Deze rubriek verscheen op 28 juli 2010 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer


Het achtste continent

Han van der Vegt publiceerde zijn vijfde dichtbundel, De zeilen van de aarde. Een bijzonder werk vol buitenissige biologische experimenten. Het is poëzie met een verhaal, een blik op de toekomst. In Watou loopt tot in september het kunstenfestival 'Verzamelde verhalen'. Dat is een opvolging van de poëziezomer in Watou, sinds jaar en dag samengesteld door Gwy Mandelinck, die vorig jaar uitweek naar Brugge.

Het nieuwe kunstenfestival heeft als ondertitel 'Taal en beeld'. Het breekt het concept open van een gedicht naast een kunstwerk in een monumentale en vaak wat desolate ruimte in de Vlaamse Westhoek waar Watou ligt. De vorig jaar snel in elkaar gezette eerste editie leek op een revolutie. De gedichten waren op ballonnen gedrukt en bijeengebracht in een kelder van de brouwerij van het plaatselijke Hommelbier. Dat betekende dat de kunst op de andere locaties in het dorp nabij de Franse grens volop de ruimte had. En zo ook de kunstenaars die schreven. Want dat is een ontwikkeling die niet te stuiten is, beeldende kunst die taal als vorm hanteert zonder direct op literaire vormen aan te sluiten en evenmin door een arsenaal aan filosofische grondbeginselen over te schrijven. Het heeft in gunstige zin iets van een kleine revolutie: 'Wij schrijven ook!'

De frisheid van vorig jaar is tekstueel niet terug te vinden in de tweede editie, althans niet overal. Men vindt hem eerder in de kunst dan in de gedichten. Op de borden die de entree van de locaties weergeven, vind je als je vanuit de deur weer terugkijkt een gedicht dat ook Mandelinck had kunnen kiezen. Het zijn de klassiek geworden gedichten uit de oeuvres van Van hee, Jooris, Campert, Herzberg, Kouwenaar en Van Bastelaere. Een enkel gedicht van Renaat Ramon verraadt de samensteller, Willy Tibergien van het Poëziecentrum Gent. Op de stoeptegels tussen de locaties tref je af en toe een gedicht aan. Opvallend genoeg zijn dit lichte gedichten, vaak een grap of iets met een pointe, iets waar je niet al te lang bij stil hoeft te staan. Zo zijn er 'sms-gedichten' van 160 tekens uit de bloemlezing 160 van Sofie Cerruti. Er staan haiku's op de tegels van Herman van Rompuy en J. van Tooren en puntgedichten van Driek van Wissen en Buddingh'. Nu kun je je afvragen waarom je ('Sammy loop niet zo gebogen') nu juist naar de grond moet gaan kijken in zo'n dorp met verre uitzichten, met groepen wielrenners die vele glazen Hommelbier op de markt nuttigen en dan in uitgelaten gezelschap breeduit over straat fietsen - tot aan crossauto's die de zaterdag dat ik er was keihard door het gehucht scheuren.

Een mooie plek is het veld achter het Blauwhuys, waar twaalf witte houten strandhokjes staan. Op de hokjes, niet op de deur maar op de buitenkant, hangen vertaalde gedichten van Guiseppe Ungaretti, Fernando Pessoa, Pia Tofdrup, Zbigniew Herbert, Ingeborg Bachmann, Cesare Pavese en andere grootheden. Binnen de strandhokjes ligt eindexamenwerk van kunstenaars die recent afstudeerden aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent. Dat gaat maar twee of drie keer mis, als het gedicht buiten te letterlijk bij de kunst aansluit. Het is een frisse uitwerking van het aloude concept van Watou, door met jongere kunstenaars en met vertaalde gedichten te werken. Ungaretti schreef over de stad Mariano, die zich met zon vult die alles in vervoering zet. Je verlaat die stad en dat licht: 'even/ een omhelzing/ achterlatend van lichten die in de troebele lucht/ waren opgehangen.' En van Pavese is er een gedicht over de afwezigheid van de stem: 'Als de stem zou klinken, zou ook de korte/ trilling van de stilte die duurt pijn doen.'

Het Gemeentehuis van Watou biedt ruimte voor een ontmoeting tussen de dichter Mark Insingel en Peter Beyls, pionier in de computerkunst. De ontmoeting is belegd door Dirk van Bastelaere, die hiermee als een van de vijf curatoren van Watou optreedt en na het samenstellen van Hotel New Flanders liefde lijkt te hebben opgevat voor het minimalistische werk van Insingel. Interessanter dan de kennismaking zelf is waar die toe kan leiden, iets waar nog naar te gissen valt na het zien van de expositie. Op een andere plek, het Grensland, zijn de onderdelen van de expositie juist te bekend. Een documentaire over Lucebert door Johan van der Keuken, een andere over Kopland en de psychiatrie, je hoeft er niet voor naar het afgelegen Watou, je kunt die films ook elders zien.

Hoogtepunten zijn twee werken in de expositie Past in Present van curator Jan Van Woensel, die op vier locaties in het dorp te zien is. Eén is een werk getiteld The Appearing van Sarah Westphal. In een café dat gesloten is, maar ook wat de geur betreft nooit gekuist na het faillissement, is een projectie op een bloemgordijn voor een klein raam. Diverse bloemen in het bloemetjesbehang zijn losgesneden, netjes langs het motief van de bloembladeren, en dat geeft diepe schaduwen onder de kleurige projectie op de muur. Het andere werk is van Nicolas Provost en heet The Divers. Het is een ontmoeting van twee mensen op een balkon boven een stad waar vuurwerk wordt afgestoken. De twee mensen kijken niet naar het vuurwerk, maar beginnen aan een voorzichtige toenadering tot elkaar die niet echt ergens toe leidt, althans net niet tot een echte omhelzing, en zesenhalve minuut voortduurt. Aparte vermelding verdient de kunstenaar Rinus Van de Velde, die wel van een gedicht uitgaat, maar met dat gedicht een eigen strip- en tekstverhaal maakt over het leven van de dichter Wladimir Majakovski. Het is onderdeel van een langlopend project van de kunstenaar.

Poëzie en beeldende kunst, het komt ook samen in het werk van Han van der Vegt, die zijn vijfde bundel uitbrengt en daarbij uiteindelijk binnen is bij een grotere uitgeverij, Meulenhoff. De beeldende kunst was te vinden op het omslag van zijn eerste dichtbundel Oker, die in 1993 verscheen bij uitgeverij IJzer. Die kaft was paars en bestond uit een uitsnede van een van zijn doeken. Die doeken bestonden weer uit letters, maar dan in een handschrift dat alleen Van der Vegt kon ontcijferen. De uitsnede op het omslag van Oker was een collage van geschreven letters en gekalligrafeerde letters in dikkere lijnen. Het was feitelijk niet het debuut van Han van der Vegt. In de Slibreeks verscheen De wandelaar, twee verhalen, en dat al in 1985, hij was toen 24. Het was een spannend verhaal van iemand die aan de rand van een getto leeft, vergelijkbaar met dat in Warschau, en de belegering daarvan waarneemt tot men hem in het vizier krijgt.

In de tijd van Oker was Van der Vegt een ingetogen dichter. Hij schreef intieme poëzie, eigen en enigszins verstild. 'Niets van wat ik schrijf is verzonnen, niets is vervormd', expliceerde hij in een toelichting. 'Of ik het gezien of gehoord heb weet ik niet meer, maar het is gebeurd, niet in de werkelijkheid, niet in de taal, maar in mijn eigen lichaam.' Het was een opvallend stellige uitspraak van een dichter, die enerzijds de noodzaak verraadt zichzelf te verduidelijken en tegelijk wil laten zien dat het hem ernst is: die gedichten gebeuren in zijn lichaam, hij kan er niet omheen en de gedichten kunnen niet buiten hem om.

Het oeuvre van Van der Vegt is zijn eigen universum. Is het wel poëzie, zou je je kunnen afvragen, maar die vraag is zinloos want iets anders is het ook niet. Het is anders wel spannend, die proefboringen in gedichten die hij met de planeet uitvoert. Vaak, onder het aardoppervlak of achter andere dimensies, hoor je dieren stampen of iets gonzen. Men wil gigantische zeilen spannen boven de oceanen om de rondgang van de aarde bij te sturen. Een verhaal over een tijdstafel, een object in de vierde dimensie dat deels verdwijnt, begint bijna te conceptueel. Maar veel van de gedichten verschijnen in drie delen en op de tweede pagina ben je al aan het gedachte-experiment gewend en is het goed te volgen en invoelbaar gemaakt. Hij legt zijn talige archeologie op tafel. Opnieuw is er een dreun achter een wand: 'de dreunende tred/ van gigantische dieren'. Het gedicht de meeuwen leidt tot een horrorbeeld à la Hitchcock. 

Na de publicatie van dat debuut is er iets veranderd. Op Crossing Border 1994 begon hij plotseling uit zijn hoofd voor te dragen, wat een vervreemdend effect had bij deze serieuze dichter die allerminst performancepoëzie schreef, dat wil zeggen poëzie die te begrijpen valt in de tijd dat het luisteren kost. Zijn gedichten werden allengs langer en hij kende ze allemaal zonder haperingen uit het hoofd. Zijn tweede bundel Pilonder verscheen zes jaar na de eerste, in 1999. Hierin werden korte gedichten afgewisseld met lange, zoals het gedicht Toorts dat in de strakke vorm van een hoge toren uitgevuld stond. Het ritme werd driftiger. Al in die tijd schreef Van der Vegt geregeld pamfletten en essays - poëzie evoceerde in zijn ogen het ultiem vrouwelijke. In een latere verbroedering met de dichter Peter Holvoet-Hansen werd daar een hele reeks schotschriften aan toegevoegd, onder meer de Vegt-lijnen waarin hij pleitte voor kapsones en pretentie in de poëzie. Hij verhuisde naar Antwerpen en verzorgde avonddurende voorstellingen waarin danseressen op zijn rug sprongen en muzikanten hem begeleidden terwijl hij moeiteloos en voortdurend teksten uit het hoofd bleef voordragen. Vervolgens publiceerde hij in 2004 Ratel & experimenten in de Windroosreeks en in 2006 Exorbitants in de Contrabasreeks. 'Exorbitants' is de naam van een ruimteschip waarin hij vier reizigers liet reizen naar andere zonnestelsels. Het is onlangs op cd uitgebracht. Van der Vegt vertaalde literatuur van onder anderen Joseph Conrad en alle brieven van Virginia Woolf aan Vita Sackville-West. Eerder dit jaar verscheen van zijn hand een kinderboek, Het rode ei.

Zijn pamfletten zaten me wel eens in de weg en sloeg ik op een gegeven moment over. Poëzie moest dit en stond voor dat. Misschien stonden ze in contrast met de ingetogen dichter van Oker die ik ooit had leren kennen. Vooral de roep om pathos in de Vegt-lijnen vond ik een beetje overtrokken. Show and don't tell, denk je dan snel. Han van der Vegt bleef een dichter met een zeer eigen geluid. In een vraaggesprek zei hij dat hij tegen de stilte was, de stilte in de poëzie zou een cliché zijn. Dat is waar, maar juist de verstilde dichter die je achter Van der Vegt zijn werk vermoedde, leek in tegenspraak met de uitspraak.

Nu is er De zeilen van de aarde, zojuist verschenen. De dichter bedankt voorin een tijdschriftredacteur, Arjen Mulder van De Gids, en noemt achterin de literaire tijdschriften waarin de gedichten eerder verschenen. Dat zijn ze zo'n beetje allemaal, behalve nY, terwijl dat in het laatste nummer net weer nieuwe gedichten van Van der Vegt heeft. Het benadrukken van de tijdschriften is opvallend in een tijd dat de tijdschriften zo'n beetje onder vuur zijn komen te liggen. In de verantwoording schrijft Van der Vegt dat de opdrachten en tijdschriften divers waren, maar er toch iets gemeenschappelijks in de gedichten sloop - en dat de basis van de bundel vormde. En dat is het overduidelijk, want De zeilen van de aarde is een uiterst consistente bundel. Ik wilde bijna 'strak' schrijven, maar dat zou de versvorm verkeerd weergeven, want Van der Vegt is lange uiteenwaaierende gedichten blijven schrijven. Strak is op die vorm bij hem wel weer van toepassing in zijn geval. De zeilen van de aarde bevat een duidelijk verhaal. Han van der Vegt schrijft vanuit een idee, in de stijl van een sierlijke en gepassioneerde brief. Het is sciencefiction-poëzie, die bestaat uit een vertelling. Maar anders dan bij het ruimteschip in de vorige bundel gaat hij nu van de werkelijke aarde uit. Wat dat betreft blijft hij dichter bij J.G. Ballard, aan wie hij het motto ontleend, en dat is erg goed. Zijn stukken zijn technisch adequaat, het lijken een soort futuristische biologische studies. En daar kruipt soms iets archaïsch in: 'Met een houw van zijn zwaard/ kapte een van hen een oude plataan om die voor de zon stond.' Net als bij Holvoet-Hansen zijn het soms ver doorgevoerde sprookjes, lijkt de auteur meegesleept door zijn eigen vertelling. Het zijn parabels over de wereld, mythes. Een wij-figuur bouwt een hogere grond boven de wereld, op hoge palen. Ze laten de bewoners beneden 'bij ochtend en bij avond/ nog aanzienlijke stroken' zon. Toch proberen ze boven te komen, maar dat lukt niet. Al zouden ze hartelijk begroet worden. Tegenstellingen zijn geen vijanden in het werk van Han van der Vegt.

Halverwege de bundel is er een prozagedicht over de evolutie van de mens die de mens zelf in gang zet. Veel van de gedichten zijn experimenten, gedachte-exercities, laboratorisch uitgewerkte ideeën in taal, op de proef genomen en tot op de som in de tekst uitgewerkt. Opvallend zijn de drie 'Horizontale persoonlijkheden' over een volk op de bodem van een vulkaankrater dat leeft met zuigvlinders die zich op hun voorhoofd vastzetten en waarvan de kleur hun handelingen bepaalt. De onderzoekers die op hen stuiten dragen zonnebrillen, en de kraterbewoners denken dat dat ook vlinders zijn. De plot is hier jammer genoeg te sterk en dat blijkt een gevaar voor het gedicht. Ook het volgende, kortere gedicht verraadt een bewustzijn van de spreekstem over toekomstige evoluties van de mens:

 

Bericht aan latere generaties

 

Voor ons, moet u beseffen, was alles volledig anders.

Onze lichamen waren gebonden aan de zwaartekracht

die slechts met mechanische middelen te bestrijden viel.

Aan de voeten hadden wij nog eelt en bescherming nodig

en onze ruggenwervels versleten sneller dan ons hart.

Het denken speelde zich uitsluitend af in de hersenen,

omdat belangrijke delen van de rest van ons lichaam

het te druk hadden met spijsvertering en ademhaling

om hun hogere logica al te kunnen doen gelden.

Een bepaalde configuratie van de ledematen

die men als natuurlijk ervoer, hield de mode in haar ban.

Vergeet bovendien niet dat wij nog geen vrije wil hadden:

de materialen waaruit die vervaardigd kan worden

kenden wij nog niet en voor het ijken van zijn dimensies

was onze meetapparatuur nog onvoldoende verfijnd.

 

Het vergt een grote fantasie en voorstellingsvermogen, meer van de dichter dan van de lezer, omdat Han van der Vegt precies en overdacht zijn voorstellingen uitwerkt en formuleert. Je moet er alleen wel in mee willen gaan - maar dat is niet zo moeilijk en ook plezierig om te doen in De zeilen van de aarde. De gedichten zijn uiterst plastisch. Ze gaan van de materie uit, zelfs al raakt die vervormd. Pas op het eind van de bundel is het jammer dat de gedichten een gelijkmatig procédé kennen. Het maakt van de bundel een sterk geheel, maar Van der Vegt is zo'n vindingrijk dichter dat hij tot veel meer in staat is en je dat ook van hem verlangt. De wij-figuur in de gedichten in deze bundel zijn onderzoekers, fysici die het goed bedoelen, soms een beetje onbeholpen in hun oprechtheid. In een gedicht getiteld De nieuwe mens wordt overwogen of een epidemie niet tot verbetering leidt en ook dat staat in het teken van de evolutie:

 

Zo verving de bacterie ons brein in een week met bedrading

die ons lichaam nog onoverzienbare mogelijkheden bood:

de ogen konden van nu af los van elkaar opereren,

een hand hoefde niet meer te weten wat de andere deed.

De ziekte plaatste de persoonlijkheid op andere basis,

maar hoeveel angst sommige symptomen ons ook inboezemden,

we moesten erkennen dat niets wat hen anders maakte dan ons

hun voortbestaan als organisme in enige zin bedreigde,

en dat zij het leven beter leken aan te kunnen dan wij.

 

Het is sf pur sang, volslagen verzinsels, maar redelijk gebracht en op aannemelijke gegevens gestoeld. Han van der Vegt heeft overredingskracht ontwikkeld, een kostbaar goed voor een auteur. Als hij achter in de bundel een achtste continent laat ontstaan waar mensen de voor hun hinderlijke dieren laten leven, wil je weten hoe het verder gaat. Dan denk je, als het continent alleen overwoekerd is door bladeren, nee, ga nu verder! Zozeer heeft hij je als lezer verslaafd weten te maken aan zijn biologische observaties. Deze poëzie staat op zichzelf en volledig buiten zichzelf. Een dimensie in de toekomst wordt bekeken. Het is een 'lidloos oog' dat ons aanstaart 'met wijd open pupil/ die schichtig heen en weer stuiterde op zoek naar zijn onschuld'. Hij heeft het over robots die eerst 'stokten' en de 'wildste buitelingen' maakten, 'of begonnen zichzelf in delen uiteen te nemen'. In het volgende gedicht, dat zeer gelaagd is, lukt het de robots menselijkheid aan te meten en dat op een vriendelijke manier voor te wenden, zonder de doelmatigheid op te geven. Het is zo'n groot succes dat mensen die zonder robots besluiten te leven hen toch beginnen te missen. Wat volgt is nog een klein prozagedichtje, een 'Apotheose van de stem', die het lichaam verlaat 'als een vliesje' en dan bij de mis gestuwd door kaarsvlammen opstijgt en gaat reizen, eerst als 'nederigste van de gaasvleugeligen' en vervolgens het heelal in, voorbij de asteroïden, 'om verslag uit te brengen van haar wedervaren onder de mensen'. Han van der Vegt heeft zijn markantheid en zijn drift aangewend om sterke gedichten te maken. De zeilen van de aarde is een prettige hernieuwde kennismaking met een zeer uitzonderlijk, bijzonder dichter.

 

Kunstenfestival Watou 2010. Tussen taal en beeld. Verzamelde verhalen #02. 03.07.2010 - 05.09.2010. Dagelijks. www.watou2010.be. Tentoonstellingscahier WE publish, 176 blz., € 20,-.

Han van der Vegt, De zeilen van de aarde. Meulenhoff, 56 blz., € 17,95

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact