenen in de bibliofiele uitgave Een man en een engel bij Herik en in de gedichtendagbundel Kruis en munt. De bundel heeft een uitgekiende volgorde die tot een apotheose leidt: over ieder gedicht valt iets te zeggen. Tellegen blijft met al zijn minimalisme gevoelig, zie de derde regel van het volgende gedicht: ‘Een man had tranen in zijn ogen, / wist niet waarom / (wist zelden of nooit waarom)’. Even denk je dat de engelen bij hem vrouwen zijn en de man niet de mens in het algemeen maar daadwerkelijk de man. Maar dat is niet zo, blijkt gaandeweg uit de bundel. Het kale decor is mythisch: man en engel dansen samen ‘in de verregaande stilte van ergens / waar het nergens was’. De gedichten hebben spanning, verticaliteit: ze bewandelen een heldere lijn van begin tot eind. En zijn wijsheid is haast komisch:

 

eens, bijtend op zijn verschrikkelijke nagels

zag God dat het goed was,

maar niet eerlijk

 

de man keek op

en de engel sloeg hem neer.

 

Even zou je denken dat Toon Tellegen een klein palet heeft. Een man slaapt ‘onder een dunne deken van verachting en overmoed’. Weer die abstracties! Maar wat hij ermee doet is roekeloos en weergaloos. In wezen zijn de gedichten metafysisch. De engel geeft de man vrede en geluk en de man zegt: ‘ik geloof je niet’. Het zijn ideeën, uitprobeersels experimenten. Het is alsof de dichter 54 keer zijn man en engel opvoert, alsof het een soort dierproeven zijn. De man vechtend met de engel ‘verklaarde de smoezeligheid’ van het bestaan van passanten. De omstanders worden participanten en de hoofdrolspelers druipen af. Maar niet voor lang. De man zegt dat hij zelf de engel is - maar het lukt hem niet hem na te vliegen.

 

Een man was alleen,

de tijd verstreek

en de man fluisterde:

engel, waarom heb je met me te doen…

waarom troost je me en praat je me altijd moed in…

waarom vergeet je me niet…

 

en een engel verscheen,

zag de man,

tilde hem voorzichtig op,

streelde hem, wiegde hem, fluisterde:

nu vergeet ik je, nu.

 

Af en toe neigt het naar slapstick. De engel wordt kleiner dan een stofje, de man kan hem niet meer vinden en bam! daar slaat de engel de man neer. Ieder gedicht is een kleine parabel. De gebeurtenissen gebeuren ‘niet noodzakelijkerwijs in die volgorde’. Voorbijgangers verlustigen zich aan de schoonheid van het gevecht. In het ene gedicht is de engel het geweten van de man. In het volgende is hij zijn engel des doods. Dan weer is de engel het innerlijk van de man. Alles wat de man zegt dat hij niet kan, kan hij wel, behalve het gevecht verliezen. Soms is het vechten een metafoor voor het denken dat de man constant blijft doen: ik vecht ergens mee. En dat maakt van veel gedichten een perpetuum mobile: eeuwig vechten man en engel met elkaar. Verlaat de engel de man, dan raakt die verpletterd door een neerdwarrelend blad. Of waait hij zelf weg, omdat de engel hem niet meer vasthoudt.

De man vraagt van de engel hem dingen voor te doen: kermen, smeken, sterven. En als de engel dan ook daadwerkelijk sterft, huilt de man. Even lijkt het helemaal geen dichtbundel meer, maar een krachtmeting, een optelsom van gevechten, een bokswedstrijd waarin elk gedicht een ronde is die het beste de strijd wil weergeven. De man draagt alle leed van de wereld en breekt zijn rug. Een man wordt zo nietig dat hij over een afgrond heen kan vliegen. De engel wordt voorgesteld als soldaat die op de oorlogstrompet blaast. Het lijken taferelen van de mens, door engelen uitgebeeld. De engelen zijn overal en ongezien in het dagelijks leven. De mantraregel ‘en de engel sloeg hem neer’ die de hele bundel lang herhaalt wordt, gaat nooit vervelen, blijft betekenisvol.

Halverwege de bundel zegt de man tegen de engel ‘dat ik je elke keer weer helemaal van voren af aan / opnieuw moet verzinnen.’ Dan verbergt hij zich voor de engel, dan weer is de engel de verzorger. De man ‘sloeg tot hij niet meer kon / en de leegte zich om hem sloot / en hem langzaam wurgde’. Hij kijkt in de spiegel en vindt zich op de engel lijken - maar ook dan slaat de engel hem neer. Zijn die engelen dan toch niet gewoon mensen? Als de passanten het gevecht hebben gezien en doorlopen, noemen ze het een vergissing, een zinspiegeling, ze zijn ‘slaven van hun verbeelding’. Maar ook zij gaan eraan, ooit. Alleen een vallende, van zijn troon stortende koning wordt door de engelen met rust gelaten. De engel kleineert de man. De engel laat de man, als die niet in hem gelooft, los met ‘verbeten onverschilligheid’. De engel censureert de man, slaat hem neer en weerhoudt hem opmerkingen te maken. Als een man door vragen overmand door een engel wordt aangeraakt en wegwaait, zien kinderen hem ‘dansen / op de stralen / van de ondergaande zon.’

Dan wil de man vallen, valt ook en wordt opgeraapt. ‘ik kom je pijn doen, zei de engel, / ik kom zielsveel van je houden.’ En hij vliegt ‘terug / naar waar hij niet bestond.’ Een man schaamt zich dat hij zich in zijn geweten kan vergissen. Het zijn sketches, stuk voor stuk. Een engel kan een man niet vinden, die is een ‘stofje op een stofje op dat stofje’. Een engel ontkent zijn aanslag op de man en laat hem op de rand van de afgrond leven. Een man die zegt dat er geen engelen bestaan wordt door de vleugels van een engel verstikt. Een engel zoekt naar onmenselijkheid, dat zich telkens voor hem verstopt. De engel laat de man niet met rust, laat hem niet slapen, het is zijn eigen geestelijke verwarring. Doodgaan is niets, zegt de engel en vliegt naar ‘God, / die tot walgens toe dobbelde / en verloor.’ Dat doodgaan dat ‘heeft alle tijd van de wereld’. Dat gaat er bij zitten en ‘alleen nog even wijzen naar het stof dat als een meisje / in het zonlicht tussen de gordijnen danst’.

Dan, in de laatste vier gedichten, is de man de engel. ‘ik spaar en haat mijzelf niet,’ zegt hij en na al het voorgaande is dat geen paradox meer. ‘ik ben de engel, ik ben de man’. En opnieuw vechten ze en verliest de man, ligt op de bodem van een ravijn en ziet de zon ondergaan. Wat een prachtig dichter is Toon Tellegen. Ik vecht met deze bundel zoals een man met zijn engel. En wat een krachtig en aangrijpend leeg toneel.

 

Toon Tellegen. Stof dat als een meisje. Querido, 2009. 64 blz. €16,95

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact