Deze rubriek verscheen op 4 juni 2010 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

Poetry

Art Amsterdam, de kunstbeurs in de RAI, had als programma-onderdeel No Holds Barred. Performances en installaties en werk van internationale galeries werden in blokjes in het midden van de stands van galeries gepresenteerd. Drie Amsterdamse galeries deden dit jaar nadrukkelijk niet mee. Juliette Jongma, Diana Stigter en Martin van Zomeren nodigden ieder een buitenlandse galerie uit voor een heel ander evenement. Met z'n zessen maakten zij Mini Market. Leuke naam voor een kleine beurs. Locatie was de voormalige Konditorei van Castrum Peregini. Door een deurtje op de Wallen, tussen een vitrine van een seksshop en de ingang van een club, kom je in een lange gang die leidt naar achterhuis dat een glazen pui heeft naar de achtertuin. Een prachtige locatie. De andere deelnemende galeries komen uit België en Denemarken - en toch is de markt allerminst een herbezoek aan Cobra.

Ook in de literatuur wordt de vraag gesteld of deelname aan massale evenementen wel zin heeft. Op de Parijse Salon du livre ontbreekt jaarlijks Le bleu du ciel uit Bordeaux, inmiddels uitgever van vertalingen van Lucebert en F. van Dixhoorn. Stands zijn er peperduur om te huren. Het is daarbij niet duidelijk of de beurs een publieksbeurs is of een zakelijke beurs waar contracten worden gesloten. Van de landenstands was het maar een stap en je verdwaalde in een woest terrein van louter uitgevers van manga. Literaire uitgeverijen in Frankrijk - vaak juist de kleinere huizen - leken dit jaar eensgezind in de opvatting dat de gemeente Parijs een kleine vakbeurs moet organiseren en dat deelname aan deze Salon geen zin meer had. Zonder de steun van regionale overheden zouden poëzie-uitgevers als Argol, cipM, Les Petits Matins en Nous éditions niet eens kunnen deelnemen aan de beurs.

Nu definieert Nederland zichzelf altijd graag als internationaal georiënteerd en heten landen als Frankrijk en Amerika gericht op de eigen cultuur. Maar dat valt te bezien. Franse tijdschriften als Po&sie en Action poétique publiceren altijd vertalingen van poëzie. De vier zogeheten 'grote' Nederlandse tijdschriften, De Gids, Hollands Maandblad, Tirade en De Revisor brengen op het moment helemaal geen vertaalde poëzie. Het liegend konijn en De zingende zaag evenmin. Juist die tijdschriften die vertalingen brachten, Bunker Hill, Raster, Revolver en Het trage vuur, zijn stuk voor stuk verdwenen.

Het trage vuur, tijdschrift voor Chinese literatuur, werd tien jaar lang samengesteld door sinologen als Mark Leenhouts en Sylvia Marijnissen. Toen die het blad wilden overdragen aan een jongere generatie vonden zij daar weinig animo voor. De aio's na hun wilden liever iets activistisch doen dan het tijdschrift voortzetten. Je zou zeggen, als je die tendens grotesk uittekent, dat Geert Wilders helemaal niet op kunst hoeft te bezuinigen omdat de kunst anticiperend op Wilders zichzelf al opheft.

Gelukkig is er Poetry International, waarbij een forse invasie buitenlandse dichters tegelijkertijd Nederland binnenkomt. Het thema dit jaar is proza. Dat lijkt vreemd voor een poëziefestival. Tegelijkertijd is het wel zo bij de tijd. In Nederland wordt steeds prominenter de vorm of begrenzing van het gedicht verkend. Illustratief - en tegelijk vaak geciteerd - was het rumoer rond het opstappen van Frits Bolkestein uit een jury die Alfred Schaffer bekroonde met de Ida Gerhardtprijs dit jaar. Zijn bezwaar was een beetje raar: eerdere laureaten als Nachoem Wijnberg en Astrid Lampe schreven evenmin in de lijn van Gerhardt als Schaffer doet. In een ingezonden stuk bracht de politicus op een wat onhandige manier het Vlaams van Eva Cox uit haar tweede bundel Een twee drie ten dans in verband met het deconstructiedenken, dat de liberaal als Franse mode wegzette terwijl het in New York toch stukken meer gevolg heeft gehad dan in Parijs.

Hotel Parnassus heet de jaarlijkse bloemlezing die als catalogus voor Poetry International fungeert. Van iedere deelnemer staan er vier gedichten in. Dat geeft niet bij iedereen meteen zicht op het oeuvre, de kleine handzame tweetalige boekjes met tien vertalingen bieden een breder beeld van een auteur. Op zich heeft ieder festival een catalogus: Dichter aan huis, Dichter in de prinsentuin, de Nacht van de poëzie en nu ook het festival in Landgraaf. Al snel kom je er een beetje in om, boekjes waarin van allemaal mensen een gedicht staat, en dat naast de verzamelingen 'De beste gedichten van' en het eerder genoemde Liegend konijn. Behalve de reguliere dichtbundels die verschijnen is het jaarlijks een fikse hoeveelheid. Nu is het prettige van Hotel Parnassus dat je kennismaakt met internationale dichters en dat de vertalingen meestal van behoorlijk niveau zijn.

Dit jaar heeft De Arbeiderspers zich teruggetrokken, en dat is jammer. Hotel Parnassus, poëzie uit de hele wereld. Poetry International 2010 biedt ook nog eens meer dan andere edities. Er is een inleiding die speciaal is geschreven door Charles Simic. De in Servië geboren Amerikaan legt rustig en onderhoudend uit wat dat nu volgens hem is, een prozagedicht. Ook toen hij in 1990 de Pulitzer Prize kreeg voor zijn verzameling The World Doesn't End was er veel rumoer. Simic schreef de prozagedichten nadat hij een computer van zijn zoon had gekregen. Het waren korte prozapassages. 'Ze schijnen geen moeite te kosten en kwamen, als alle prozagedichten, in de woorden van James Tate in een "bedrieglijk eenvoudige verpakking: de alinea".'

Daarmee is meteen al één raadsel opgelost. Wat noemen we namelijk een prozagedicht? Het verhalende, parlando gedicht, zoals Cesare Pavese dat in zijn begintijd uitmuntend bedreef in de bundel Werken maakt moe? Onopgesmukt en helder, bijna proza zo verhalend, maar dan wel in versvorm. Of bestaat het juist uit een of meer alinea's en is het daarmee een 'gedicht in proza'? Het laatste is het voor Simic. Het zijn teksten die 'de indruk wekken dat je het zonder enige moeite en bijna zonder nadenken opschrijft'. Dat betekent dat het trucje goed verborgen is: het kan 'gezien worden als een remedie voor iedere vloek der gekunsteldheid'.

Nu is het genre al zo'n twee eeuwen oud, en als je Baudelaire, Rimbaud, Lautréamont en ook Ponge en Michaux meerekent, al lang geen lichte traditie meer. Zeer geslaagd aan deze Hotel Parnassus is dat redacteur Liesbeth Huijer een bloemlezing heeft gemaakt van vijftien prozagedichten die op eerdere festivals zijn voorgelezen. En dat zijn geweldige teksten, van de Estlandse dichter Jaan Kaplinski, Tonnus Oosterhoff en de Canadese Margaret Atwood. Je zou je bijna bij dit genre willen aansluiten, als je deze sterke, grappige, spitsvondige en onopgesmukte tekstjes ziet. Van de Taiwanees Shang Ch'in is er de kleine tekst Elektrisch slot, waarin een taxichauffeur de hoofdfiguur bijlicht als hij thuis aankomt en de sleutel in het hart van zijn schaduw op de deur steekt. Cartoonesk zijn ook de teksten van Russel Edson en Charles Simic. Het enige minpunt van de selectie, die achter in de catalogus is opgenomen, is de wat iebelige titel Prozapoëzie.

Prozapoëzie. Poèmes en prose. Prozagedichten. Als je het te vaak achter elkaar zegt, gaat het je tegenstaan. Steve Bradbury, de Engelse vertaler van voornoemde Shang Ch'in en ook van de jonge dichter Yeh Mimi, sprak ooit zo vaak met stemverheffing de term The Prose Poem achter elkaar, dat ik de neiging kreeg de tafel voor ons met schotels Chinese lekkernijen met een vuistklap omver te slaan. Het is in Amerika hip, het genre. Neemt niet weg dat het voor een raster op de wereldpoëzie dat Poetry International jaarlijks is een treffend thema is.

Het grootst gedeelte van Hotel Parnassus bestaat uit werk van de 'festivaldichters 2010'. De norse Litouwer, de onstuimige Deense, de bedeesde Soedanees die in het Arabisch dicht (Ališanka; Andkjer Olsen; Al-Saddiq Al-Raddi), het zijn voorlopige en snelle indrukken van voordrachten die op het festival zullen plaatsvinden. Op deze eerste editie na het jubileumprogramma van Poetry zijn er opnieuw dichters die op hun manier markant en prominent zijn. Bart Vonck vertaalde grillig kort werk van Antonio Gamoneda, een Spaanse dichter van tachtig uit Léon. Uit Brazilië is er Lèdo Ivo, in vertaling van Arie Pos: 'Geen enkele taal is het vaderland./ Mijn vaderland is de weke, kleffe aarde waar ik werd geboren.' Lucas Hüsgen, die goede en toegankelijke essays over Koreaanse poëzie schrijft, vertaalt Kim Hyesoon. Er is de Estlandse dichter Hasso Krull (waarom val ik toch altijd als een blok voor Estlandse poëzie, ook als ik die eigenlijk te esoterisch vind?) en de al van Revolver bekende Poolse dichter Ewa Lipski. Er is een dichter uit Afghanistan, Kamran Mir Hazar, die volgens de informatie achterin noodgedwongen met een eBook debuteerde om aan de censuur te ontkomen. En er zijn vier Amerikanen, onder wie de door Tom van de Voorde vertaalde Michael Palmer.

'Nederlandse dichters, dat zijn toch die klootzakken die rond een tafel bier gaan zitten drinken en niet geïnteresseerd zijn in dichters uit andere landen?' vroeg Taja Kramberger, Sloveens dichter, me in Canada ooit uitdagend. Niet lang daarvoor, toen ik haar vroeg of ze in Llubjana woonde, keek ze me aan met haar felle gitzwarte ogen en antwoordde: 'Do you know that Llubjana is so small that the wolves come there in the night to fuck?' Ze zette het Ottawa Writers Fest (het vroegere Canada Europe Festival) op stelten door te vertellen over de politieke misstanden in dat zo braaf geachte Slovenië. Haar ambassadeur in Ottawa liep trillend de National Archives uit om een sigaret op te steken en in een van de perken vol tulpen die prinses Irene de Canadezen nog jaarlijks schenkt haar as af te tippen.

Taja Krambergers opmerkingen over Nederland leerde ik later op dat festival beter plaatsen. Het bleek dat ze regelmatig deelnam aan ronde tafels met voornamelijk Oost-Europese dichters, die allemaal in no time een gedicht van hen in al die talen van de aanwezige deelnemers lieten overzetten. Het grote voordeel van Poetry International is dat het een dam opwerpt tegen netwerken met al te voorspelbare uitwisselingen van dichters van verschillende landen, die met name elkaar uitnodigen. En dat is opvallend genoeg in de internationale poëzie nog steeds een bijzonderheid.

Maar wat één ding betreft heeft Taja jammer genoeg toch gelijk. De Nederlandse goegemeente van dichters heeft de slechte gewoonte alleen op woensdag naar Rotterdam te gaan om bij de uitreiking van de C. Buddingh'-prijs voor het beste Nederlandstalige debuut te komen kijken wie de newbees zijn. Dus toch niet echt geïnteresseerd in andere landen. Vandaar deze aansporing voor de dichtende lezers van deze rubriek. Ga eens op een andere dag. Neem plaats in die prettige gigantische regenjas die de zalen van de Rotterdamse Schouwburg zijn. Luister naar een andere taal en lees het gedicht per strofe of alinea in vertaling mee op het projectiescherm. Het is en blijft de beste manier om gesproken poëzie te ervaren.

Hotel Parnassus, poëzie uit de hele wereld. Stichting Poetry International. 160 blz., € 15,-.

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact