Deze rubriek verscheen op 5 november 2010 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

Strapatsels

Erik Bindervoet publiceerde zijn zesde dichtbundel Het spook van de vrijheid. Is het niet een list, al die over elkaar buitelende humor waar zijn gedichten uit bestaan? En Max Kisman ontwierp een nieuw lettertype genaamd Tijd, op basis van 26 tekstjes van honderd woorden elk.

'Wat poëzie is/ weet ik alleen// Als ik poëzie lees/ of poëzie schrijf', schreef Harry Mulisch. Dat is zo, als je niet aan het lezen of aan het schrijven bent weet je dat helemaal niet en is het eigenlijk ook wel zo verstandig je dat gewoon niet af te vragen. Mulisch wist het even wel, dat wil zeggen de jaren dat hij gedichten schreef en publiceerde, van 1974 tot 1983. Het citaat komt uit de bundel De wijn is drinkbaar dankzij het glas en het hele gedicht, een leerdicht, is terug te vinden op Mulisch' pagina op de website www.dichterbijdebezigebij.nl. 'Wat poëzie is' (zoals het gedicht heet) wist Mulisch op dat moment angstvallig zeker: het gedicht is niet minder dan zeventien schermpagina's lang. Het zijn voornamelijk stellingen ('Het is het één/ dat in het ander schijnt') en metaforen ('is de gouden tong van het zwijgen'). Het is gevaarlijk, al dat weten. Toen ik eind jaren negentig bij de Bij kwam stond Mulisch vaak in de hal, op de hoek van de trap, naast het schilderij van hem met de pijp in de hand. Hij stond er pal naast, precies zoals hij op het schilderij stond: met de pijp in de hand. De laatste bijeenkomst was een nieuwjaarsreceptie in De Rode Hoed. Iedereen stond, maar voor Harry Mulisch was er een stoel, midden in de zaal. Tijdens de warme speech van Robbert Ammerlaan, waar Mulisch gewoontegetrouw altijd wel even genoemd wordt, probeerde hij telkens in die stoel omhoog te komen, zodat hij als zijn naam viel rechtop zou staan. Het lukte niet zo goed. Daarbij was het net het enige jaar in zijn schrijversbestaan dat er even niets aan de hand was, geen nieuw boek, geen prijs, geen oorkonde of vermelding - dus hij werd ook niet genoemd in het jaaroverzicht. En dat is het laatste beeld, dat magere broze lichaam dat een speech lang bezig is zich met man en macht aan een stoelleuning omhoog te hijsen en telkens terugvalt.

Tijd: zo heet een alfabet dat Max Kisman ontwierp en dat ook online beschikbaar is op www.hollandfonts.com. Kisman gaf 26 auteurs een letter en de ruimte om daar in honderd woorden iets over te schrijven. Zo is volgens Kees van Kooten die voor 'Eindeloos' koos dat een woord dat vroeger de betekenis had zoals later 'mieters' of 'cool' of nu 'chill'. Volgens de vormgever reageerde Adriaan van Dis (de V van 'Verloop') met een gedicht dat hij tijdens de uitnodiging ter plekke zat te typen toen hij met Kisman vanuit Jakarta aan het chatten was. Martin Bril leverde zijn allerlaatste tekstje en ging uit van 'Begeerte'. Kismans alfabet zijn afgeleiden van die teksten. De B is een brillenmontuur dat een figuur van de B-vorm van zijn beide ogen schuift. Bij 'Lijzig' (Wim Brands) laat Kisman de korte kant van de kapitale L onder de zon op zijn rug liggen. Kisman betrok als auteurs voornamelijk collega's van de afdeling Beeld en taal van de Rietveld Academie. Opvallend is dat Maria Barnas ('Oeverloos') de enige is die de spelregels negeert en niet een tekst van honderd maar van vier woorden inleverde. Eerlijk gezegd herken ik dat wel. Je wordt gevraagd ergens aan mee te doen, gaat daar een beetje op zitten of liever op lopen broeden, krijgt een idee en vergeet helemaal de kleine lettertjes, de details van de opdracht nog eens na te lezen. Het boekje Tijd is geproduceerd door de drukkerij Lenoirschuring. Om daar te komen moet je in Amsterdam zo'n beetje naar het eindpunt van metro 51, ergens achter Amstelveen. Pas op de weg terug van de presentatie van Tijd zag ik al bladerend dat iedereen behalve Barnas een tekst of gedicht van exact honderd woorden had ingeleverd. En ik was die voorwaarde ook vergeten! Ik kreeg de Z van Zeis toebedeeld en maakte daar liever Zetvorm van, door Kisman afgekort tot 'Zet'. Ik had net een gedicht over een Zetvorm voltooid en dat meteen ingestuurd. En terug in die tram, langs die bijna honderd haltes van Amstelveen, bleek dat gedicht precies honderd woorden. Toeval! Is dat nou poëzie?

 

Erik Bindervoet debuteerde in 1995 met Tijdelijk zelfportret met hoofd en plaatsbepaling, oranje. 'Iedereen is halfmens, halfcartoon' staat achter op die bundel lange gedichten. Hij werkt veelal samen met Robbert-Jan Henkes en treed met hem op als cabaretesk vertaalduo. De medewerkers van drukkerij Lenoirschuring waren ontstellend gelukkig met een nieuwjaarsgeschenk, een bijzondere uitgave alleen voor hen, van vernederlandsingen van songteksten door het duo. Ze vertaalden liedteksten van Bob Dylan en The Beatles in het Nederlands. Evengoed vertaalden ze wat het meest moeilijke maar volgens hen tegelijk het beste boek uit de literatuurgeschiedenis heet, Finnegans Wake van James Joyce. Het is vooral een denderende en zichzelf opjuttende humor die het duo iets daverends geeft. Kent u Henkes & Bindervoet? Aimez-vous Brahms? Verkoopt u ook worteltjestaart? Ja ja, ik volg hun strapatsels. Om een of andere drogreden heb ik altijd gedacht dat Robbert-Jan de grappenmaker van het stel was en Erik de ernstige. Maar dat is gezichtsbedrog, zo blijkt als je zijn poëzie leest.

Het spook van de vrijheid opent met de reeks 'Pessoa in het Vondelpark'. Het zijn korte gedichten die absurde en schrijnende situaties omschrijven. Een jongen kreeg bij de Verslavingszorg een doos lege appelmoespotten om weg te gooien: 'just go to the left and throw it away'. Maar hij zag niets om die potten in weg te gooien en bleef staan voor een café dat net als de hulpverlening 'de regenboog' heet: 'Met de doos in zijn handen/ En in z'n ogen de verbazing/ Van een prooidier'. Typerend is de zaak in het ootje willen nemen, met een regel als 'wij yahtzeeden op een bundel van Seamus Heaney'. 'Ook mooi' noemt de dichter plaatjes waarop Lucky Luke een sjekkie draait, het vloeitje scheurt en de tabak op de grond valt en iemand zegt '- Je bent ontroerd, Luke'. In het gedicht Monoloog voor park in aanbouw staan de volgende regels:

 

En zie een flamencodanseres zoeken

Naar een vingerkootje dat ze verloor

 

In het tweede deel van de bundel, 'Toonladder naar de maan' getiteld, klinkt een heel andere dichter. Het rijmt, het is lyrisch, het zijn geloof ik zelfs sonnetten:

 

Ze valt gelepeld naast me diep in slaap.

Ze ademt regelmatig in en uit,

Geliefde, minnares, vriendin en bruid.

Je volgt haar dromen als een wollig schaap

 

Dat zich een damhert waant van nieuw geluk

En chocola, een zinsbegoocheling

Die veilig, wakker in haar armen hing,

Maar niet voor deze blonde stoot, dit stuk

 

In bed, met beide benen van de grond.

Je kunt de lach wel zoenen op haar mond,

Je wil haar langzaam likken overal,

 

Haar bilspleet, oksels, lijf van top tot teen.

Helaas, het meisje slaapt, ze is ver heen,

Haar rug het laatste wat je voelen zal.

 

In de derde en laatste serie, 'Scènes uit een vorig leven' is Bindervoet veel verhalender. Het zijn lange, prozaïsche, gestapelde gedichten. En het is daarin dat Bindervoet tot zijn hoogtepunt komt. De gedichten vertellen over zijn aardrijkskundeleraar Alida Beekhuis, de gade van Louis Lehmann, over Buñuel, en het is die stiel, dat pratende, dat vertellende, die Bindervoet het meest eigen is. Zijn vorige bundel Voor altijd voor het eerst bestond uit honderd gedichten die de eeuw van 1900 tot 2000 beschreven. Honderd sonnetten die in fragmenten de geschiedenis uit de doeken doen, zo'n beetje als Harry ter Balkt maar dan minder burlesk. Bindervoet kan die dingen wel, hij is rijkelijk ervaren met vorm, ook als vertaler. Maar als dichter komt hij het best uit de verf als verteller, in lange verzen waarin hij de ruimte heeft om te buitelen, zijn grappen en grollen ten beste te geven en tegelijk meeslepend te vertellen, of het nou over een jeugdliefde of de vertaler August Willemsen gaat. Het is hier niet citeerbaar, een fragment zou het tekortdoen, de gedichten werken pas als je ze pagina's lang na elkaar doorleest. Het is poëzie die alle kolderieke toestanden in zich herbergt en toch de meligheid weet te ontstijgen. O ja, en er zitten allemaal knopen in de bundel, niet tekstueel maar letterlijk knopen zoals je die op een jas zet. En hij verscheen op dierendag.

 

Erik Bindervoet, Het spook van de vrijheid. De Harmonie, 88 blz., € 15,90

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact