Deze rubriek verscheen op 23 september 2010 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

Plezier

Volgens de dichter Coleridge was het doel van poëzie het overbrengen van plezier. Hij beïnvloedde uiteenlopende dichters van Herman Gorter tot Nachoem M. Wijnberg. En van Paul van Ostaijen verscheen zojuist in de Perpetua-reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep een heruitgave van Bezette stad, tezamen in een band met de veelal vrolijke Nagelaten gedichten.

Plezier, het is niet het eerste waar je aan denkt als je de levensloop van Coleridge bekijkt. Zijn vader sterft als hij tien is, hij is veelal ziek. De acht jaar die erop volgen, leeft hij in een ziekenhuis. Tweemaal schrijft hij zich in bij het Jesus College in Cambridge, maar een diploma haalt hij er niet. Hij start een utopistische commune van twaalf koppels, de Pantisocracy, die zich in Amerika zou moeten vestigen en gebaseerd is op zelfbeheer. Maar het project strandt en zijn eigen beoogde huwelijkskandidate verlaat hem. Ook zijn latere huwelijk loopt op de klippen. Hij blijft ziekelijk, neemt opium tegen de pijn en raakt eraan verslaafd. Zijn vriendschap met William Wordsworth zit uiteindelijk zijn eigen dichterlijke carrière in de weg. Veelzeggend is de slotregel van zijn gedicht A Thought Suggested by a View: 'These things that reach the ground, how full of noise and riot'.

Maar volgens zijn Definition of Poetry uit 1818 is het onmiddellijke, directe doel van poëzie een zo onmiddellijk mogelijk overbrengen van plezier. Dat is het eigene van poëzie. Het gaat hem om die plezierige emotie, die bijzondere staat en mate van opwinding waarin de dichter geraakt als hij de compositie van het gedicht aan het maken is. Om in die staat te geraken moeten we een meer dan buitengewone sympathie opbrengen voor de objecten om ons heen, de gebeurtenissen en alle emoties die de dichter overvallen. Het vraagt - op dat moment - om een overgrote gevoeligheid, een zeer scherpe werking van de geest wat fantasie en verbeeldingskracht aangaat. Coleridge noemt het een snellere reflectie, die plezierige geestdrift die de dichter in staat stelt aanpassingen te maken en correcties door te voeren in zijn werk.

 

Nu voeg ik niet voor niets de woorden 'op dat moment' toe aan de samenvatting van zijn definitie. Coleridge's juichende verklaring gaat denk ik over het uiteindelijke schrijven, het neerzetten van letters, woorden, en het hernemen, verbeteren van woorden. Het aangename jeuken van de neusvleugels waarbij je weet: nu gaat het lukken! Het klinkt naar lyriek, en die is ruimschoots in zijn Selected Poems te vinden. Een zingende lyriek, die je ook aantreft bij Herman Gorter, in veel andere, lichtere en gevoeliger bewoordingen. Coleridge ziet poëzie niet als de antithese van proza, maar van wetenschap. Poëzie staat volgens hem tegenover wetenschap zoals proza tegenover metrum staat. In zijn tijd was waar het wetenschap aanging het woord 'plezier' nog te vervangen door het ellendige woordje 'waarheid'. Nu is die oppositie niet altijd even geldig en hedendaags. Kijk maar naar het volgende gedicht van Nachoem Wijnberg, uit zijn tweede bundel De voorstelling in de nachtclub:

 

Een vogel is zo georganiseerd dat het onnodig is

een onmeetbare substantie te veronderstellen

binnen zijn lichaam. Die na zijn dood overblijft.

Coleridge liep uiterst langzaam en sprak als dronken

over honderd onderwerpen voordat hij afscheid nam.

Hij hoopte dat de invloeden van filosofie en poëzie

elkaar niet zo zouden opheffen dat niets overbleef.

 

Nachoem Wijnberg schrijft veel. Voor hem is poëzie een dagdagelijkse bezigheid zich te verhouden tot taal en met die taal tot de ander of de wereld. Hij rangschikt bruikbare zinnen, gebruikt gedichten als denkexercities. Vanaf zijn derde bundel De expeditie naar Cathay bestaat zijn werk uit homogene boeken, dichtboeken zo je wilt. In latere bundels als Eerst dit dan dat en Liedjes is zijn taal soms schrijnend en hakt de directheid van zijn woorden er scherp in. Het is toch niet gezegd dat hij zich daarmee ontdoet van het plezier waarop Coleridge doelt: Wijnberg wil zichzelf verbeteren, raken.

De benaming 'dichtboek' leen ik van Chambre de roman fusible: een kamer voor een smeltende roman, zoals een van de titels van de Franse dichter Philippe Beck luidt. Beck werd in het Nederlands vertaald door Piet Joostens. Bij Druksel verscheen eerder de uitgave Élégies hé. Het is geen eenvoudig werk, het is uiterst dicht. Beck essayeert en becommentarieert in zijn gedichten. In zijn Leerdichten (Poésies didactiques) bedenkt hij dat didactische gedichten eigenlijk helemaal geen gedichten zijn. Leerdichten zijn nooit mooi of poëtisch. En dat wil Beck wel. 'Mensen raken graag gehecht/ aan de natuur/ want als verwende kinderen/ waren ze beducht voor hun vader/ en zochten onderdak/ bij wat moeder'. En: 'Weiden zijn onaangeraakt/ door de winden;/ niet beregend/ noch gekoeld onder een wit deken.' Beck draagt een fragment op aan de zangeres Björk, mompelt iets in een bijzin tussen haakjes over dat Proust weerstand biedt aan Gide - een beetje over de hoofden van de kinderen heen zoals Rushdie in een kinderboek ooit kraaien 'go-gol, go-gol' of 'kaf-ka, kaf-ka' liet roepen. Die ongerijmdheid is Philippe Beck eigen. Het leuke van zijn Leerdichten is dat die zo verstaanbaar zijn: 'De mensheid biedt vooruitgang/ in de opeenvolging,/ in quick, quick, slow,/ zoals het zwerversoog/ het pure, lichtende, gevoelige,/ fundamentele oog'. Je hoeft het niet met zijn stellingen eens te zijn om er iets aan te hebben, integendeel zelfs.

Philippe Beck vertaalde in 1989 - zeven jaar voor zijn debuut - twee teksten die beide verschenen in het tijdschrift Po&sie, de internationale speeltuin van letterenbaas Michel Deguy. Het waren twee filosofische teksten. Ervaring en armoede van Walter Benjamin en de Definition of Poetry van Samuel Taylor Coleridge. Dit was vlak voor de hausse aan Franse vertalingen van Benjamin die Parijs rond de milleniumwisseling overspoelde. Voor de 'Bibliothèque de philosophie' van Gallimard vertaalde Beck in 2002 The Friend en Lay Sermons.

 

Plezier. Als je niet aan het plezier van het schrijven alleen denkt, aan het eureka-gevoel of tekenfilmfiguur Wicky de Viking die zich met een vinger rond de neus wrijft als hij Een Idee krijgt, maar ook aan het plezier van het lezen, dan kom je uit bij Paul van Ostaijen. Plezier moet altijd een element zijn geweest in de gedichten van Van Ostaijen, de baanbrekende lyriek en de voor de Nederlandse taal ongekende wendingen en typografie. In de Nagelaten gedichten kom je daverend swingende passages tegen, zoals in Boere-charleston: 'boererozen boerewangen boerelongen/ boerelongen ballen wangen/ wangen ballen bekkens/ ballen bolle bekkens/ bugel en basson - o hop!' Ik denk meteen aan dada-vertolker Eddie Kagie, die met accordeonist Bolle John deze gedichten tot daverend theater wist te maken. Daverend theater zijn ze eigenlijk vanzelf al, zoals Polonaise:

 

Ik zag Cecilia komen

op een zomernacht

twee oren om te horen

twee ogen om te zien

twee handen om te grijpen

en verre vingers tien

         Ik zag Cecilia komen

         op een zomernacht

               aan haar rechterhand is Hansje

aan haar linkerhand is Grietje

      Hansje heeft een rozekransje

      Grietje een vergeet-mij-nietje

           de menseëter heeft ze niet gegeten

           ik heb ze niet vergeten

                  ei ei ik en gij

                  de ezel speelt schalmei

(...)

 

In de Nagelaten gedichten kom je bekendere gedichten tegen, als Marc groet 's morgens de dingen en Huldedicht aan Singer. Als men ziek is van de zee, gaat het zo: 'Er gaat zoveel water in de zee/ meent de sjimpansee'. De Nagelaten gedichten zijn in een band opnieuw uitgegeven met Bezette stad, Van Ostaijens typografische bundel uit 1921. 'Misschien wordt eens/ de nood zo groot/ alle dijken breken', eindigt die bundel. Het gedicht eenzame stad loopt woord voor woord omhoog: 'Nacht/ stad/ straat/ stil/ slechts/ wind/ gierende gek/ HOE-HOE'. En de afdeling 'Bar' opent met een bladzijde waar linksboven staat 'De bar is leeg' en rechtsonder 'en vol mensen'. Het is typografisch nooit geëvenaard, deze bundel, de letters verspringen van grootte, staan schuin en springen uit de letterkast.

In het nawoord van Bezette stad/Nagelaten gedichten, die verscheen in de Perpetua-reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep, schrijft Alfred Schaffer over Van Ostaijens 'liefde voor de autonomie en het ongedwongen karakter van taal, taal die ontroering en schoonheid teweeg kan brengen'. En plezier, wat mij betreft. Het boek is een hebbeding, ja, zonder tussen-n. Er staan ook gevoelige en ingetogen gedichten in die prachtig zijn. K. Michel nam eerder een strofe van Van Ostaijens gedicht Jong Landschap over in zijn bundel Waterstudies: 'Over de randen van mijn handen/ tasten mijn handen/ naar mijn andere handen/ onophoudelik'. En er is het volgende gedicht, zoals vaker in de bundel gebeurt eenvoudigweg gedicht getiteld:

 

Leg uw hoofd zo in mijn arm

dat van uw voorhoofd naar uw mond mijn blik schuive

over de kam van uw neus

Leg uw hoofd zo

Ik leg op uw mond mijn hand

                           Wees rust

 

 

 

 

Paul van Ostaijen, Bezette stad/Nagelaten gedichten. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 264 blz., € 21,95;

Samuel Taylor Coleridge, Selected Poems. Penguin Classics, 320 blz., $ 15.-;

Nachoem Wijnberg, Uit tien. Contact, 448 blz., € 45,-;

Philippe Beck, Hé élégieën. Druksel, 32 blz., € 15,-.

 

De geciteerde vertalingen uit Poésies didactiques van Philippe Beck verschenen in Yang, 39ste jaargang, nummer 1

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact