Deze rubriek verscheen op 13 oktober 2011 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

 

Prijsdieren

Marije Langelaar won de Hugues C. Pernath'prijs, de Antwerpse prijs voor dichters die niet ouder zijn dan 43. Inmiddels zijn de vijf nominaties bekend van de VSB-poëzieprijs, die op Gedichtendag wordt uitgereikt. Toon Tellegen, die met zijn poëzie aan het laatstgenoemde prijzencircus niet mee wenst te doen, publiceerde de dichtbundel Schrijver en lezer, met tekeningen van zijn zoon, Boris Tellegen.

In Milaan zou er een kerk bestaan waar een tram doorheen rijdt. Een vriend die er gewoond heeft beschreef het tot in detail: hoe uit de zijbeuk het trammetje te voorschijn kwam, hoe het belletje van de tram klingelde en het knarsen van de rails klonk tijdens de mis. Als je zo'n binnenkomer gebruikt op een poëziefestival waar de conversatie even stilvalt, wordt de Italiaanse dichter ontzettend boos. Onzin roept hij, verzinsels. Zo denken jullie Hollanders over Italië, een kerk waar een tram doorheen rijdt! Zo komen valse voorstellingen de wereld in. Ik vind het een aardig beeld, dat ergens toe kan leiden. Maar ik heb het niet met eigen ogen gezien en zal het ook niet snel in een gedicht gebruiken.

Marije Langelaar won de Hugues C. Pernath'prijs. Dat is een Antwerpse prijs voor dichters tot 43 jaar - op die leeftijd stierf Pernath. Ook genomineerd was Paul Bogaert voor De slalom soft, die me een goede kanshebber leek, en Jeroen Theunissen met Het zit zo. De uitreiking van deze prijs vond eerder plaats tijdens het kleine Internationale Dichters in het Elzenveld en was verbonden aan Revolver, zowel het festival als blad is inmiddels helaas ter ziele. De prijs gelukkig niet, het is een mooie prijs, een belangrijke distinctie, waar helaas niet alle Nederlandse uitgevers voor inzenden. Het is de prijs van de stad Antwerpen, zoals de Paul Snoekprijs die is van Brugge. Langelaar won de prijs voor de bundel  De schuur in. Hans Groenewegen schreef daar zeer enthousiast over op De Reactor, waar hij ook Hélène Gelèns prees, die niet veel later de Haagse Campertprijs won. Ik zie Langelaar als kunstenaar in de poëzie, wat de laatste tijd vaker voorkomt, heb ik het idee, en ik vind haar werk in het genre goed en veelbelovend.

Er zijn ook dichters die er niet aan meedoen, prijzen, maar die zijn doorgaans wat ouder dan 43 jaar. Aan mijn hoofd geen polonaise, laat mij maar schrijven, vooral die VSB met al die aandacht en voordrachten en die spanning, ik heb er geen zin meer in. Dat betreft Harry ter Balkt, eerder was het Willem van Toorn en ook het werk van Toon Tellegen ontbreekt op de lijstjes van ingezonden bundels.

Bij de VSB-poëzieprijs is het even omschakelen: geen oogst van september tot en met augustus. Dat is in die zin lastig omdat je eerder in de bundel gewoon het jaar van publicatie kon opzoeken, nu moet je ook de maand van verschijnen weten. Het betekent in ieder geval dat ze Esther Jansma's Eerst hebben overgeslagen, Hester Knibbe's Het hebben van schaduw, Martin Reints' Lopende zaken en Tellen en wegen van K. Schippers. Er is een parallel met vorig jaar, toen één kanon (Armando) werd genomineerd naast vier anderen; het kanon is dit jaar Willem Jan Otten. De poëzie van de andere vier, Peter Ghyssaert, Jan Lauwereyns (besproken in Ons erfdeel, niet online), kanshebbers Erik Spinoy en Anne Vegter ligt niet heel erg ver uit elkaar als je het domein van alle Nederlandstalige poëzie overziet. Je zou kunnen bedenken dat dat het gevolg is van de samenstelling van de jury, al sinds de oprichting van de VSB een jaarlijks ander huwelijk tussen dichters, wetenschappers en af en toe vertalers. Ik had van een jury met dit jaar uiteenlopende dichters als Astrid Lampe en Ester Naomi Perquin een ander lijstje verwacht. Hester Knibbe bijvoorbeeld schrijft een heel ander soort poëzie dan de genomineerden, haar bundels worden wel steeds sterker. Het is niet zo dat ik me in het genre dat blijkbaar de voorkeur heeft verveel, ik heb al de genomineerden eerder besproken. Voor een grote prijs die de VSB nu eenmaal is, is het misschien wel zo fair het niet in een en dezelfde hoek te zoeken.

De niet ingezonden bundel van Toon Tellegen heet Schrijver en lezer. Die twee figuren doen denken aan de man en de engel die onder meer in zijn prachtige bundel Stof dat als een meisje opdoken. Het lijkt een poppenspel dat Tellegen opvoert met telkens twee poppen. Tussen schrijver en lezer is er minder vaak handgemeen dan tussen man en engel; de lezer raapt doorgaans het een en ander op in het spoor van de schrijver en ontmoet hem maar soms. Woorden raapt hij bijvoorbeeld op. Maar ook meer dan dat.

Grappig is Tellegen zeker. De schrijver gaat 'gekleed in zijn dagelijkse ik en mij,/ met aan zijn voeten zijn trouwe zelfoverschatting'. Grote begrippen worden vaker licht in het werk van Tellegen: wroeging, walging, belang, schuldbewustzijn. Of misschien is licht het woord niet, ze worden jongleerbaar in de gedichten, het is alsof de schrijver ermee speelt - zowel de auteur als het personage. Feitelijk is het werk bespiegelend van aard, schijnlicht. Je kunt een dichtbundel van Tellegen eigenlijk ook best lezen als een doorlopend verhaal, het boeit me in die zin dat ik vergeet om aantekeningen te maken wat te citeren. De schrijver eet de tegenwoordige tijd op, is zo'n zin die tegelijk cartoonesk als veelomvattend is.

 

De schrijver wil alleen zijn met de lezer

 

Hij wil dat de lezer wijs en ontvankelijk is

        en met zijn duizenden, miljoenen, op weg ergens heen,

dat hij de schrijver hoort kermen,

dat hij stilstaat, niet weet waar dat nauwelijks hoorbare,

        nauwelijks tot een menselijke stem herleidbare gekerm vandaan komt,

dat hij weer doorloopt met een vaag gevoel van ongerustheid,

        misschien zelfs met een schuldbewustzijn, dat uit zijn slaap is ontwaakt,

en dat hij zijn voeten op zijn verdere weg behoedzaam neerzet

        op hem, die hij niet kent

 

die alleen met hem is.

 

Het is een procedé, alle gedichten zoomen in op de schrijver en telkens komt als tweede de lezer opdraven. Van iedere zes pagina's bestaan er telkens twee uit tekeningen van Boris Tellegen: blokkige figuren van een robotachtig wezen en een tafelblad. Ze lijken illustratief maar zijn het niet, ze zeggen niet exact hetzelfde als de tekst.

'Iedereen heeft vijanden, iedereen die gelukkig is', is zo'n typische, verrassende, prompte Toon Tellegen-wijsheid die veel meer is dan een grappige wending, ook al wordt die zo bescheiden gepresenteerd. De schrijver 'gooit zichzelf in de gierput van zijn verbeelding'. Hij gooit het woord liefde het raam uit en daarbuiten zit de lezer, krankzinnig wordend, het woordje te wiegen. Als de schrijver het schrijven moe is en zijn woorden in een rugzak doet en op reis gaat, loopt de lezer hem voor de voeten. 'de schrijver weet niet wat de lezer weet - / de lezer houdt het geheim voor hem'. Beide figuren krijgen geen voetstuk in Schrijver en lezer, vooral de schrijver niet, die struikelt er alleen maar over. 'zijn zintuigen slingeren rond als ondergoed, kranten, Schöner Wohnen'.

 

Een andere vriend die bij mijn weten nooit in Milaan woonde, daar zie ik hem althans niet voor aan, typte ooit drie gedichten over toen ik drie maanden in Marseille woonde en mailde ze me. Het is moeilijk om dit niet pathetisch onder woorden te brengen, maar die drie gedichten waren precies wat ik daar op dat moment nodig had. En dat is het bijzondere van Toon Tellegen. Het werk lijkt zo licht, zo cartoonesk, zo niets, haast. En het is zo rijk en veelomvattend.

 


 

Toon Tellegen, Schrijver en lezer. Querido, 76 blz., € 18,95

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact