Deze rubriek verscheen op 6 oktober 2010 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

Gruis

Ontij heet de nieuwe dichtbundel van Anneke Brassinga. Dat is na Verschiet (2001) en IJsgang (2006) opnieuw een bondige titel. Eén woord dat alvast iets verklapt. Kort zijn de titels altijd geweest, zoals Landgoed (1989) en Huisraad (1998). Ze worden in de loop van de jaren krachtiger en meer geladen.

De nieuwe bundel opent met een reeks 'Fysica'. Het vierde gedicht luidt als volgt:

 

Als het verveloze raamkozijn

waarin ik zat bij stormen van muziek

allang vergaan is, ontbot tot groen gewas

laat mij dan zijn

één windvlaag en wat bomen die zingend

graag ontworteld raken.

 

Bomen, het is al vaak gesignaleerd, vormen een constante in het werk van Brassinga. Bomen zijn er om in te klimmen en boven in te gaan zitten broeden. Het lijkt een verregaande fascinatie van de dichter die neigt naar identificatie met die bomen. In Ontij staan op een pagina twee bomen getekend. Er klinkt de Brassinga die we kennen, vervoerd, lyrisch. 'Toen ik mijn oor legde aan je slapend hoofd/ zag ik in gedroomde velden jachtsneeuw vonken.' Tegelijkertijd is deze bundel opvallend strak en kent meerdere toonsoorten. 'vergeet de vergankelijkheid/ eet wat je ziet/ weet wat je vergeet'. Dat laatste is nogal een paradox en een sterke ook. De gebiedende wijs en strakheid van versregels zet door: 'eet het licht drink het/ als wijn tot het stroomt/ door je bloedsomloop'.

 

Er zit zoals altijd veel muziek in de poëzie van Anneke Brassinga. 'In het donker drommen kamelen/ draven ongezien en nergens heen/ door steden wit van natte sneeuw'. Ze zingt met binnenrijm en cadans betekenissen in de rondte. En ze schroomt niet die te doorspekken met humor. Zo spreekt ze van 'hoog opwaaiende/ zomerkurken'. Evengoed is haar werk aangrijpend, zoals in Echo:

 

Van buitenaf bewonder ik de landerijen

die zonder het te weten mijn domein zijn -

duisternis heerst er, en stomme natuur.
Men kan niet bijzichzelf verblijven dan

staand onder dat wezensvreemd bestuur.

Ach, leefde onder huid gevangen dier -

maar 'k ben het zelf die ziel verteert.

 

Anneke Brassinga weet bij momenten poëzie te schrijven die je kippenvel bezorgt. Enerzijds is haar werk klassiek, vroom haast. Anderzijds ontheiligt ze al het zware en lardeert het met beelden en uitspraken die alle vroomheid woest doorprikken. Toch zijn de komende regels tijdloos en ijzersterk:

 

Geloof van doodgevroren zwanen het licht

skelet, de pluimen mantel lieflijk

op de kale dijk, geloof

 

het pasgeboren schaapje, zwart en

nat van sneeuw en jammerend alsof wij

kwamen voor de slacht -

 

In de bundel klinkt even, net als in de vorige, een requiem voor een broer. Er zijn bevreemdend stellige regels, zoals: 'Geluk is een met zorg doodgeslagen vaars'. Er is de Anneke Brassinga die haar waarneming zo soepel in taal weet te gieten dat ze er een afbeelding van heeft gemaakt, als ze spreekt van 'beboterd door een gele straatlantaarn'. Midden in de bundel staat een 'Hommagecollage' voor L.Th. L., oftewel haar collega Louis Lehmann. De zes gedichten vormen een reis en verwijzen naar de scheepvaarten van Lehmann. En ook zie je zijn gestalte, als ze vraagt: 'vanwaar dat hinkende loopje,/ ben je gestrand op blinde klippen?' In het vierde gedicht uit de reeks staat een mooie definitie:

 

            Poëzie scheert langs alles

            omdat het enkel het betasten kent

            tijdens een val in het duister van haaienschubben en kreeftenscharen

 

'Ik ben geraamte in het diepst van mijn gedachten,' dicht Brassinga voor Lehmann aan het slot van haar reeks. Ze trapt 'zonneschijn aan duizend splinters.' In het mooie gedicht Graf begraaft ze een gedicht: 'nog voor de stem zich zou verheffen/ werd hij door overmacht gesmoord en woei/ wat was gedacht op eigen kracht in zich terug.'

 

Soms komt alles samen in haar bundel. Bomen, humor, de klassieke toonzetting en haar volledige gedrenktheid, ook als vertaler, in taal.'Stof heet het volgende gedicht:

 

Zo mooi is het om gedichten te schrijven

's nachts als de dagtaak af is en iedereen

die bij de Nederlandsche Bank werkt al slaapt;

het is donker, dat spreekt, en ook stil,

in mijn hoofd suist het van woorden, woorden,

mijn vingers zijn hard van de schrijfmasjien.

De versterker kreunt na: laatste zenders

geven gruis. Het is nacht, maar de bomen blijven

staan. Dat denk ik althans; en ik denk aan alles

dat plaatsvindt, tot stuiven de overhand neemt.

 

 

Anneke Brassinga, Ontij. De Bezige Bij, 64 blz., € 17,90

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact