Deze rubriek verscheen op 16 juli 2010 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

Interviews

Gesprekken met dichters waaieren makkelijk rare kanten op. Pearl London nodigde vijftentwintig jaar lang Amerikaanse dichters uit kladversies van nieuw werk met haar en haar studenten te komen bespreken. De gesprekken zijn gebundeld in een boek en geven fraaie inkijkjes in de overwegingen en beweegredenen tijdens het maakproces. Ron Rijghard bundelde de vraaggesprekken die hij hield voor Awater en NRC Handelsblad met prominente dichters van dit moment. Hij vulde ze aan en maakte zo een introductie op hedendaagse poëzie in Nederland.

'Interviewen,' zo merkte mijn goede vader dikwijls op, 'is de meest denkluie vorm van journalistiek'. Hij sprak het werkwoord uit alsof het iets heel vies was. Het woord 'denklui' kreeg een enthousiaste beklemtoning van beide lettergrepen. Eigengereid commentator die hij was, moest hij niets hebben van de mening van anderen. De gedachte daar naar te gaan luisteren was voor hem krankjorum, dat ook nog eens uit te typen krankzinnig. Toegegeven, het is een klerewerk, vooral dat uitwerken. Maar een goed gesprek kan opheldering verschaffen waar een criticus in het duister tast. En zo een dichter iets anders is dan een politicus, dan is dat met name te merken aan diens antwoorden.

Pearl London moet een bijzondere vrouw geweest zijn. Dochter van Lincoln Schuster, een van de oprichters van de grote Amerikaanse uitgeverij Simon & Schuster. Haar echtgenoot Ephraim London was een advocaat die kunstenaars verdedigde in hun recht op vrije expressie. London had het talent om volop in dialoog te raken. Ze was verbonden aan de New School, een universiteit in Greenwich in New York. Voor een klein gezelschap studenten hield ze bijeenkomsten. Een dichter was uitgenodigd om met haar te praten. 'Work in progress', zo heette die bijeenkomsten. De dichter werd gevraagd een gedicht in aanzet op te sturen. Dat kon een krabbeltje zijn, gewoon een paar woorden. Tijdens de bijeenkomst nam de dichter een nieuwere versie mee van datzelfde gedicht. Van 1970 tot 1995 hield Pearl London dergelijke bijeenkomsten. In die tijd zijn meer dan 100 dichters voorbij gekomen. Zij stierf in 2003.

Haar collega docent Alexander Neubauer maakte enkele van haar bijeenkomsten mee. Hij vond geluidsopnames van de sessies en typte die allemaal uit, veertig pagina's per bijeenkomst. Hij bracht ze terug tot een bladzijde of tien en maakte een selectie. Nog is het een vuistdik boek, dat ik bij lange niet uit heb. Het zijn geen interviews maar dialogen, met interupties van studenten. Het prettige is dat London en haar deelnemers de tekst nauwgezet en precies volgen. London haar klassen moeten geliefd zijn geweest bij de deelnemers. Derek Walcott, Robert Pinsky, Mark Strand, Louise Glück, Robert Hass, C.K. Williams, Charles Simic, allemaal kwamen ze langs.

Als Charles Simic aan de beurt is, heeft hij een opzet bij zich voor het gedicht 'Official Inquiry Among the Grains of Sand'. De titel is makkelijk te verklaren. Simic zijn vrouw vraagt zich af waar al dat zand in huis vandaan komt, terwijl ze toch een eind van de kust wonen. Misschien brengt de hond het mee, oppert ze, maar dat kan niet want er is helemaal geen zandbak of zandafgraving in de buurt. Natuurlijk gaat het gedicht een heel andere kant op dan de anekdote. Volgens Simic is een geslaagd gedicht altijd op een bijzondere manier anoniem. Het verraadt geen locatie. De openingsregel van het gedicht is 'You´re anonymous' en in een volgende versie 'You´re wholly anonymous'. Anoniem, dat zijn die zandkorrels die onder kruisverhoor staan. Goede poëzie gaat ook altijd over het hier en nu, volgens Simic. In zijn vroegere poëzie liet hij een serie van beelden toe, merkt London op, nu gaat het gedicht steeds vaker van een beeld uit. Simic merkt op dat in zijn gedichten beelden nadenken. Het is de reden dat de dichter bij ze blijft. Het heeft hem jaren gekost te realiseren dat een dichtregel belangrijker is dan een zin.

Twintig mijlen ver is de zee verwijderd. De zandkorrels lijken allemaal tegen hem te roepen: waarom ondervraag je mij, waarom niet die duizenden anderen? Simic overweegt zeemeeuwen in te zetten om hun gang te inspecteren. Interessant is de vraag van London waarom de vier strofes in de eerdere versie teruggebracht worden naar twee. Simic antwoordt dat er in iedere strofe iets moet staan dat de lezer bezig kan houden en dat het voor de dichter noodzakelijk maakt te stoppen en hem binnenboord te houden. Als er een rijk beeld is, kan de lezer er bij rusten.  Maar met die zandkorrels heeft dat helemaal geen zin. "If you have too many pauses, they create a false melodrama. You know, you stop after every line as if something tremendous is being said; it's not."

Als een goede bundel negentwinting gedichten heeft, dan is die bundel zelf de dertigste, zegt Alexander Neubauer in het voorwoord. Het boek Poetry in Person. Twenty-five Years of Conversation with America's Poets laat zien dat praten over poëzie eigenlijk heel toegankelijk is zo lang het feitelijk over het werkproces gaat.

Ik deug alleen voor de poëzie is de titel van de bundeling gesprekken die journalist en criticus Ron Rijghard afgelopen jaren met dichters hield voor Awater en NRC Handelsblad. Het boek is uitgegeven door NRC boeken. Toch is het meer dan een verzameling krantenstukken. De stukken zijn vlot geschreven, goed samengevat en de vragen voor een belangrijk deel weggelaten. Voor veel vraaggesprekken is er later opnieuw contact met de dichter gezocht en het artikel aangevuld. Het boek biedt zo een index van de dichters die de laatste tijd in het nieuws waren, omdat ze een prijs wonnen of anderzinds.

Rijghard neemt een neutrale positie in tegen deze veelheid aan dichters. Hij gaat kameleontisch te werk: het karakter van de dichter zet de toon van het stuk. Behalve een samenvatting van het interview, geeft Rijgahrd een omschrijving van dat dichterschap en waar hij kan zet hij beknopt de biografie van de dichter uiteen. Het zijn portretten. Opvallend is dat naïeve vragen vaak een boeiend antwoord opleveren. Wie durft er Menno Wigman nu te vragen waarom hij rijmt? Ron Rijghard doet het. Enkele stukken verraadden de journalistieke oorsprong en zijn bij  publikatie in het boek gedateerd, zoals de ontmoeting met de betreurde Adriaan Jaeggi en Bart Moeyaert, beiden op moment van spreken stadsdichter.

De titel van het boek is ontleend aan Leonard Nolens, en tekent diens wat robuuste dichterschap. Opvallend is een uitspraak over zijn collegae Dirk van Bastelaere, die in alles de tegenpool van Nolens lijkt. Nolens zegt: "wat me in hem aantrekt is dat hij nog heilig verontwaardigd kan zijn over dingen die voor de buitenwereld futiel zijn. Er is in zijn poëzie en kritische teksten een vorm van ernst aanwezig die mij zeer aanspreekt." Relevant is een uitspraak van Nolens over de receptie: "wat in Vlaanderen wel gebeurt en in Nederland zelden, is dat men het werk van dichters confronteert met wat er in het buitenland geschreven wordt."

Peter Verhelst is voor zijn doen behoorlijk openhartig. "Bewegingen beschrijven heeft geen zin. Wat ik kan doen is de logica van een dansend lichaam, van beweging tot tegenbeweging, in taal proberen om te zetten. Bij een beweging ontstaat een beeld in mijn hoofd en bij een tweede beweging verschuift de betekenis van dat beeld. Elke regel moet dus de betekenis van de vorige regel veranderen.' Het is illustratief voor de poëzie van Verhelst, die vaak sterk jambisch is op een wijze dat een eerste woord op een nieuwe regel, een doorloper, de betekenis van de vorige regel verkracht. Opvallend is dat Verhelst opbiecht zelf een hekel te hebben aan de foeilijke doorhalingen in zijn bundels en romans. 'Ik haat het. Het is zo arty.'

Rijghard boezemt veel van de geïnterviewde vertrouwen in. Mustafa Stitou vertelt hoe hij 11 september 2001 heeft ervaren. Eva Gerlach vertelt dat nauwgezet kijken voortkomt uit wantrouwen. Alfred Schaffer vertelt zeer persoonlijk over de lotgevallen in zijn familie en zijn verhuizing terug naar Nederland. De enige met wie het moeilijk is om contact te maken, is Louis Lehmann, vreemde eend in de verzameling. Hij heeft een hekel aan schrijven. Ook Tonnus Oosterhoff staat niet bij iedere vraag klaar om een passend antwoord te geven. Toch zijn de passages over zijn bewegende gedichten verhelderend. Oosterhoff ziet zijn werk als 'betekenismuziek': 'al de zintuigen komen samen op een bladzijde.' Hij weet goed wat het probleem is van mensen die poëzie als een drempel ervaren en formuleert het kernachtig: 'Als je alles wilt begrijpen loopt het verstand vast'.

Bij het gesprek met Maria Barnas, die haar poëzie aan een duidelijk zelfbeschouwing weet te onderwerpen, overheerst een zeldzame ernst. Haar tweede bundel noemt ze hoekiger dan haar eerste. Ze is zeer bewust hoe ze te werk gaat; 'er is altijd een ander perspectief nodig. Zo moet je naar alles kijken.' En in het laatste gesprek is Charles Ducall aan het woord, leraar aan een middelbare school die nadenkt over het lesgeven van poëzie en daar een mooi essay aan wijdde. Rijghard neemt dat als uitgangspunt als hij terugkomt op de gedichten van Ducall. Ik deug enkel voor de poëzie is een goede introductie voor wie de hedendaagse poëzie nog niet al te goed kent.

Alexander Neubauer. Poetry in Person. Twenty-five Years of Conversation with America's Poets. Alfred A. Knopf, New York. 350 blz. $27,95.

Ron Rijghard. Ik deug alleen voor de poëzie. NRC boeken. 272 blz. €19,90





 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact