Deze rubriek verscheen op 8 juli 2010 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

Schilderkunst


Schilder Leon Willigendael zegt in zijn werk een ruïnelandschap te bezoeken. Misschien is de schilderkunst wel die ruïne: zo vaak onbewoonbaar verklaard en toch bewoond. In een ruïne wordt getoond wat anderen graag wegmoffelen. Gwenaëlle Stubbe is een Franstalige dichter uit België. Ze verbleef in Vlissingen, keek er naar gras op de dijk en eenden in het water en maakte een tekst Bof die vertaald is als Tja. En op 27 juni 2010, overleed Shang Ch'in, de zeventigjarige dichter uit Taiwan.

Shang Ch'in schreef voornamelijk prozagedichten. Korte teksten, waarin gevangenen in de nek groeien als de ramen te hoog zitten en met giraffen verward worden. Waarin een taxichauffeur de spreker bijlicht als in de stad de elektra uitvalt en die de sleutel in het hart van zijn eigen schaduw steekt. Waarin iemand een kippetje verorbert op een bankje die een poot mist en bedenkt dat hij lang geen haan heeft horen kraaien. Shang Ch'in was uiterst humoristisch. Het was een kleine, guitige man. Hij publiceerde spaarzaam, weinig. Shang Ch'in is vanaf zijn vijftiende ettelijke malen gedeserteerd uit het Chinese leger, weer opgepakt, krijgsgevangen genomen, en door de legers meegenomen naar Taiwan. De sinoloog Göran Malmqvist gokte dat nooit iemand zo lang in het leger heeft gezeten zonder het tot hogere rang te schoppen als Shang Ch'in. Hij was daarna noodlesoepverkoper op de markt, restauranteigenaar, journalist, redacteur. Ik zag hem voor het eerst enkele dagen na 11 september 2001 toen hij in de lobby van het hotel United kwam voorlezen te midden van een ondergelopen Taipei, dat door de tyfoon Nari in een ravage was veranderd. Weinig van het geplande festival ging door, maar Shang Ch'in kwam. Ik vond zijn gedichten in Frontier Taiwan: An Anthology of Modern Chinese Poetry. Een jaar later was hij in Rotterdam, waar er tijdens Poetry International een vertaalatelier aan zijn werk gewijd werd, waaraan Wim Hofman, Hester Knibbe, Martin Reints en de toen nog ongedebuteerde stagiair Jan-Willem Anker aan deelnamen. Shang Ch'in tekende voor ons een ontknoping van een gedicht waar we moeilijk uitkwamen. Hij tekende een stippellijn die liep van de ogen van een hond naar glasscherven op een gemetselde muur, en daarvan weer naar de ogen van een man. Een politieagent, de armen op de rug gevouwen, hield stil voor die stippellijn. Het was een grens die hij niet over kwam, de agent werd een standbeeld. Ik interpreteerde de man die naar de glasscherven keek als een gevangene, maar dat stond niet zo in de tekst. De tekst vertelde dat de man was opgestaan, zich gewassen had en bij het wrijven van de slaap uit de ogen de restbeelden van de droom op de glasscherven projecteerde. Toch was Shang Ch'in allesbehalve surrealist. Daar was hij veel te praktisch en misschien toch ook te Chinees voor. Nog eens vijf jaar later ontmoette ik hem opnieuw in Taipei. Nooit zal ik vergeten hoe hij mijn achternaam bulderde door de gang en hoe dat klonk als een Chinees bevel: 'HINNER!' In Taipei vond ik hem stukken ontspannener dan in Rotterdam. Sylvia Marijnissen publiceerde vertalingen van zijn gedichten in Tirade, en een tekst over zijn werk, leven en ontsnappingskunsten, waarin ze spreekt van zijn scherpe zintuigelijke waarneming en eigenzinnige logica. Voor de Amerikaanse markt vertaalde Steve Bradbury Shang Ch'in in het Engels, waarbij zijn naam met een andere romanisatie wordt gespeld als Shang Qin.

Surrealistisch is ook niet wat er aan de hand is bij de schilder Leon Willigendael. Hij bewerkt het materiaal zo lang tot er voorstellingen in opdringen. Hij gaat het doek te lijf en onderzoekt zijn materiaal, de verf, het verven. Bij het begin van het opdoemen van beelden in die verf probeert hij de voorstellinggskracht zelf weer te geven. Hij is een liefhebber van ruïnes (en wat is de wereld nu eigenlijk anders dan een ruïne?). Surrealisme heet een queeste te zijn naar het onderbewuste. Onderzoek naar materiaal is dat niet. Wie weet maakt Willigendael wel helemaal geen beelden, het worden geen plaatjes. Een van zijn werken heeft remeniscenties met die van Francis Bacon, maar hij volgt duidelijk zijn eigen weg. Hij ondertekende mede een pleidooi voor de diepe schilderkunst.

In de Slib-reeks van het Centrum Beeldende kunst Zeeland verscheen een vertaald deeltje: TJA. Het is mooi uitgegeven. Het Frans staat in een kleinere grijsgedrukte letter naast de vertaling door Piet Joostens in een groter corps. De teksten worden omgeven door uitsneden van tekeningen van de broer van de auteur, Wladimir Stubbe. De broer duikt ook in de tekst op. Gwenaëlle Stubbe is een Franstalige Belg die in Frankrijk publiceert bij de uitgever van experimenteel werk Al Dante.

Deze vertaling bevat opmerkelijk licht werk. Herkenbaar is de plek waar ze de tekst schreef, in residentie in Vlissingen, die uitkijkt op de Westerschelde. 'Er zit ongemak op het gras./ het gras is een kruid zonder gevolg.' Op de dijk, de kade van Vlissingen die vanaf het station doorloopt langs het gebouw Willem 3, groeit gras. 'het landschap hier is één berm op een grasje. En een grasje ondersteboven op een berm.' Zo ziet het er inderdaad uit.

'Een vrachtschip begeleidt het profiel met twee tonen -------- --------.' De observaties zijn allesbehalve surreeël en de logica is tot dusver weinig koppig: 'elk vrachtschip laat een breder spoor achter dan zichzelf'. Stubbe laat eenden in dat spoor dobberen die ze eerst nog op de kade zag. Haar taal is opgewekt: 'Er zit overgebracht schaap in het gras...' (...) 'Het gras barst gewoon van zulke scènes.' In de adequate, secure en beheerste vertaling van Piet Joostens klinkt ze vrolijk. Ze heeft het over een 'reptielzijn' dat een schaap nooit zal hebben. Met haar broer samen stelt ze vast dat er een groot verschil is tussen individuen met en zonder hond. Ze zitten lang en uitgebreid naar die mensen daar op de dijk te kijken, zo lijkt het. En dan komt er verhaal in de bundel. Er is een scène van een vader en twee neven op een jacht. Ook die lijkt naar Nederland te varen, wie weet langs het verblijf van de dichter: ze spreekt over een hangend 'polderschaap'; 'in een draadloze pose'.

Stubbe is prettig laconiek, haar toon is alles behalve pretentieus. 'Meneer de wind kroezelt mijn haar,' schrijft ze, en: 'Tja,/ 't is de overgang'. Ze lijkt zich te buigen over een land onder de waterspiegel en daarop iets dat fietst waarop vader en neven over de reling en vanaf de plecht op neer moeten kijken. De tekeningen van badeenden in het gras passen er goed bij. Maar dan gooit Stubbe het over een andere boeg. Het tweede deel van de bundel heet 'Oorlogsepisode'. Het begint met een introductie, er is nog rust en een link naar het voorafgaande: 'Ieder oog hield zijn eend, zijn biet in de gaten'. Dan is er een vijand en een visioen: 'Een eend die in deze nogal verlate scène heen en weer loopt. En een biet zo lang als een eend.' Wat volgt lijkt oorlogje spelen met eenden. 'Hun armen zijn beschilderd'. Er komt een commandant voorbij en een tante wordt herinnerd, die gymt tussen de soldaten op het slagveld. En dat maakt de bundel uiteindelijk onevenwichtig. Het blijven twee aanzetten, de stukken rond de eend beter uitgewerkt dan de oorlog. Op de laatste pagina wordt gesteld dat de tante aan opera had moeten doen, en kun je alleen maar 'Tja' zeggen. Operatie gelukt. Residentie met adequate tekst afgesloten. Maar ik zou liever een beeld krijgen van de dichter Gwenaëlle Stubbe, eerder dan een gelegenheidswerk dat ze hier maakte, juist omdat haar werk aantrekkelijk is en juist omdat ze aan Piet Joostens een goede vertaler heeft.


Tja
. Slibreeksgroot nr. 130, gaststudio 7. Stichting CBK Zeeland, € 9,-

Feelings Above Sea Level. Prose poems from the Chinese of Shang Qin. Translated by Steve Bradbury. Zephyr press, € 14,-

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact