Deze rubriek verscheen op 19 mei 2011 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

 

Dopen met laptop

Ineke Holzhaus publiceerde bij Azul Press haar tweede dichtbundel, Waar je was. En van Willem-Jan Otten verscheen Gerichte gedichten, gedichten met expliciete vragen omtrent het bestaan.

Ineke Holzhaus heeft haar achtergrond in het theater. Ze stelde de bloemlezing Ze kwamen om een dichter te zien (2009) samen uit geluidsmateriaal van Poetry International, het festival waar ze vaak vertalingen voorlas. Een jaar eerder debuteerde ze zelf als dichter met Een hond in Pompeï, bij de zieltogende uitgeverij Wagner & Van Santen, die een aantal mooie poëzievertalingen uitbracht. Holzhaus dicht veelvuldig over kunst. En nu is er Waar je was, bij Azur Press uit Maastricht.

Benen liggen 'ernstig' uit elkaar op een schilderij van Dirck Nab. Mooi begint de serie 'Opa Overloon', waarin de kinderen met stokken in een teil op water slaan terwijl de grootvader stil binnen zit. Deze poëzie legt uit: de moeder van de ik-figuur bewondert hem. Er wordt een geschiedenis verteld. 'Een vader en een dichter leerden boerenjongens schrijven in de zon.'

Ineke Holzhaus is meer op dreef in series dan in de losse gedichten. 'Elektra' vertelt in 21 gedichten een tragedie na en brengt die naar het heden: 'Zo kort, vroeg de kapper, ja maar dat ik er nog/ aan trekken kan, mooi zei de kapper dat doen we.' Een gedicht waarin tweemaal een briefje wordt gevonden in een plastic zakje is aardig, maar vertelt niet meer dan dat. Toch is er ook een los gedicht dat de moeite waard is, zoals Man en hond op balkon:

 

zien uit op een einder

binnen krullen gesmeed ijzer

 

hun neuzen bespeuren tuinen

parken, stegen vol regen

 

is dit een wolvenstad

ze hoeden de avond

hoor ik roep ze, een armlengte diep

 

ze geven signaal in hun luchtdun ei

snuiven asfalt, huisvuil, geraas

achter luiken gemurmel

uit gastenkamers

 

kreten op zee, strandstoelen

zout, ik wuif

 

naar de man met de hond

gekaderd op het balkon

 

en daar vaart weg wat me lief is

tweekoppig, rechtopstaand, op reis.

 

 

Willem-Jan Otten schreef een bundel die bestaat uit heel expliciete gedichten, Gerichte gedichten genoemd. Op het eerste gezicht lijken die gedichten plechtstatig, maar dat is niet de goede aanduiding, want ondanks de vrome taal blijkt er niets plechtigs of statig aan deze gedichten. 'ik net zo onbedaarlijk vrij/ als tussen laatste ruk/ en kreunend klaar', staat er al aan het begin van de bundel. Een postduif wordt opgeworpen, eenmaal met de til in zicht 'wordt zijn vermoeden zekerheid'. Otten houdt het niet bij het beeld, koerst af op de betekenis van zijn metafoor: 'hij koert zijn vlucht/ tot poëzie, het hortend liedje van/ heb ik terecht bestaan'. Waar de duif voor staat wordt uitgeschreven: 'de zendbrief die u aan u zelf verstuurt'.

Ergens niet aan toegeven, dat komt vaker voor in deze bundel. Bewondering voor een niet op te helderen vertrouwen, zoals die van een vrouw die weet dat ze een kind wil. 'Wind heeft ons niet verlaten/ als geen blad beweegt.' Net als Holzhaus brengt hij in een gedicht een familiesaga boven. Een oom van hem kruipt bij zijn moeder in bed en wil dat hij haar leert bidden, tijdens de nacht voor de dag dat de jongens van elf en ouder het vrouwenkamp moesten verlaten. Gebeden werd er niet in de familie, en toch wilde de jongen het. Hij wilde de woorden weten, of zoals de gelovige dichter schrijft 'uw' woorden. 'Twaalf zinnen onder elkaar./ Hij wist dat zijn moeder ze kende/ als het stratenplan van Atlantis.' Hij prevelde die woorden toen hij de volgende dag in een open vrachtwagen verdween. Het gaat Willem-Jan Otten om het vinden van die woorden. 'Draagt vlucht/ plant voort plant woord voor woord.'

Als de vrouw met een zo niet op te helderen vertrouwen een kind wil, schrijft hij: 'Raar, dat lidwoord, hoeveel kinderen/ konden er wel niet in een kind.' Zijn gedichten bevatten expliciete vragen naar het bestaan, de geboorte, en God natuurlijk. 'Hoeveel weet ik van u', schrijft hij. En: 'Waarom ken ik u niet'. 'Niet te tutoyeren bent u: Heer/ der open klinkers, afgeladen/ stadion vol stille oren,/ popelend naar de al gekende yell.' Er lijkt wel degelijk sprake van een ontmoeting. Als de spreker zijn vader naar het museum brengt waar een schilderij hangt (het koppetje van Mankes) dat zijn grootvader heeft toebehoord en dat verkocht is bij wijze van pensioen. Op de terugweg moet de spreker op de weg letten in het onweer en is er geen gesprek, er is gebrek aan het ene woord dat het op gang brengt. De spreker ligt de nacht erna in bed, ongerust over zijn zoon die de stad in is en zijn vader die mogelijk sterft, en net als hij het bedlampje uit knipt is daar de aanwezigheid in de tuin, ongemerkt, naast 'het snuiven/ van de egel bij het kattenluik'. Die aanwezigheid zegt tegen de vader: blijf nog even morgen en tegen de spreker: kom jij op het ene woord.

Er is nog een dergelijke ervaring. De ik-figuur laat vroeg zijn hond uit op het duin. Hij stelt zich God voor aan de branding, laptop op schoot, voor wie zonen aanspoelen die aan zijn voeten worden gelegd, 'zonder papieren, overdekt met zeepok'. Willem-Jan Otten is niet plechtstatig, hij dicht huiveringwekkend direct:

 

'U raakt ze aan. U noemt ze bij hun ware naam. Ze rillen als honden het water los.

U mailt naar al hun nabestaanden zwart op wit de tijding van hun nabestaan.'

 

Ineke Holzhaus, Waar je was. Azul Press, 80 blz., € 15,-

Willem-Jan Otten, Gerichte gedichten. Van Oorschot, 56 blz., € 14,50

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact