Deze rubriek verscheen op 5 juni 2011 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

Poetry (2) / Vertalingen (2)

Weet-je-wat ze de eerste elf jaar van de 21ste eeuw aan het doen waren? Ze waren de-héle-tijd canons aan het verzinnen! De belangrijkste honderd dit, de beste honderd dat. Het leek voortdurend komkommertijd: iedereen speelde ik ga op reis en ik neem mee. Alsof er op een onbewoond eiland geen plantje meer zou kunnen groeien. Mogelijk was men bezorgd dat archivering en digitalisering zouden mislukken, wilde men koste wat kost het aller- maar dan ook allerbeste in het hoofd stampen. Cultuurmakers waren telkens aan het bepalen wat van waarde was om te behouden. Mogelijk dachten ze ermee goed in de media te komen, een groter publiek aan te spreken. Mogelijk was het gewoon doemdenken, een poging tot verweer tegen de verschraling die plaatsvond. Mogelijk kwamen ze de schok van een millenniumwisseling niet te boven en voelden ze zich geroepen die te boekstaven.

Als er iemand de canon vertegenwoordigt, dan is het wel Paul Claes. Hij vertaalde onder anderen T.S. Eliot. Hij is ontstellend sterk en inventief in vormvaste vertalingen. De door hem vertaalde bloemlezing De tuin van de Franse poëzie: Een canon in 100 gedichten is niet ruim honderd pagina's dik, maar liefst 440. En toch is het een toegankelijk werk. Iedere dichter krijgt een korte biografie, een typering van het werk, een bibliografie en commentaar. Een klassiek of emblematisch gedicht, in enkele gevallen iets meer. Het is eerder een encyclopedie dan een bloemlezing.

In de inleiding gebruikt Claes voor de Franse poëzie het beeld van een tuin. De rozentuin van de Middeleeuwen, met de hymnen, de epiek, de galanterieën, minnezangen en kluchten. Het 'herfsttij' van de Middeleeuwen noemt hij de vormkunst van de Rederijkers. Tijdens de Renaissance is volgens Claes de tuin een boomgaard, in de klassieke tijd een siertuin. De achttiende eeuw is een wintertuin en de negentiende een tovertuin. De twintigste eeuw tot slot is een dwaaltuin. Dichters problematiseren het dichten zelf. Volgens Barthes is de moderne poëzie niet langer een spreken dat de mens verbindt met andere mensen. Claes spreekt tot slot van een woekertuin.

En dat laatste is niet zijn ding, dat is duidelijk. Tijdens uitwisselingen tussen Franse en Nederlandse dichters aan het eind van diezelfde twintigste eeuw viel het me op dat de Batavieren poëzie nog steeds ergens als een vorm van communicatie zagen en de Galliciërs als het tegendeel. Dat ze poëzie juist aanwendden om weerstand tegen de wereld te zoeken. Henk Pröpper heeft dergelijke bijeenkomsten in zijn in Optima verschenen Parijs journaal de grootste cultuurbotsing denkbaar genoemd. Gelukkig maar dat er nog een land tussen ligt.

 

De Belg Paul Claes schetst een voorbeeldige geschiedenis van de Franse poëzie. Als je achteraan begint - wat ik voor ik besprak altijd met dichtbundels deed, nadien alleen met chronologische bloemlezingen - lijkt op het eerste gezicht de keuze veilig. De jongste dichter is Boris Vian (1920-1959), eerder bekend als romancier. Nu is het lied De déserteur een prachtige brief aan Monsieur le Président. 'Ik zal geen wapens dragen/ dus kogel mij maar neer.' Claes vermeldt dat het een protestlied betreft tegen de Franse koloniale oorlog in Indochina en zo een voorloper (het gedicht is gedateerd 15 februari 1953) van de songs tegen de Vietnam-oorlog. Ontroerend, onomwonden, en toch is elf eeuwen Franse poëzie besluiten met een rijmende brief ergens een ontkenning van de ontwikkeling van de Franse poëzie.

Nu is het contemporaine ook allerminst eenvoudig. Het gaat Claes bovendien om de canon, oftewel de Klassieken. René Char afdoen met drie regels in zo'n vuistdik boek lijkt choquerend. Hoe meer ik terugblader, hoe meer begrip ik krijg voor de keuze. Paul Claes heeft de neiging te rubriceren. Iedere dichter krijgt een etiket: modernist, surrealist, symbolist of decadent. Hij heeft in verhouding tot de beperkte ruimte voor biografische gegevens veel ruimte voor drugs, drank, buitenechtelijke relaties en andere ellende, als is het om het clichébeeld van de dichter te bevestigen. Opvallend regelmatig wordt de begraafplaats van de dichter vermeldt, vaak met een kleurrijk detail. Alleen in het geval van Robert Desnos ('Een god mag hagelbuien houwen op mijn graf!') mis ik even een ander gedicht dat ik me als klassieker herinner dan het gedicht dat Claes koos. Mooi is dat hij boven zijn inleiding telkens een klein tweetalig citaat uit het werk haalt om het oeuvre te illustreren.

Henri Michaux een postsurrealist noemen is aanvechtbaar: hij leefde en schreef niet per se later dan de surrealisten. In mijn beleving stond hij eerder naast de surrealisten dan dat hij erna kwam. Ook heb ik Plume nooit gelezen als alter ego van de schrijver, eerder als 'Meneer'. Als je maar één gedicht opneemt uit zo'n gigantisch oeuvre, wat kies je dan? Dat Claes voor een vers kiest en niet een prozagedicht is bij Michaux niet bepaald emblematisch. Hetzelfde geldt voor Francis Ponge.

Er zijn niet al te veel dichters die Claes twee gedichten geeft. Paul Valéry en natuurlijk de symbolisten, Baudelaire, Mallarmé en Verlaine. Arthur Rimbaud krijgt er als enige van twaalf eeuwen Franse poëzie drie. Naast het integrale De dronken boot en de Vocalen een vroeg gedicht, De slaper in het dal, door Claes becommentarieerd als 'een antimilitaristisch anthologiestukje van een voorlijke adolescent':

 

Een plek vol groen waar een rivier door zingt

Die 't kruid met flarden zilver onbesuisd

Bespat; vanaf het fier gebergte blinkt

De zon: een klein dal dat van stralen bruist.

 

Een jong soldaat, blootshoofds, met open mond,

De nek in blauwe kers gedompeld, ligt

In openlucht te slapen op de grond,

Bleek in zijn groene bed vol plenzend licht.

 

Zijn voeten in het lis, zo slaapt hij. Zwakjes

Lachend zoals een ziek kind, soest hij zachtjes:

Natuur, wieg hem vol warmte: kou heeft hij.

 

De geuren doen zijn neusvleugels niet trillen;

Hij slaapt in de zon, één hand op zijn stille

Borst, rechts twee rode gaten in de zij.

 

Een markante tussenfiguur is de dichter Charles Cros, die naar verluidt ook de miskende uitvinder van de kleurenfotografie en de fonograaf is. In de tijd van de decadenten maakte hij opvallend speelse poëzie: 'Er was eens een grote witte muur - kaal, kaal, kaal,/ Tegen de muur stond een ladder - hoog, hoog, hoog,/ En op de grond lag een bokking - droog droog droog.' Ook twee gedichten zijn er voor Théophile Gautier, die geïmiteerd is door Pound en Eliot en model stond voor de l'art pour l'art van Oscar Wilde. 'Ja, kunst is pas volkomen/ Als vormen de natuur/ Betomen'. De zwaan komt prominent bij Mallarmé voor en ook bij Gautier, vastgevroren in de vijver van de Tuilerieën. Ook Alfred de Musset, het enfant terrible van de Romantiek, krijgt er twee, net als Gerard de Nerval en Victor Hugo.

Van Voltaire is er een kleine, venijnige polemiek: 'Onlangs, in een verlaten dal,/ Kreeg Jean Fréron een addersteek./ Wat bleek vervolgens het geval?/ Het was de adder die bezweek.' François de Malherbe, de classicistische dichter die niet meer dan honderd gedichten schreef, wordt eerder een noeste werker genoemd dan een natuurtalent. De Pléiade is vernoemd naar een groep van zeven dichters die in de zestiende eeuw de Franse poëzie wilde vernieuwen. Hun leider Pierre de Ronsard krijgt ook twee gedichten, net als de Renaissance-dichteres Louise Labé. Ook de beroemde boekbinder, drukker en uitgever Plantijn bleek een Frans dichter. Uit de late Middeleeuwen is er Clément Marot: 'Fijn Tietje, witter dan een ei,/ Kraakvers als nieuw satijn ben jij'. Ook François Villon krijgt er twee.

 

Fransman Henri Deluy, die Nederland goed kent en weinig op heeft met Vasalis en Ida Gerhardt, beweert dat de betere Nederlandse dichters na de Vijftigers vrouw zijn: Gerlach, Brassinga, Jansma. Daarmee wordt er volgens hem iets rechtgezet. In Frankrijk tref je juist in vroegere eeuwen dichteressen aan. Er is Christine de Pisan, de eerste dichteres die van haar pen leefde en omstreeks 1430 stierf. Er is nog eerder de troubadour Comtessa de Dia. En er is Marceline Desbordes-Valmore, wier werk van invloed was op Hélène Swarth. Opgenomen is De rozen van Sa'di, naar een verhaal dat ook Leopold inspireerde:

 

Vanmorgen wilde ik met rozen bij je komen,

Maar in mijn schoot had ik er zoveel meegenomen

Dat mijn te strak gespannen gordel openging.

 

De knopen sprongen los. De rozen gingen zweven

En werden alle door de wind naar zee gedreven,

Waar op het water voor altijd hun vlucht verging.

 

De golven kleurden rood, zodat het vlammen leken.

Vanavond blijft de bloemengeur mijn kleed doorweken...

Ruik hier op mij de geurige herinnering!

 

Canons, ik heb er niet veel mee, en als ik al ergens in thuis ben is het vooral de poëzie na Boris Vian. Maar ik ben blij dat ik De tuin van de Franse poëzie van Paul Claes in huis heb. Het is een uiterst bruikbaar en gedegen werk en ik zal het vaak uit de kast halen. Het boek is verwant aan de eerder gesignaleerde bloemlezing van 150 gedichten uit het Spaans, die bij dezelfde uitgeverij verscheen.

 

 

We moeten niet de indruk krijgen dat 'Poetry International (weer) een politiek festival is'. Zoveel stelt directeur Bas Kwakman in het voorwoord van de festivalbloemlezing Orde & Chaos. De indruk kan natuurlijk in weerwil van het festival ontstaan, vanwege het ongelukkige klimaat. Kwakman citeert Szymborska: 'Wij zijn kinderen van onze tijd/ en onze tijd is politiek.' Met '(weer)' refereert hij mogelijk aan de eerste directeur, Martin Mooij, die Poetry het festival van de menselijke stem noemde. Ook lijkt zijn voorbehoud een voorbode van wat komt.

Orde & Chaos opent met het essay 'Een onophoudelijk knorrende maag', geschreven door programmeur Marc Kregting. Het is een rondgang langs manifestatie, Badiou, de angst voor moslims, de ramp in Japan, de kredietcrisis, de Tea Party, globalisering, et cetera. Het handelt letterlijk en expliciet over chaos en orde in de wereld. Het moet gezegd dat Kregting het stuk telkens terug weet te brengen tot poëzie, middels citaten van dichters die eerder op het festival stonden. Citaten die niet eens zo ver buiten zijn betoog vallen. Kregting noemde zichzelf toen hij vorig jaar als dichter op Poetry te gast was in gesprek met VPRO's De Avonden eerder iemand die bruggen opblies dan een bruggenbouwer. Poetry Rotterdam is in de ogen van kleinere poëziefestivals in andere landen voornamelijk een canoniserend festival, het is groot en mondiaal van betekenis. Troef is dat Rotterdam zich verre houdt van plichtmatige uitwisselingen en zelfstandig en autonoom de dichters van het festival selecteert.

Kregting staat bekend als een polemisch essayist. In zijn essays zit altijd wel een uitval. In zijn nieuwe rol van essayerend programmeur van Poetry kan ik die vooralsnog niet vinden, of het moet een polemiek met de maatschappij in zijn geheel zijn. In elk geval doorbreekt de keuze voor hem als programmeur de lijn van de laatste jaren van Poetry. Dat kan voorzienigheid zijn. Militanten gedijen beter in een cultuur die onder druk staat. Onlangs  noemde Jasper Henderson in zijn in memoriam voor het redacteurschap Marc Kregting een vroege klokkenluider. Kregting werkte niet alleen bij Meulenhoff, ook bij de kleinere uitgeverij Vantilt. Volgens Bertram Mourits  stelt Kregting in zijn pamflet Zij zijn niet van Jeremiah 'een ouderwetse, idealistische en allerminst commerciële bedrijfsvoering voor' die Mourits voor de uitgeverij onrealistisch noemt. Kregting leek juist nadien zijn draai gevonden te hebben als redactiesecretaris van het tijdschrift Streven.

Of Kregting als programmeur het festival ingrijpend zal veranderen, valt op basis van het materiaal nog niet goed te overzien. De catalogus neemt van alle twintig dichters die dit jaar te gast zijn maar één gedicht op, wat een terloopse indruk geeft. Hier en daar begint iets dat op tamelijk expliciet engagement lijkt - de gedichten zijn waarschijnlijk met het oog op het thema geselecteerd. Daartegenover is er een serie gedichten van Robert Hass, in vertaling van H.C. ten Berge, bij de Abstrakte Bilder van Gerhard Richter. Er is uit Montréal Erín Moure, die onder anderen Nicole Brossard uit het Frans in het Engels vertaalt. Troef van de catalogus is dat net als vorig jaar gedichten van eerdere edities zijn toegevoegd die bij het thema aansluiten. Dat maakt Chaos & Orde rijker dan alleen maar een catalogus van een festival.

Dichters laten zich aankondigen met kleine pakkende citaten uit hun werk van twee regels. Dat bedacht directrice Tatjana Daan in 1997 en dat bedenkt het huidige Poetry opnieuw. Citaten kunnen ook zo pakkend op zichzelf zijn dat ze geen indruk meer geven van de rest van het gedicht. Op het programma staat een themaspecial over conventies getiteld 'Volgens de regels'. Een andere themaspecial, 'Poëtica van de overmoed. Burgers, multinationals en neuroten', doet denken aan een parodie op een sterk gepolitiseerd festival. De gebruikelijke parade waarbij alle dichters van het festival een gedicht voorlezen, heeft deze keer een titel die geïnspireerd is op Admiel Kosman, 'Parade van de poëzieautoriteiten'. Aantrekkelijk is de keuze voor themaprogramma's rond Roberto Juarroz en Bertolt Brecht.

Als je de bloemlezing Chaos & Orde naast de programmakrant legt die deze week als bijlage van de VPRO-gids is verschenen, heb je het idee dat er twee verschillende festivals worden aangekondigd. In de krant staan vlotte en journalistieke stukken van Tjitske Mussche en van Wim Brands over het leven van dichteres Gertrude Starink. Willem Jan Otten noemt er 'poëzie lezen om te beginnen een kwestie van oogwenken. De liefde gaat voor het begrip uit, "het" is altijd al gebeurd voor je er erg in hebt.' Hij haalt Les Murray aan, volgens wie religies grote gedichten zijn en een gedicht 'een kleine religie' is.

De programmakrant en de catalogus, het lijken twee bewegingen. Het festival wordt toegankelijker gemaakt voor een breder publiek en tegelijkertijd militanter wat de programmering betreft. Het zegt niet alles. Er is ook een film over Szymborska en dichters lezen voor in Diergaarde Blijdorp. Mogelijk heeft het festival een jaar of twee nodig om een nieuwe vorm te vinden. Tussentijds lijkt het alsof er tegelijkertijd aan de voorpoten en de achterpoten van een en hetzelfde paard wordt getrokken. Alles best, zolang het mooiste festival ter wereld er maar niet aan kapotgaat.

De tuin in de Franse poëzie: Een canon in 100 gedichten. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 440 blz., € 32,50

 

Poetry International 2011 - Chaos & Orde. Stichting Poetry International, 142 blz., € 15,- http://www.poetry.nl/read/bestellen-bloemlezing-chaos--orde?submenu=3251

 

Poetry International, Rotterdamse Schouwburg, 14 t/m 19 juni. www.poetry.nl

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact