Deze rubriek verscheen op 14 november  2011 op de Dichters & denkers webpagina van De Groene Amsterdammer

 

Mooi

Nachoem Wijnberg publiceerde zijn veertiende dichtbundel, Als ik als eerste aankom. Hij begint met de jaren meer op een Chinees te lijken. Zijn gedichten zijn eenvoudig gesteld, meer nog dan die in zijn eerdere Liedjes (2006) maar eenvoudig zijn ze allerminst. Ab Baars ondertussen is van 10 tot 26 november op de poëzietournee Invisble blow, waarbij Anneke Brassinga aanschuift.

Zo is je bordje leeg en zo vliegen de nieuwe bundels je om de oren, Ter Balkt, Oosterhoff, Wijnberg, Koenegracht, Groenewegen, Fagel, Nasr, Papenhove, kunnen jullie niet netjes om de twee weken verschijnen of ergens netjes een nummertje trekken? zou je ze als winkelier willen toeroepen. Nu voel ik me sinds ik niet meer in de papieren Groene maar op het web schrijf geenszins verplicht om iets te bespreken en al helemaal niet meer om een mening erover te geven, ik schrijf in wezen waar ik op dat moment zin in heb. Maar het stapeltje nieuwe bundels daagt wel uit, het is alsof een groot gezelschap de kamer binnenstapt waarvan je iedereen even apart wil nemen om eens te kijken hoe het met de persoon in kwestie staat.

Wijnberg om mee te beginnen. Zijn gedichten verspringen per bundel van vorm, van kort naar lang, van verhalend tot simpelweg mededelend, zodat ik eigenlijk simpelweg nieuwsgierig ben naar waar hij nu weer op uitkomt. Hij publiceerde vier romans en is daar na De opvolging in 2005 mee opgehouden. Ook in die romans kwamen nogal wat gedichten voor, zoals in Landschapsseks (1997). Zijn poëzie is me aan gaan spreken met Vogels (2001), sinds hij De Bezige Bij verliet en bij Contact kwam. Het lijkt erop alsof Wijnberg zich op dat moment als auteur meer op zijn gemak is gaan voelen. Bepaalde gedichten uit Vogels waren werkelijk schrijnend. Ze gaven een pats-moment om het in stripboektaal uit te drukken, ja, dit snijdt, dit klopt om met Tonnus Oosterhoff te spreken. Nu is het bij iedere dichter de vraag hoe je als lezer met zijn werk in aanraking komt. Een criticus weet vaak niet meer hoe die las voordat hij of zij bespreker was, toen er nog niet de plicht was een bundel helemaal uit te lezen. Pas later ontdekte ik Langzaam en zacht uit 1993, die me aansprak. Wijnberg schrijft veel, hij grapt wel eens dat als hij geen hoogleraar zou zijn het hek helemaal van de dam zou zijn. Wat hij publiceert, is geen onoverzichtelijke zee: tussen de bundels staan schuttingen.

De bundels Vogels, Eerst dit dan dat (2004) en Liedjes (2006) hebben gemeen dat de lyriek minder afstandelijk klinkt dan in zijn eerdere werk. Er is niet zozeer een vertelling gaande, een situatie die omschreven wordt, maar een uitspraak die direct binnenkomt. Ik ben toch geen konijn, vraagt iemand, iemand zit met een sok in zijn hand op bezoek bij iemand met wie hij niet wil trouwen, iemand is bang niet meer naar muziek te kunnen luisteren waar die van houdt. Dat is de Wijnberg die geen angst heeft voor sentiment. Het lijkt erop alsof juist dit element uit zijn latere werk gethematiseerd wordt in zijn nieuwe bundel, Als ik als eerste aankom.

De bundel ziet er stevig uit, is uitgegeven op mooi papier. Dat is iets anders dan de eerste druk van Het leven van (2008) waarvoor hij de  VSB-prijs ontving. De bundel is mooi ruim vormgegeven, de titels van de zeventig gedichten zijn gezet in typemachineletter. De gedichten zijn in directe taal gesteld. Het zien van een versleten schoen op een weg doet de vraag stellen wanneer je een schoen weggeeft, waarom 'er iets als/ versleten uitziet' ongerust maakt. Toch lijken de gedichten, al zijn ze zo direct gesteld, eerder op overwegingen dan directe formuleringen.

Ik loop in een bos,
de bomen dicht bij elkaar
alsof zij teruggestuurd zijn
om hier te wachten.

 

Daar loop ik,
tussen de bomen,
kom nauwelijks vooruit,
zo veel takken die ik weg moet duwen.

 

Ik zie een ingang
als van een grot,
maar kom toch terecht waar niets boven mijn hoofd is,
behalve de wolken en de zon.

 

Als ik geen kind geweest was
dat niet kon vinden
wie maar een paar stappen van mij weg stond
had ik de ingang niet gevonden.

 

Ik ga zitten
op het warme stro aan de rand van het veld,
regendruppels op mijn haar en mijn handen,
maar het houdt alweer op.

 

Het is goed hier te zijn,
kan ik blijven
alsof ik voor het eerst
ergens alleen heen gegaan ben?

 

Het is eenvoudig gesteld maar eenvoudig is Wijnberg allerminst: 'Ik heb iets gezien/ wat mij liet denken/ dat het misschien mogelijk is/ iets te maken/ wat in de lucht blijft hangen.' In deze zin is de veertiende bundel wel een vervolg op Liedjes, het lijken Chinese gedichten in hun rust en kalmte en dubbelzinnige eenvoud. Wie vertelt je dat een anekdotisch gedicht ook daadwerkelijk uit een anekdote voortkomt? Het kan net zo goed een verzinsel zijn, een parabel, een vertelling. Dat is het kenmerk van Wijnbergs werk: het heeft de allure van een mythe, ondanks de eenvoud.

Nieuw in Als ik als eerste aankom is de waaiervorm, regels die inspringen en telkens op een andere plek op de bladspiegel beginnen. Er zijn veel bergen in de bundel die beklommen worden of waarop in een hut verbleven wordt, waarvan gevraagd wordt of je er een jaar zou kunnen leven. Er zijn veel steden waar je al of niet dagenlang van de ene naar de andere kant kunt lopen. Er is geregeld een eiland: 'je kunt heimwee hebben/ naar de zee rond een eiland'. Er is een stierenvechter die nog nooit een stier heeft gezien. Misschien is zijn verhaal, zo vraagt het gedicht zich af, wel helemaal geen komedie maar een tragedie - al heeft de stierenvechter ook nog nooit een tragedie gezien. Er is opnieuw, zoals in al Wijnbergs werk, de thematiek van het arm of het rijk zijn, of arm of rijk worden als je het andere geweest bent. Geregeld handelt het gedicht over ergens aankomen of afreizen, over het vinden van een slaapplaats. En opnieuw wordt er ergens een grap gemaakt, niet uitgelegd maar gemaakt: 'In mijn onderbroek,/ dat zei ik toch al, als in een grap van/ en voor honderd jaar,/ ik heb speciaal voor deze keer/ een veel te grote aan,/ ik zei toch dat ik van het leven hield.'

Mooi is de titel van een van de gedichten en dat doet me eraan denken dat Wijnberg, een aantal jaar geleden in gesprek met Arjen Duinker, diens befaamde regel 'De zon schijnt mooi' (uit De zon) in twijfel trok: wat betekent dat nu eigenlijk, mooi? Het was in een programma over Aziatische poëzie waarin de derde gast, de dichter Lucas Hüsgen, aan een antwoord begon over Korea waar hij zoveel van wist dat het zo ongeveer vijfhonderd kwartier leek te gaan duren. Voor het programma waren twee microfoons voorzien voor de drie sprekers. Duinker begon na verloop van tijd met zijn typerende grijns de tweede microfoon een zwiep te geven zodat die voor de mond van Wijnberg terechtkwam. Die talmde even, maar toen de uitleg van Hüsgen maar niet leek te stoppen gaf hij de microfoon maar weer een zwiep terug naar Duinker. Zo woonde het publiek een bijzondere tenniswedstrijd bij en gingen alle ogen van links naar rechts naar links. Wat is nu mooi, volgens dat nieuwe gedicht van Wijnberg, niet enkel mooi, maar zelfs 'het mooiste wat er is': 'Hoe mooi dat is/ dat je kunt kijken/ als je ergens bovenaan staat/ en je kunt even/ niet verder gaan.'

Mythes, dat is, 'Wat ik gehoord heb', volgens een andere titel. Iemand ging op weg naar een eiland vol appels. Maar dat van dat eiland klopte niet, dat van die appels wel. Iemand leest een boek veertig maal en is toch pas dolgelukkig als hij op een markt een samenvatting van het boek dat hij uit zijn hoofd kent, vindt. Ook bij die parabel is de titel van belang: 'De samenhang van de samenhang'. Parabels kunnen een mythische impact hebben: 'Je kunt als een visser/ 's middags slapen/ je vrouw naast je;/ om tegen je aan te kunnen slapen/ is zij 's nachts zo lang mogelijk wakker geworden.' In die parabel, Nacht, dag getiteld, komt een heel andere notie aan de orde; 'De tijd van eenvoudige/ uitvindingen/ is voorbij,/ die iemand op zijn eerste dag hier/ zou kunnen bedenken.' Wat het is met deze nieuwe bundel: wat verteld wordt lijkt heel erg dichtbij, is niet grotesk, iemand die van katten hield merkt dat hij het nu fijn vindt als er een hond naast je komt zitten. 'Neem iets wat klein is/ en maakt het groot/ alsof dat genoeg was/ om er iets over te zeggen.' En de bundel kent zowaar een unverfroren liefdesgedicht, al gaat het dan om een 'om-uit-te-lachen lief', het maakt het er niet minder blijmoedig op.

Waarin vind je bij Wijnberg verontrusting, in de kaalheid of juist in de overdadige veelheid die hij in andere bundels tentoon kan stellen? Misschien is het niet met elkaar in oppositie, misschien is het geen tegenstelling die een andere criticus als braaf versus hartstochtelijk, karig versus woordrijk, taalzuiveraar jegens taalvernieuwer zou bestempelen. Wijnbergs directheid maakt hem niet gemakkelijk. Soms loopt het gedicht uit in een soort lege abstractie, iets dat ergens ligt 'om te kunnen zeggen/ dat het daar al was/ voordat je het zou raden'. Wat dat 'het' is, de contouren daarvan maakt het gedicht niet duidelijk. De taal blijft simpel en behoudt altijd de al dan niet bedrieglijke schijn van totale logica - ook dat is Wijnberg ten voeten uit.

 

Nachoem Wijnberg, Als ik als eerste aankom. Contact, 88 blz., € 21,95.

Ab Baars begint op 10 november  in de Burcht in Leiden aan een tournee die op 26 november eindigt in het Bimhuis in Amsterdam, Invisible blow getiteld, met gedichten van Anneke Brassinga (live op het podium), Robert Creeley, Hans Faverey en William Carlos Williams. Zie www.stichtingwig.com

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact