Deze rubriek verscheen op 30 juni 2011 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

Jeroen Mettes (1)

Bij de Wereldbibliotheek verscheen het Nagelaten werk van Jeroen Mettes. Niet eerder verscheen er werk van hem in boekvorm en nu zijn er meteen een ruime zeshonderd pagina's, uitgegeven in twee delen. In het ene deel Weerstandsbeleid is een groot deel van zijn blog Poëzienotities opgenomen, aangevuld met essays over Robert Creeley, Arjen Duinker en Dirk van Bastelaere en een poëtica. In het tweede deel, N30+, debuteert hij postuum als dichter.

In Een korte wandeling door de heuvels (1994) laat Chris Keulemans het Concertgebouw aan het Museumplein bestormd worden door neonazi's. Ze beklimmen de gevel, slopen het gebouw. Bij stichting Perdu in de Kerkstraat laat hij dissidenten onderduiken, op stapelbedden logeren. Op het eind vaart hij met een bootje de Amstel af terwijl Amsterdam in brand staat. Keulemans vertelde in een interview dat hij het boek geschreven heeft vanuit het sentiment iets af te stoten dat hij had opgericht: datzelfde Perdu. Ongetwijfeld spelen zijn ervaringen in voormalig Joegoslavië mee in het boek. Het was in die tijd ongekend een dergelijke voorstelling op Amsterdam te projecteren, een vorm van sciencefiction waarin rechts zich tegen de cultuur richtte. Het is een mooi moment om dat boek te herlezen. Laurens Ham stelt in een essay in het laatste nummer van Parmentier een relevant onderwerp aan de orde: de receptie van een boek naar gelang het engagement van de tijd. Nu is dat bij een dichter als Mark Insingel wat duidelijker zichtbaar dan bij Robert Anker, wiens woeste bundel Gemraad slasser ddt naar mijn mening niet eerder in zijn carrière geschreven had kunnen worden en wel degelijk iets van de tijd weergeeft. Maar dat terzijde.

Ik moet aan Keulemans' novelle denken als ik Jeroen Mettes lees. De associatie is niet helemaal logisch, maar je zou ook Mettes' perspectief voorspellend kunnen noemen. Mettes is werelds, politiek. Ik ben benieuwd hoe hij op dit moment zou schrijven als hij nog leefde. Hij opent zijn blog op 29 juli 2005 met de volgende woorden: 'Ik heb de Nederlandse poëzie lang genoeg (half-) genegeerd. Alles wat afschuwelijk is, ik bedoel hier, of aan dit land, is me altijd voorgekomen als gesublimeerd in deze poëzie.' Mettes begint de volgende dag iets tegen dat negeren te doen. Van zijn schamele inkomen als aio koopt hij bundels bij de Haagse boekhandel Verwijs. Al is hij wetenschapper, hij begint precies zoals de autodidact in een boek van Sartre, namelijk vooraan bij de A. Mettes wil systematisch de hele plank afwerken. Iedere bundel die hij koopt bespreekt hij. Dikwijls waarschuwt hij dat het geen gewone besprekingen zijn, absoluut geen recensies. Hij bepaalt openlijk uitgeschreven de spelregels van zijn lezen per bundel, hij geeft inzicht in zijn overwegingen. Jan Willem-Anker, een exacte leeftijdgenoot van Mettes en ook literatuurwetenschapper, komt er een stuk beter van af dan Anne van Amstel , die Mettes de dag ervoor las. Anker zit op dat moment bij De Bezige Bij en Van Amstel bij Voetnoot. Mettes moet er even aan wennen dat de betere poëzie niet per se bij kleinere uitgeverijen zit zoals in veel andere landen het geval is.

 

Mettes is erudiet (ook in filosofie), scherp, en ook humeurig. Als hij bij Tsead Bruinja aankomt is hij kwaad. Het is inmiddels september 2005. De orkaan Katrina is aan de gang. De voor een groot deel zwarte bevolking van New Orleans is opgevangen in de Astrodome. Mettes stuit op een opmerking van first lady Barbara Bush dat de mensen 'maar boffen met het gastvrije Texas, want "[they] were underprivileged anyway"'. En hij is woedend. Bruinja krijgt er flink van langs. Liever behangt Mettes de kamer van 'de goede smaak' met foto's van lijken, dan met gedichten van 'de gedomesticeerde Lucebert', zoals hij Bruinja noemt. Tekenend is dat hij een dag later, enigszins bedaard, op de bundel Batterij terugkomt en dan wel op een gedicht zelf ingaat.

'Haat kan productief zijn', schrijft Jeroen Mettes. Dat doet me denken aan Mark Stewart (Anger is Holy) of Hans Groenewegen, die bij de presentatie van de postuum uitgegeven essays van Rein Bloem opmerkte dat we ons door onze ergernissen leren kennen. Die ergernissen zijn uiteindelijk bij Mettes toch eerder politiek: ergens (ik heb niet kunnen terugvinden waar) noemt hij zichzelf een tegenpool van Wilders, even ontvlambaar en onredelijk, maar dan van de andere kant. De samenstellers van het werk hebben niet alles van het blog in het boek gezet, ook niet de comments. De hyperlinks, die er in druk altijd een beetje cryptisch uitzien, zijn vervangen door omschrijvingen. Op plekken waar een video stond, staat een symbool van een schaartje dat 'cut' lijkt aan te duiden. Zo merkte Jeroen Mettes op 30 augustus 2005 op dat de dichtersportretten [http://www.kb.nl/dichters/index.html] van de Koninklijke Bibliotheek misschien beter niet door een aantal bibliothecarissen (overigens onder leiding van Paul van Cappellenveen, tussen twee haakjes zelf ook dichter) maar door Hans Groenewegen geschreven zouden moeten worden. Dat leek me indertijd al een treffende suggestie. Als Mettes zich erover opwindt dat Maria Barnas les 'mag' geven aan een nieuwe schrijfafdeling van de Rietveld slaat hij wel de plank mis. Ik heb mogen meemaken dat je studenten daarmee een groot plezier doet, evengoed als die een experimenteel soort poëzie schrijven. Als Mettes naar de toen nog niet lang opgerichte Contrabas verwees, had hij het treffend over de 'middelmatigheidmilities'. Wel stond het blog boven aan zijn lijstje links.

Mettes was een outsider. Maar niet zo'n outsider dat hij met die net aangeschafte bundels alleen met een flesje cola-light in de Hema zat en de rest van de wereld hem maar liet verpieteren, zoals Huub Beurskens aanvankelijk vermoedde. Mettes werd opgenomen in de redactie van Yang, medewerker van Parmentier en had via de universiteit contact met Frans Willem Korsten, een van de samenstellers van dit Nagelaten werk. Via internet beleefde hij een voor zijn werk belangrijke vriendschap met componist en dichter Samuel Vriezen. Zijn blog werd in 2005 en 2006 druk geraadpleegd en heeft onmiskenbaar zijn stempel op internetkritiek gedrukt. Onnavolgbaar en eigengereid als hij was, heeft hij wel degelijk iets tot stand gebracht. Hoe vluchtig hij een bundel ook tot zich nam, hij bleef altijd alert en spitsvondig. Hij was niet alleen belezen, hij had ook een grote intuïtie.

 

Mettes was in zekere zin mijn tegenpool. Ik wil nooit een bundel bespreken die ik niet van kaft tot kaft gelezen heb en probeer mijn humeurigheid zo veel als mogelijk buitenspel te zetten, waar ik natuurlijk niet altijd in slaag. Toch is er een moment geweest dat we elkaar raakten. Op 6 september 2005 schrok ik wakker uit een dagen durende vertaalsessie met de dichter Éric Suchère, die ik hielp de eerste twee bundels van Hans Faverey in het Frans te vertalen. Het nieuws van de orkaan in New Orleans sloeg in als een bom. Fox vertoonde een filmpje waarop te zien was hoe twee journalisten in het Astrodome waren blijven steken en er baby's naast stervende mensen aantroffen. De anchorman in de studio geloofde hen niet, hulp was onderweg en hij riep: 'Give me some perspective.' 'This is perspective', riep een van de journalisten. Springer graaide een huilende baby uit de armen van de moeder en toonde die voor de camera. De woede van Mettes, they were underpriviliged anyway, was meer dan voorstelbaar. Ik hield een lezing over Mettes, 'De mythe van de verdichting' en correspondeerde kort met hem over het oprichten van een Nederlandse Jacket [http://jacketmagazine.com/00/home.shtml].

De zelfmoord van Jeroen Mettes een jaar later raakte me ook om een andere reden. Mettes was de achtste in een reeks van zelfmoorden van jongere getalenteerde muzikanten, kunstenaars en schrijvers die in Den Haag woonachtig waren (waarvan er een, Menno Assies, als twee druppels water op Samuel Vriezen leek, reden dat ik vaak niet van zijn hoed af kon blijven). Samensteller Piet Joosten drukte me eerder op het hart dat dit weinig verband kon hebben: Jeroen Mettes had niet veel op met die stad. En toch herken in dit boek iets van dezelfde zelfkant, de desillusie, het soms snoeiharde cynisme, die ik er vroeger ook bij de stichting Maldoror meemaakte. Een stad zegt niet alles over het karakter van een individu en Mettes was wat literatuur betreft tien keer zo begaafd en geleerd als de andere slachtoffers, ook al is hij met zijn alfabet niet verder dan de G gekomen. Het gebrek aan uitzicht op een bestaan als kunstenaar - ook ruim voor de huidige bezuinigingen - is in Den Haag evenwel tekenend.

Twee jaar later vroeg iemand anders me om over het oprichten van een Nederlandse Jacket na te denken - en dat was Arnoud van Adrichem. Behalve mij vond hij Erik Spinoy bereid. Toen voor het idee de redactie van Yang werd benaderd, bleek daar al een plan te liggen voor een website, www.literairekritieken.eu genaamd, opgesteld door Geert Buelens, Piet Joostens en Marc Reugebrink. Zo werd het geen Nederlandse Jacket, maar een recensiewebsite genaamd De Reactor. Ik ben daar vlak voor de lancering uitgestapt, omdat ik moeilijk namens een net tot stilstand gebracht Raster kon spreken en deze onafhankelijke plek op de site van De Groene me dierbaar is. Dat doet er verder niet toe. Mettes is de voorloper en de wegbereider van die recensiewebsite geworden.

 

'De taal van de dichter is die van de gemeenschap, welke die ook moge zijn.' Dit citaat van Octavio Paz komt drie keer voor, op zijn blog, voor in het boek Weerstandsbeleid en voor in N30+, het boek met oorspronkelijke teksten. Over dat gedicht schrijf ik een volgende keer.

 

Jeroen Mettes, Nagelaten werk: Weerstandsbeleid / N30+. Wereldbibliotheek, 2011, € 29,90

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact