Deze rubriek verscheen op 30 september 2011 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

Wolhandkrabben

Armada komt met een dubbelnummer over nieuwe Chinese literatuur, samengesteld door gastredacteur Mark Leenhouts. De aflevering is een stevige journalistieke versie van het ter ziele gegane tijdschrift voor Chinese literatuur Het trage vuur. Ondertussen timmert kunstenaar Hans Kalliwoda aan een autonome schelp die overal ter wereld kan staan.

In deze politiek barre tijden is het beter een goede buur te hebben dan een verre vriend, zei Hans Kalliwoda, oprichter van de illustere organisatie Blind painters. Een opmerking die ik het liefst meteen pareerde met 'beiden', al was het maar omdat ik net opliep met mijn eenarmige vriend Mathura, die me helemaal uit Estland en maar eens in de zoveel jaar opzocht. Kalliwoda was mijn buurman in het atelierpand waar ik op dinsdagavonden mijn Groene-columns placht te tikken. Wat hij precies ondernam was niet helemaal duidelijk, feit is in ieder geval dat hij er altijd was, wat voor kunstenaars in zo'n pand hoogst ongebruikelijk is. In de jaren negentig organiseerde Blind painters een treintocht die dwars door Europa ging en waar kunstenaars uit verschillende landen deel van uitmaakten. Hij leefde nooit van subsidie, alleen van sponsoring, een markt waarin hij binnenkort wat meer concurrentie verwacht. Op een gegeven moment stond onze gang op de Teertuinen vol met kubussen met afgevlakte hoeken.  Die bleven komen, ze leken onze beide deuren te willen versperren. Met die kubussen maakten de blind painters world in a shell; the polliniferous project. Er kwamen allerlei kunstenaars logeren om Hans te helpen het te realiseren. De shell werd een container waarin de mens op eigen krachten zou kunnen leven. Met zonnepanelen, drinkwater uit regenwater destillerend en twee windmolens die boven de schelp uitsteken. Een technologisch schild, dat de vorm heeft van een schild zoals een schildpad dat meedraagt. Hij leefde een tijdje met het idee dat De Groene sponsor en mediapartner van zijn project was en in 'de krant' verscheen een advertentie van Hans die in sportkleding en met racket in de hand achter een bij aan zat, genomen in zijn shell. Hij verwezenlijkt het project met de TU Delft en de shell werd op verschillende plekken opgebouwd, in het Rotterdamse Museumpark bij het NAI en in het Westerpark in Amsterdam. Er werden rondleidingen in gegeven, acteurs lokten er publiek naar binnen, er kon zelfs een klein podium in gebouwd worden waar opvoeringen werden gegeven.

Uiteindelijk zou de shell overal kunnen staan, ook in het regenwoud of in de woestijn. En dat is de wens van Hans, die in de jaren tachtig op de fiets door Afrika rondreisde voor hij als kunstenaar doorbrak. Je zou in zo'n shell thee kunnen maken en die thee de mensen die er wonen aanbieden, een soort nieuwe tijdelijke buurman worden. Je zou er ook films in kunnen vertonen, zoals zekere missionarissen nog altijd het best zieltjes wonnen door Charlie Chaplin in het dorp te vertonen. En je zou er ook een film kunnen maken, oftewel laten maken door de lokale bevolking, zoals in de Kalahari-woestijn in Botswana. Natuurlijk pakt de reis altijd anders uit dan voorgenomen en is het niet alleen  de aankomst die telt, schrijft hij op zijn blog over zijn meest recente reis.

'In Nederland subsidiëren jullie helemaal geen kunst, jullie subsidiëren er alleen projecten', begreep ik een paar jaar terug in Brussel van een medewerker van het Festival des Arts. Ik realiseerde me onmiddellijk dat ze gelijk had. Het is niet zo moeilijk om een buurtfestivalletje op poten te zetten, een lokale dichter in te huren en een theatergezelschap, een schoolklas en een wijkoverleg in te zetten, het is alleen maar een kwestie van de juiste taal en timing voor de aanvraag. Ook galeries in Antwerpen klaagden over Nederlandse kunstenaars die het BKVB-logo op de poster belangrijker leken te vinden dan de plaats van het kunstwerk in de ruimte. Daar klinkt natuurlijk jaloezie in door naar een kunstwereld die niet alleen wat ruimer maar ook wat breder gefundeerd is, of moet ik al zeggen was. Of bezuinigingen eerder geld naar de kunst dan naar de subsidieaanvraag an sich (door Lukas Simonis ooit de meest lucratieve versie van het hedendaags prozagedicht genoemd) zullen brengen, daar gelooft vrees ik zelfs de grootste panisch optimist niet in. Projecten als de schelp van Kalliwoda zijn licht megalomaan, de weg naar de verwezenlijking ervan kan niet zonder obstakels zijn en van tevoren ook helemaal niet uit te tekenen. Een rapportage over de mogelijkheden en onmogelijkheden van het verwezenlijken van een dergelijk project, lijkt mij leerzaam, liefst als een onafhankelijke derde partij die verzorgt. Het boek world in a shell  dat Kalliwoda uitgaf, leest voor mij iets te veel als een subsidieaanvraag (zoiets heet in de beeldende kunst een catalogus begrijp ik). Het heeft dezelfde kubusvorm als waar ik op de gang al over struikelde.

 

In een tijd dat iedereen zich een mening vormde over het bezoek van een aantal schrijvers aan China verscheen bij Wereldbibliotheek een aflevering van het tijdschrift voor wereldliteratuur Armada, dat over de nieuwe Chinese literatuur ging. Je kunt je afvragen of een dergelijk debat het tijdschriftnummer veel geholpen heeft. Alle media die op een en hetzelfde thema springen, dat heeft iets van leesclubs die en masse een en hetzelfde boek lezen, een soort monocoverage in die mate waar totalitaire regimes nog jaloers op zouden kunnen zijn. Toegegeven, een zeker niet bij naam genoemd weblog was nog zo intelligent om tussen alle heisa door wat vragen te stellen aan sinoloog Maghiel van Crevel, wat een kleine bezinning opleverde.

Reden om er toch op terug te komen, is dat het nummer van Armada ontzettend goed is. Het begrip nieuw op de kaft wordt recht gedaan - zo hedendaags als dit is het tijdschrift voor wereldliteratuur doorgaans niet. Samensteller Mark Leenhouts koos proza, poëzie en essays uit Mainland China, Taiwan en Hong Kong, alles in korte vorm en helder ingeleid. Dat maakt dit dubbelnummer een soort mini-encyclopedie. Het totaal verschillend proza van Wang Anyi en Yu Hua geeft heel andere inkijkjes in China, net als de Hongkongse schrijver Liu Yichang, die het verhaal Tête Bêche schreef dat de basis vormde voor de film In the Mood for Love van Wong Kar-wai. Proza dat niet alleen in stijl maar ook in thematiek sterk uiteenloopt.

Dat geldt ook voor de poëzie. Iege Vanwalle vertaalde werk van Wang Jiaxin, fraaie gedichten waar - of ze nu in Amerika of Bejing geschreven zijn - altijd sneeuw in voorkomt. De jongere Yan Jun (1973) is experimenteel musicus en muziekcriticus. In zijn Veertien dichtregels uit de grondwet, ook wel Charta 09 genoemd, eist hij dat de hele mensheid mag stemmen op de president van Amerika. Beide Chinezen figureren ook in de kleine bloemlezing Wanneer hij dit schrijven van een heel leven heeft voltooid, maar Armada heeft nieuwe vertalingen.

Silvia Marijnissen vertaalde twee dichters uit Taiwan. De vorig jaar overleden Shang Ch'in wordt in dit nummer nogal expliciet hyperrealist genoemd. In haar inleiding staat een integrale vertaling van het verhaal hoe de dichter op zijn vijftiende op de straten van Strengdu werd opgepakt door het leger en sindsdien ontelbare malen heeft proberen te ontsnappen, tot aan zijn eigen naam aan toe. Zeer sterk is Marijnissen haar vertaling van het prozagedicht Grens, waarin de dichter een grens laat weven door de starende blik van iemand die wordt teruggekaatst door glasscherven op een muur: een van de gedichten die zonder uitgesproken politiek te zijn een heftige symbolische lading heeft. In de inleiding stelt de vertaler dat Shang Ch'ins 'voorliefde voor het instinct en de intuïtie vaak leidt tot een omkering van gebruikelijke hiërarchieën en opposities, wat zijn werk een grappig en irreëel karakter geeft'. Die onwerkelijkheid heeft dan onmiskenbaar een surreële component, maar liever noemen dichter en vertaler het juist concreet en uitgaand van een grote precisie, een scherpe zintuigelijke waarneming en interne logica, wat de term hyperrealistisch verklaart. Nu kun je je afvragen of deze dichter per se een etiket nodig heeft, het is evenwel begrijpelijk dat Marijnissen de bijzonderheid wil duiden van zijn werk.

Op geheel andere wijze bijzonder is Hsia Yu. Ze geeft haar eigen dichtbundels vorm: de laatste getiteld Pink Noise is uitgegeven in transparant plastic, je hebt een vel papier nodig om tussen de pagina's te leggen wil je de gedichten kunnen lezen. De dichter woonde een tijdje in Parijs en lijkt terug in Taiwan haar compleet eigen weg uit te stippelen. Opvallend is dat ze werkt met zelf verzonnen karaktertekens. Relevant is wat Marijnissen in haar inleiding Tirannieke verleiding over de touwbouwsels van Hsia Yu schrijft over het ontstaan van de vijftigduizend karakters van het modern Chinees, die zij daar niet als beelden zien maar als schrift, ongeveer zoals wij ons alfabet. Een filosofische tekst uit de derde eeuw bewerkte de dichter door het karakter voor beeld te vervangen door kleine tekeningetjes, een soort ikoontjes die aan wingdings doen denken. Bij deze Armada wordt een affiche gegeven waarop Silvia Marijnissen dertien handreikingen doet voor het lezen en vertalen van Hsia Yu. De vormgeving is schatplichtig aan Eenrichtingsstraat van Walter Benjamin, 'Verboden aan te plakken!' staat er op de poster. De geboden zijn geïnspireerd op Hsia Yu haar gedichten. Die gedichten zijn veranderlijk als kattenogen, poëzie is volgens haar een soort kwikzilver dat alle kanten op spat. De gedichten zijn verrassingsaanvallen, ongeschikt voor afspraken en vergelijkbaar met een avondstorm, een waaier of een stuk zeep dat wordt verbruikt. Grappig is dat de vertaler zo het werk blootlegt door de dichtregels zelf als instructies voor de vertaler weer te geven. 'Oorringen hellen het zijn,/ lust weerspiegelt licht,/ tijd valt als kwikzilver.' Het bewustzijn waarin alles aan het gebeuren is, verwijdert dat gebeuren uit het gebeuren, parafraseert de vertaler de dichter - en dat maakt de vertaler des te voorzichtiger en behoedzaam.

Behalve ingeleide Chinese teksten in vertaling heeft deze Armada een aantal Intermezzi waarin Chinezen naar Nederland kijken. Opvallend is dat door de naar het Chinees vertaalde bloemlezing Nederlandse poëzie niet alleen de poëzie van K. Schippers er aanspreekt, maar ook de lethargische minimalist Jan Arends het daar goed schijnt te doen. Van een heel andere orde is het verslag van Chen Cun die de Chinezen in het Haagse Chinatown beschrijft, die 'kleine halte waar ze even stoppen als hun maag heimwee heeft'. In een van de trottoirs is in het Chinees een spreuk gebeiteld die alles over migratie zegt: 'De ene generatie plant de boom, de volgende geniet van de schaduw.' Chen vertelt dat Chinezen in Nederland er twee uur naar Den Haag rijden voor over hebben om een kapper te kunnen bezoeken die de wens van de Chinese klant begrijpt. Daarnaast is er opmerkelijke retourvorm van import-export. Larven van de in Shanghai geliefde wolhandkrabben zijn honderd jaar geleden per ongeluk in de tanks van vrachtschepen naar Nederland terechtgekomen. 'Ze hebben zich op succesvolle manier in dit nieuwe vaderland voortgeplant. Ze zijn zuiverder van soort dan hun verre broertjes in China en smaken nog lekkerder ook.' Reden dat ze nu weer door China worden geïmporteerd. Het zal niet lang meer duren of er komt een Chinees die daar een spreekwoord voor verzint.

 

Hans Kalliwoda, world in a shell, the polliniferous project. Losbladig, € 99,-

Armada, zeventiende jaargang, nr. 63/64. Wereldbibliotheek, 192 blz., € 19,90

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact