Brief uit Marseille (2004)

De dichter Erik Lindner organiseerde tussen 1998 en 2003 voor het Institut Néerlandais in Parijs een serie ontmoetingen tussen Nederlandse en Franse dichters. In die periode stelde hij voor uitgeverij Farrago een bloemlezing van moderne Nederlandse poëzie in Franse vertaling samen, en maakte hij voor het tijdschrift Po&sie een Nederlandse aflevering.

Verkenningen

In Frankrijk leg je het geld in een schoteltje op de toonbank, in Nederland geef je het aan de winkelier. Briefjes worden aangereikt, munten in de handpalm gelegd. De verkoper doet hetzelfde met het wisselgeld. De bezoeker die een vergissing maakt, ziet de paniek in de ogen van de winkelier die hij met geld probeert aan te raken. Ergens tussen hier en Amsterdam staat een jongen op een vliegveld koffie te verkopen, en schiet onbedaarlijk in de lach als iemand eerst het biljet op de toonbank legt, het dan oppakt en hem aanbiedt. Schoonmaakmiddelen ruiken in Frankrijk bloemiger, verf ruikt in Hongarije chemischer. In de tram onderweg naar een buitenwijk in Den Haag kruist een man in een televisiegids de programma’s aan die hij ‘s avonds zal bekijken. Op een beursterrein in Parijs vormt zich een lange rij voor de toiletten. Halverwege de rij zijn meisjes gaan zitten en lezen dichtbundels. Als je je bukt en naar de kaft van de bundels kijkt, zie je namen van auteurs die lang geleden zijn overleden.

Als iets me deed beslissen Frankrijk te gaan verkennen, was het niet de literatuur. Aanvankelijk juist niet, en dat maakte dat ik onvoorbereid de kringen van de hedendaagse Franse dichtkunst betrad. Zoals zo velen kende ik uit mijn jonge leesjaren de inmiddels zo oude poëzie van Rimbaud, Baudelaire en Verlaine. Iets later nam ik kennis van het werk van René Char en Francis Ponge, maar ook daarmee bevond ik me nog op een halve eeuw achterstand van wat er op dit moment in Frankrijk wordt geschreven. Ook had ik niet eerder bezoeken aan Frankrijk gekoppeld aan het literaire toerisme dat er met allerlei bedevaartplaatsen en musea bestaat, ook niet door tijdens reizen me op de Franse literatuur in te lezen. En al heb ik er twee jaar gewoond en vijf jaar gewerkt door me wel in de Franse hedendaagse poëzie te storten, een gedicht heb ik er nooit geschreven.

Frankrijk is een land dat men meent te kennen zonder het te bezoeken. Het cliché van de Fransman met zijn stokbrood, wijnfles en alpinopet en zijn keuze uit honderden kaassoorten is nog steeds zichtbaar. Hetzelfde geldt voor Parijs, een stad die men ook ongezien kan uittekenen dankzij de iconen van de monumenten. Al eens eerder beschreef ik Parijs als stad onder een stolp. Niet alleen de monumenten, ook de inwoners die er rondwandelen, dragen bij aan een decor dat vooral moet glimmen: de kleding, de mode, de codes van omgang, de taal. Ik maakte er mee hoe Parisiennes anderhalf uur lang het gevecht met de spiegel aangaan voor ze de straat op gaan. Hoe centraler onder de stolp, hoe hermetischer de codes, hoe preciezer de accenten, de klemtonen in de zich melodisch aaneenrijgende taal, de exacte beleefdheidsfrasen, het bedanken voor iedere handeling, het opnieuw bedanken voor een juist geformuleerd bedankje. Deze praal moest en zou een keerzijde kennen, die ik wilde ontdekken.

Een eerste verkenning van die achterkant van Parijs vond plaats tijdens een van de baantjes die ik onderhield. Als oproepbaar chauffeur van het centrum voor instabiele media V2, een club die sinds de jaren tachtig de duistere wereld van de computerkunst en elektronische mogelijkheden daarvan exploreert, transporteerde ik in huurbusjes allerhande installaties en robots van Berlijn, Frankfurt, Bazel en Parijs naar Nederland en vice versa. Een bepaalde rit, met in de achterbak drie fictionele foto’s van tweelingen (griezelige, door de computer vervaardigde portretten van niet bestaande personen) bracht me naar een kleine galerie in Parijs, en van daaruit naar de kelders onder het grote centrum van de Parijse juwelier Cartier. De foto’s werden met grote omzichtigheid naar binnen en naar buiten gedragen, per stuk waren ze een ton waard. De stille verstandhouding met het personeel leek op een geheime transactie. Cartier, de zakenman die er om bekend stond zijn hele administratie in een klein zakboekje bij zich te dragen en die het bijhouden van een boekhouding afkocht door het overmaken van het dubbele bedrag van zijn belastingaanslag, bood in zijn centrum aan de Boulevard Raspail ruimte voor exposities en nachtelijke bijeenkomsten van jonge kunstenaars. Het flyer-materiaal en de boekwerkjes die hierbij verschenen toonden een nogal ondoorgrondelijke samenhang van design, cartoons, niet thuis te brengen afbeeldingen en lappen tekst die voor poëzie doorgingen. De vormgeving maakte het een en ander alles behalve leesbaar en het materiaal leverde geen enkele sleutel voor begrip van het Frans.

Zonder sleutel

De taal leerde ik spreken in de strenge winter van 1996, toen ik zes weken lang in een Algerijns pension woonde, van waaruit ik door lange wandelingen de stad verkende. Zo leerde ik dat alle twintig arrondissementen van Parijs eigenlijk flink uit de kluiten gegroeide dorpen zijn, alle met hun eigen bibliotheek en andere voorzieningen plus bepaalde markante inwoners die zelden tot nooit oversteken naar een ander district. Het pension stond in het oostelijke gedeelte van de stad, in het hoogste arrondissement, aan de rand van de stolp waar die poreus is. Het bood uitzicht op het Parc de Belleville, een steil stadspark met watervallen en imitatierotsen dat zijdelings over de stad uitkeek. De omringende wijk Menilmontant, door de Parijzenaren geringschattend Menilmoche genoemd, was een kakofonie van nieuwbouw en oude kleine arbeidershuisjes, bewoond door een mengelmoes van alle mogelijke culturen en het leeuwendeel van de jonge kunstenaars in Parijs. In het familiepension vertrouwde de patron mij niet vanwege mijn blanke uiterlijk. Ik kreeg geen sleutel van de voordeur en kon alleen via het buurtcafé naar binnen en buiten. Zijn zoon Ferrad, die ermee had ingestemd dat ik een kamer huurde, zou degene worden die mij het Frans bijbracht. Hij droomde van een café met buikdanseres, door studenten van de nabijgelegen muziekschool bezocht, ‘s Nachts schreef hij boven op zijn kamer gedichten. Hij had mij ingeschreven, tijdens een moment van afwezigheid van de vader. De keer dat ik na sluitingstijd bij het pension aankwam, viel me de dubbelzinnigheid van de naam op, toen ik vanaf het trottoir ‘Ferrad!’ riep in de hoop dat hij me binnen zou laten. Het pension zou ook na dit verblijf van zes weken een plek worden die ik bleef bezoeken, en ook tijdens de jaren dat ik in het Nederlands Instituut poëzieprogramma’s maakte en in de Marais woonde, bleef het hotel in Belleville mijn feitelijke thuis in Parijs. In de allesverstikkende Parijse zomers, wanneer de smog over de stad hangt en het in de binnenstad droog en benauwd is, waait een koele wind langs de heuvel van Belleville. In het café komt de Arabische bejaarde bevolking binnen schuifelen om elkaar te tonen wat zojuist op de markt is aangeschaft. Een in onbruik geraakte spoorlijn die langs de hele rand van het centrum van Parijs loopt, verdwijnt onder de kruising waaraan het pension ligt, om weer boven te komen in de steengroeve van het Parc Buches-Chaumont.

Pas jaren later verdween de argwaan van de vader. Ferrad zag ik er nog maar zelden, en na enkele jaren zelfs nooit meer. Bij navraag bleek hij verdwenen in de Parijse misdaad en sindsdien was hij uit de familie gestoten. Dat Ferrad degene was die me de taal leerde en zo mijn Franse expedities mogelijk maakte en daarmee de introductie van een aantal Nederlandse dichters in Frankrijk, dat weigerde de familie te geloven. Zo zou hij zich op zijn beurt nooit vertoond hebben bij de Franse lessen die zijn familie betaald had.

De stap om in Frankrijk te gaan wonen, een jaar na de winter in Belleville, is de optelsom van een aantal gebeurtenissen, een toevallige samenkomst die me in een staat van lichtzinnige vrolijkheid hielp. Ten eerste kreeg ik kennis aan Fransen, door de golf van beeldend kunstenaars uit den vreemde die in Den Haag kwamen te wonen dankzij het beleid van Stroom hcbk. Dit gemeentelijk centrum voor beeldende kunst deed er alles aan om exposities te organiseren met mensen die her en der juist van de kunstacademie waren afgestudeerd, en in Nederland wat sneller een fundering voor hun bestaan vonden dan in hun land van herkomst. Zij kregen in de talloze renovatiewijken die Den Haag voortdurend rijk is een sloopwoning toegewezen waar ze konden wonen en werken, en een toelage die ze deed besluiten niet meer terug te keren. Anderen pasten als een soort antikraakwacht op de vele leegstaande kantoren en vroegere ministeries. Op het dak van het voormalig GAK-gebouw in Scheveningen werd een feest gehouden waar geen woord Nederlands werd gesproken. Binnen een maand verbleef ik op een klein kamertje waar de stem van de castraat die dagelijks op de Place des Vosges zong binnenviel, door een raam dat uitzicht bood op de daken van de Marais en de koepel van de Saint Paul.

Franse dichters

In Parijs begon ik dichtersavonden te bezoeken die werden gehouden in een galerie achter in een onverlichte cour, in theaters en boekhandels, in het kleine zaaltje in het Maison des Écrivains dat een Spartaanse Oost-Europese indruk maakte, in een gehoorzaal in de universiteit Jussieu, en in ‘le Tipi’: de grote plastic wigwam op het plein voor het Centre Pompidou dat in die jaren verbouwd werd. Het viel mij in eerste instantie op dat het publiek bij deze bijeenkomsten klein was, zo’n dertig mensen die ik bij volgende bijeenkomsten herkende. Van een metropool als Parijs had ik een groter publiek verwacht. Het gezelschap bestond uit dichters, redacteuren van allerhande poëzietijdschriften en organisatoren van weer andere evenementen elders in de stad. Het is nu, zeven jaar later, mijn stellige overtuiging dat het niet vlekkeloos spreken van de taal en de onhandigheid die daaruit voortvloeide, het ongemak en de omfloerstheid, de reden is geweest dat het uiteindelijk lukte bij het grootste van deze tijdschriften een themanummer Nederlandse poëzie gepubliceerd te krijgen, en de eerste anthologie uit te brengen van Nederlandse poëzie bij een Franse uitgever. Had ik me volop in de discussie gemengd, dan had ik ongetwijfeld in het zand moeten happen door alle toespelingen en eruditie. Was er in die begintijd sprake geweest van een openlijke vergelijking tussen Nederlandse en Franse poëzie, had ik bijvoorbeeld de stelling (die je tegenwoordig vaker hoort) verkondigd dat de Nederlandse poëzie tot de betere van de wereld behoort, dan had ik meteen de Thalys terug naar Nederland kunnen nemen.

 

In de naamloze galerie in de steeg zonder huisnummer zag ik een voordracht van de klankdichter Bernard Heidsieck, een zeventigjarige erfgenaam van een Champagne-familie, die op het kleine eiland Saint Louis woont en op de Seine uitkijkt, en zich schuchter en schichtig door Parijs beweegt. Heidsieck trad die avond samen op met ‘son fils’ Christophe Tarkos, een jongen die een beetje gevaarlijk loenste en net als Heidsieck uit zijn hoofd voordroeg, maar wiens voordracht wel uit woorden bestond. Repetitieve woorden, op een mantra-achtige dreunende toon voorgedragen. De performance van Tarkos maakte indruk door zijn concentratie: tijdens een gedicht waarin hij een klein kannetje op een tafel beschrijft werd dat kannetje ook voorstelbaar en aanwezig. De derde spreker was Philippe Beek, een man die niet opkeek van zijn schrift, en in hoog tempo geleerde filosofische stellingen te berde bracht en van commentaar voorzag en die allerlei grootheden uit de literatuurgeschiedenis in zijn gedichten toesprak.

In het publiek bevonden zich de redacteuren van het tijdschrift Java, Jean-Michel Espitallier en Jacques Sivan, en diens vriendin Vannina Maestri. Deze jongens uit Barcelonetta, een bergdorp in de Franse Alpen, hadden met het Corsicaanse meisje zojuist de nationale Prix de Revue ontvangen. Het blad Java, dat door het samenstellen van dossiers onderzoek deed naar de historische avant-garde, vormde het platform voor de generatie waartoe ook Beck en Tarkos behoorden en die indertijd tegen de veertig liep. Het laatst verschenen nummer, ‘Attention travaux!’, bevatte work in progress van circa vijftien dichters. Java onderscheidde zich hiermee van de honderden poëzietijdschriften die Frankrijk rijk is, en die vaak het podium van een of enkele dichters vormen. Ik heb in Parijs meegemaakt hoe een debutant zijn eerste gedichten naar een tijdschrift stuurde, en daarop een brief van twee kantjes kreeg, waarin die gedichten uitgebreid geanalyseerd werden en gesitueerd in een stroming met vermelding van allerlei namen. In die brief werden ook grote begrippen niet geschuwd, evenmin als het zonder omhaal benoemen van de thematiek van de aspirant-auteur.

In het publiek viel ook Henri Deluy op, een opvallende man in pak die streng de boel overzag. Op hem was ik voorbereid: het was zijn wens een aantal Nederlandse dichters van onder de veertig te laten vertalen, en zo was zijn vertaler bij mij uitgekomen. Die vertalingen zouden later verschijnen in een themanummer van Action poétique, een tijdschrift waarover Deluy als een keizer heerste, zoals ook over de Biennale des poètes, het enige festival dat in Parijs gehouden wordt, maar dan wel in de voorstad Ivry-sur-Seine. Action poétique ontstond al in de jaren vijftig, en de reminiscentie aan de extreemlinkse organisatie Action Directe is niet toevallig. Voortgekomen uit de arbeidersbeweging hier in Marseille speelde het blad een rol in mei 1968 en vond het in de voorstad Ivry ondersteuning van de daar regerende Parti Communiste. Deluy sprak een aardig radiofoon Nederlands dat stamde uit de vroege jaren vijftig, toen hij tot de vriendenclub van de Vijftigers behoorde. Hij werd indertijd aangestoken door de kracht van Lucebert, en is de Nederlandse poëzie op afstand blijven volgen. Deluy houdt van spektakel, ik heb dat pas later goed begrepen. In mijn Parijse periode was ik voornamelijk een beetje bang voor hem. Bij voorleesavonden liet hij vanaf de eerste rij meteen zijn voorkeur of afkeur horen, ook als het mijn gasten betrof. Uiteindelijk bleek het eerder spel dan machtsvertoon. Deluy vindt het een grote grap om bij een diner dat hij aanricht voor twintig dichters van zijn festival luid te roepen dat er maar drie goede dichters aan tafel zitten. Tijdens het festival, dat telkens in een ander onvindbaar gebouw in Ivry plaatsvindt, staat hij dikwijls midden in een grasveld armbewegingen te maken om het publiek dat uit de metro komt de juiste richting in te sturen. Op een avond die hij in de Tipi presenteerde, presteerde hij het van het podium af te stappen en elke bezoeker persoonlijk de zaal uit te duwen omdat de wigwam nu eenmaal niet langer dan een uur gehuurd was. Men noemt hem wel de Louis de Funès van de poëzie. Henri Deluy reist de hele wereld rond om overal dichters te ontdekken. Het verhaal gaat dat hij tijdens een treinreis van Rusland naar China uitstapte om een Mongoolse dichter te spreken. De dichter had met een taxichauffeur een reis van vijfhonderd kilometer naar het station afgelegd. Op de terugweg raakten dichter en chauffeur ingesneeuwd en waren bijna doodgevroren, maar werden nog net op tijd gevonden. Deluy zag niet veel in het werk van de man, maar besloot hem nadat hij dit vernam toch maar uit te nodigen voor zijn festival.

Oulipo

Een ander publiek bezocht de avonden in Jussieu, waar de groep Oulipo bijeenkwam. Oulipo betekent ‘Ouvroir de littérature potentielle’, (ofwel ‘Werkplaats voor mogelijke literatuur’ volgens Raster 54). Italo Calvino en Georges Perec hebben eerder tot het gezelschap behoord. Raymond Queneau bedacht ooit de naam voor de groep: ‘ouvroir’ is de benaming voor een werkplaats waar oudere katholieke vrouwen kleren naaiden voor de armen. De huidige groep nam elke maand een ander thema waarmee zes mensen aan de haal gingen middels woordassociaties, dialogen, ontledingen, et cetera. Deze zes namen plaats achter een tafel voor een bomvolle gehoorzaal, voornamelijk gevuld met studenten van Jussieu, en namen om de beurt het woord. Michele Grangaud en Jacques Roubaud (‘Dieux est pápá’ tijdens het thema God) waren deze maanden vaste sprekers.

Hoewel Roubaud nog deel uitmaakte van de redacties van Action poétique en Po&sie, stond hij op enige afstand van het gebeuren. Opmerkelijk is wel dat hij in Frankrijk als dichter gezien werd. Zijn vaak wiskundige taalspelletjes hebben een opvallende parallel met de Opperlandse letterkunde van Battus, vrolijk en aanstekelijk, maar niet iets dat wij in Nederland een gedicht zouden noemen. Een ander lid van Oulipo is de Amerikaan Harry Matthews, die onder meer teksten maakt die louter bestaan uit woorden die in het Frans en Engels hetzelfde zijn, maar die niet dezelfde betekenis dragen. Een vergelijkbaar experiment voerde K. Schippers uit in zijn roman Zilah, waarin hij een ambtenaar versjes laat maken met woorden die in het Nederlands en Engels overeenkomen. Het is een zeldzaam raakvlak dat ik tussen Nederland en Frankrijk ontdekte.

Ik begon er in Frankrijk achter te komen dat wat een roman of een gedicht heet wel eens tegengesteld kon zijn aan hoe men dat in Nederland ziet. Zo spreken dichters liever over een boek dan over een bundel en ziet een Frans dichtboek er ook anders uit. De filosofische verhandelingen van Phillipe Beck bijvoorbeeld uiten zich in dichtregels; ze zijn verdicht en springerig in hun thematiek en toon. Binnen de gelederen van Java bestonden discussies of dit nog wel kon: een gedicht in dichtregels. Jacques Roubaud opende de aanval op het ‘Vers International Libre’, het vrije vers dat makkelijk vertaalbaar zou zijn. Ik verstond die lezing, als Defence of Poetry gebracht tijdens Poetry International 2002, inmiddels in Frans perspectief. In Frankrijk schrijven de Gallimard-redacteuren André Velter en Guy Goffette het soort gedichten waar Roubaud op doelde. Een krappe maand eerder had Roubaud in Parijs het werk van de Nederlandse Vijftigers dan wel in internationaal opzicht niet al te experimenteel, maar gewoon goede poëzie genoemd.

In de Tipi vond een avond plaats die geheel en alleen rond Christophe Tarkos was opgebouwd. In dat jaar, 1998, verscheen van hem niet minder dan 800 pagina’s aan oorspronkelijke poëzie, wat mij de indruk gaf dat de Fransen elke letter die ze schrijven ter publicatie aanbieden. Nu is het er niet ongebruikelijk dat iemand die opschuift naar een andere of iets grotere uitgeverij, ook zijn vorige nog blijft bedienen, wat zwaar op de productie drukt. De voordracht van Tarkos werd voorafgegaan door een geluidsopname van een dichter die hem had beïnvloed. Het bleek de krakende stem van William Burroughs te zijn en dat verbaasde mij nogal. De cut-ups van Burroughs leken me mijlenver te staan van waar de dichtkunst zich in de jaren negentig mee ophield. Andersom kunnen mensen in Frankrijk nauwelijks geloven dat iemand nog na zijn twintigste de inderdaad grimmige maar precies geformuleerde aforismen van Emile Cioran tot zich neemt.

De naam Burroughs en die van andere Amerikanen zouden voortdurend vallen in Frankrijk, zo merkte ik spoedig. Aanvankelijk vermoedde ik dat de Franse poëzie zo afwijkt van de Nederlandse door de historische avant-garde stromingen die hier geëerd worden. Ik begreep later dat de invloed van de Amerikaanse poëzie niet minder was.

Ontmoetingen

Ondertussen leerde ik niet alleen de Franse dichterswereld kennen, ook had ik gelegenheid het leven in de grote stad mee te maken. Het heeft me in winkels verbaasd dat het personeel over een fotografisch geheugen beschikt, en iedere klant die voor een tweede keer binnenkomt op een andere manier wordt verwelkomd. Kleine attenties en grapjes, een soort functioneel geflirt, lijken de raderen van het hogere tempo van de stad te oliën. De bus die door de straat reed waar ik woonde, had een open balkon waarop het was toegestaan een sigaret te roken. Leunend over de reling, boven het bewegende asfalt, leek het net op een boot, een boot die over land schuift.

Tegelijk zag ik deze periode de keerzijde van het Parijse leven. De huren, die in de richting van een modaal Nederlands inkomen gaan, maken dat veel Parijzenaren er twee banen tegelijk op nahouden, en ik heb veel twintigers meegemaakt die de indruk gaven van een gesjeesde zakenman of -vrouw in een midlifecrisis. De wildgroei aan psychoanalysten in de hoofdstad is berucht, en iedere boekhandel is rijk voorzien van kasten vol met het gedachtengoed van deze lieden. De psychiater Pierre Bruno hield bijeenkomsten met op de canapé Jeanne Moreau en de dichters Philippe Beek en Kevin Nolan. Ook deze man gaf een tijdschrift voor gedichten uit, het glossy Barca. Op een beurs ontmoette ik de redactrice van kinderboeken bij Hachette, die een welhaast manische liefde voor Nederland koesterde. Alles in Nederland was klein en schattig zo vertelde ze me, de kinderboeken waren er klein, de Nederlanders waren klein, de lieve kleine Nederlandse kindjes natuurlijk, de kleine grasvelden met groen en o zo kortgemaaid gras, de dieren waren er klein, Nederland zou helemaal vol staan met kleine paardjes koeien varkens en schaapjes. Ik wist niet hoe snel ik het beursterrein moest verlaten.

De Rue Saint Gilles waar ik woonde bleef niet vrij van de hectiek van de stad. De conciërge begon van alle bewoners geld te lenen, wat iedereen in de problemen bracht, en ook ik kreeg moeite bij te dragen in de huur van het kleine appartement. Ik melde me bij het Institut Néerlandais, aanvankelijk om er in een studio te verblijven. Henk Pröpper, die daar directeur was, ontplooide een serie colloquia over maatschappelijke thema’s. Dat waren spannende bijeenkomsten, waarbij werkelijk politiek werd bedreven. Chirac was nog niet lang aan de macht, en de relatie tussen Nederland en Frankrijk was verkild na de atoomproeven van Frankrijk en de veroordeling van het Nederlandse drugsbeleid. (In de Amsterdamse binnenstad kon je achter de ruiten affiches zien hangen met het opschrift ‘Stop Chirac in de bak’.) Henk Pröpper belegde bijvoorbeeld in het Institut een colloquium rond een uitgekiend vraagstuk: hoe informeren we schoolkinderen over de gevaren van het gebruik van drugs. Het colloquium duurde van ‘s ochtends tot ‘s avonds, en werd gevuld met lezingen en discussies. Het broeide in de zaal, en medewerkers van de Franse hulpverlening benutten de gelegenheid om vertegenwoordigers van de overheid te wijzen op de schrijnende gevallen die zij meemaakten. Een Nederlandse meneer van de vvd, nog naar Frankrijk gestuurd door Lubbers om ons drugsbeleid uiteen te zetten, werd verbaal in de schenen gebeten door twee jonge honden van de Parti Socialiste, wat de linksrechts verhoudingen op zijn kop zette. Op een gegeven moment betrad een delegatie van twaalf mannen de zaal, allen in donkere kostuums, waarvan er een tijdens het debat opstond om namens Jospin zijn waardering uit te spreken voor al het Nederlandse onderzoek op dit gebied en te stellen dat Frankrijk veel van Nederland kon leren. Het was ongemeen spannend. Tijdens zijn Parijse jaren heeft Henk Pröpper dergelijke bijeenkomsten georganiseerd rond vergrijzing, gezondheidszorg, de waterhuishouding, het Europa van de derde weg, en er het nodige aan gedaan Nederland en Frankrijk te laten communiceren: Zo werd Nederland cultureel prioriteitsland voor de Franse overheid.

Nederlandse dichters in Parijs

Ik kreeg de ruimte om poëziebijeenkomsten te organiseren in het Institut Néerlandais. We kwamen overeen dat Nederlandse poëzie gepresenteerd zou worden in wisselwerking met voordrachten van een aantal Franse dichters, wat zou bevorderen dat er een Frans publiek op afkwam dat dan ook de Nederlanders zou zien. Het een en ander begon te lijken op een festival, waarvoor we aanvankelijk een plek buiten het Institut op het oog hadden, maar in Parijs zijn alle theaters verbonden aan een bepaalde groep of blad en stroming, wat het een beetje moeilijk maakt een neutrale locatie te vinden. Het Centre Pompidou lieerde zich sterk aan Java en Action poétique, maar andere plaatsen zoals het gemeentelijke Maison de la Poésie hadden weer een eigen achterban, wat alles bij elkaar opgeteld literair Parijs toch groter maakte dan ik aanvankelijk dacht. We bleven dus voorlopig in het Instituut.

De bijeenkomsten spreidden zich uit over vijf jaar, en werden gemiddeld door een man of honderd bezocht. De Frans-Nederlandse tegenstellingen werden er scherp zichtbaar. Tijdens Tonnus Oosterhoffs voordracht van zijn ‘Notities van een weggejaagde arts’ kregen alle Nederlanders een collectieve lachbui, en kreeg ik evenzeer meelachend een stroomstoot in mijn bovenlip van het projectieapparaat waarop ik de plastic vellen met vertalingen verwisselde. De Franse aanwezigen keken een beetje glazig om zich heen bij de lachsalvo’s, met een blik die ‘rare jongens, die Hollanders’ leek te zeggen. Een paar jaar later, toen ik een andere vertaler andere gedichten van Tonnus Oosterhoff liet omzetten, raakten Franse lezers wél aangestoken door zijn humor. De Nederlandse poëzie werd in haar verscheidenheid welwillend ontvangen door de Franse dichters, al liep er wel eens iemand met veel bombarie de deur uit omdat hij niet nadrukkelijk genoeg genoemd werd in een inleiding of naar zijn smaak te weinig applaus had gekregen. Dat er veel Franse dichters zijn die niet door dezelfde deur kunnen was me al bekend. Kwestie van temperament, zou je kunnen zeggen, al zal meespelen dat men voor voordrachten in Frankrijk niet altijd betaald krijgt, en dat er aan onderlinge vetes en navenante profilering een groot belang wordt gehecht. Desalniettemin had ik geen problemen ze uit te nodigen voor het Institut, dat als klein Nederlands eilandje in Parijs een soort veilige enclave vormde.

De bijeenkomsten bracht ik onder de aandacht door tijdens lange wandelingen door Parijs folders langs te brengen bij theaters, instellingen en boekhandels, zoals Librairie Ignazi. Michele Ignazi is een Franse boekhandelaar van de oude stempel, die liever over boeken praat of met auteurs dan iets te verkopen, en die ook jonge dichters bij naam kende en met hen geregeld over hun werk sprak. Dergelijke adressen maakten het verspreiden van uitnodigingen een plezier. In Den Haag had ik de ervaring dat men je ook voor een literair programma als een colporteur van reclame behandelt, maar in Parijs werd er aardig bedankt voor de folders, die een plaatsje naast de kassa kregen, en zo leerde ik alle medewerkers kennen van de boekhandels die een ruime voorraad poëzie hebben. Wat dit betreft koestert Frankrijk de leescultuur. Bepaalde boekhandels zijn tot ‘s nachts open, en in veel boekhandels ruikt het anders dan in Nederland. Je ruikt er versgesneden papier en drukinkt, die een beetje zoetig ruikt. Het werk van de dichters vond ik sterk afgeprijsd in wat muffigere winkeltjes op de linkeroever en met name op de boekenmarkt in het Parc George Brassens. Eens in de maand wordt alles wat niet verkocht is in dozen aangeboden, waarvoor de chic geklede boekenliefhebbers op een zelf meegebracht stuk karton of een plastic tas neerknielen. De boeken van hun keuze brengen ze naar een grote weegschaal, waar op basis van het gewicht afgerekend wordt. Graaiend in deze dozen tref je nieuwe dichtbundels aan, met kaartjes van de uitgeverij waarop de auteur vleiende beleefdheidsgroeten aan diverse recensenten heeft geschreven. Dit bleek in Frankrijk de gewoonte. Als zijn boek verschijnt wordt een auteur geacht een hele dag op de uitgeverij hoffelijke woorden op kaartjes te noteren.

Dankzij de bibliotheek in het Institut Néerlandais kon ik de Nederlandse kranten en tijdschriften bijhouden, en ook vond ik er essayistiek over Franse literatuur. In een essay over Raymond Roussel trof me de beschrijving van zijn taalmachines. Bij veel hedendaagse Fransen die ik hoorde voorlezen en las zag ik een dergelijke maniakale aanpak. Zo is er Charles Pennequin, een politieagent uit Le Mans, die iedere avond aan de keukentafel gedichten schrijft over de televisiesoaps waar zijn vrouw naar kijkt, gedichten die hij opgewonden heen en weer springend voordraagt. Het is een werkwijze waarbij methode en resultaat samenvallen, een opzet die duidelijk is voor de toehoorder, wat de Fransen graag hebben. Een gedicht over televisiegeluid is niets, maar een hele bundel en serie voordrachten maakt indruk. Ik noem deze opzet vaak het Guinness Book of Records-dichten, of de één ei is geen ei methode. Bij het Institut Néerlandais meldde zich Patrick Beurard-Valdoye, docent aan de kunstacademie van Lyon, die in etappes langs de complete Maas en Rijn liep, elk woord dat hij op een bord zag dat te maken had met die rivier noteerde, en die woorden aaneencomponeerde tot lange litanieën, complete boekwerken. Dit klinkt naar een conceptuele opzet, maar dat is een begrip dat je in Frankrijk beter niet hardop kunt gebruiken, omdat het een verwantschap suggereert met conceptuele kunst en dat vinden ze er niet prettig. Repetitief, ja, dat woord is wel toegestaan. Probeerde ik in het Institut Néerlandais de meer klassieke dichter Jacques Dupin te brengen, dan liet het publiek het afweten. Jacques Dupin is auteur van erotische en esthetische gedichten en nog secretaris geweest van Giacometti, over wie hij een studie heeft geschreven. Dupin debuteerde in 1950 met Cendrier du voyage, ingeleid door René Char met op de kaft een afbeelding van André Masson. Met het fijngevoelige werk van Dupin voelen de meeste jongere dichters geen enkele verwantschap.

Inmiddels was op maandag 2 januari 2000 het Centre Pompidou heropend, met een nieuwe verdieping met de uitgebreide collectie 1980-2000. De lezingen verhuisden terug naar een ruimte in de parkeergarage onder het gebouw. Op dezelfde dag lag in de boekhandels de Gallimard-bloemlezing van de twintigste-eeuwse poëzie, waarin me de fragmenten opvielen uit Stenen van Roger Caillois, dat in Nederland juist als proza was uitgebracht. Ook verscheen er een alternatieve bloemlezing getiteld Pièces détachées, samengesteld door Java-redacteur Jean-Michel Espitallier. Espitallier, inmiddels zelf uitgegeven door Flammarion, koos uit het werk van twintig Java-angehauchte auteurs een fragment, en liet dat inleiden door een biografische schets en poëticale uitspraak van de betreffende dichter. De bloemlezing opende met een motto van Gilles Deleuze, die veel meer dan Jacques Derrida als de inspirator van dichters geldt. Het is een fragment uit de interviewbundel Pourparlers, en behelst Deleuzes definitie van stijl, namelijk het in je eigen taal als een vreemdeling kunnen stotteren. De pocket, uitgegeven door de Éditions Pocket, werd door Espitallier gepresenteerd op M6, een soort Veronica-achtige televisiezender. Dit was in Parijs een noviteit. Er werd van staatswege alles aan gedaan om de dichtkunst van haar voetstuk te halen en onder de mensen te brengen.

In de maand maart werd de Printemps des Poètes gehouden, een week waarin cafés en restaurants vieren dat le verre en le vers met dubbele tong hetzelfde klinkt, waarop met geheven glas gedichten gereciteerd worden. Alle etablissementen die aan deze heildronken meededen kregen een klein stickertje van Le club des Poètes op de deur. De minister van Buitenlandse zaken Dominique de Villepin, van wie bij Gallimard ‘hors catalogue’ een vuistdik boek over poëzie verscheen, opende de week met een toespraak waarin hij stelde dat het weliswaar moeilijk was om dichter te zijn, maar dat het vooral goed was om dichter te zijn. In het Institut droeg Jaap Blonk zijn klankgedicht ‘De minister betreurt dergelijke uitlatingen’ voor, waarbij hij in de eerste versies de regel net zolang herhaalde tot er alleen de medeklinkers van overbleven, zodat hij grommend van woede zijn verontwaardiging uitte, en in de tweede versie de klinkers overhield, waardoor hij smeekte of de uitlatingen teruggenomen mochten worden. Het blad Télérama, een soort Televizier, plaatste voor de poëzieweek een interview met Philippe Beck. Becks nieuwe bundel verscheen bij de grote uitgeverij Flammarion, waarvoor hij werd gefêteerd op de Salon du livre, de grote boekenbeurs vol kleurrijke stands met hapjes en drankjes, posters en dummies. Dwalend over de beurs stuitte ik op Jacques Chirac, die zich kenmerkend in de handen wreef met een blik die leek te zeggen: ‘Leuk, boeken!’ De president had er blijkbaar flink de pas in gezet, want nadat ik hem passeerde werd ik door een lijfwacht over een tafel heen geslingerd naar een ander voetpad. Bij de dat jaar nog kale Nederlandse stand zag ik een keurige jongeman en jongedame achter twee stapels Ons Erfdeel en Septentrion zitten, die beiden doodsbang leken een vraag te moeten beantwoorden. Volgens mij was het meisje Vlaams en de jongen Hollands en ze vormden een schitterend stel.

Nederlandse poëzie vertaald

Op een andere beurs, de Salon de la Revue, sprak ik Jean-Pierre Boyer aan, de uitgever van Farrago. Farrago publiceerde uitsluitend poëzie en essays, en was door zijn fusie met de zakenman Léo Scheer en verspreiding via het distributienet van Flammarion de grootste van de kleinere uitgevers. In de fondslijst vond ik cahiers over Jacques Dupin en Claude Esteban, debuten van Franse dichters en ook een uitgave van Bert Schierbeek. De uitgever zei ja op mijn voorstel een overzicht uit te brengen van vertaald werk van de Nederlandse dichters die ik in het Institut had laten voordragen. Hij hoefde daarvoor niet eens een manuscript te zien. Ik werd aan hem voorgesteld door Jean-Michel Espitallier en Éric Suchère die voor de kwaliteit van wat ik te bieden had instonden. Éric Suchère assisteerde me bij het Institut en maakte de keuze van Franse dichters die er voordroegen. Ik leerde dankzij hem Parijs opnieuw een beetje waarderen. Typisch voor Fransen is dat ze je eerst op de proef stellen en uitdagen, en als je dan al niet verbolgen over zoveel chauvinisme terugkomt, ben je plotseling onderdeel van een hartelijk gezelschap. Suchère was daarbij een gewone jongen uit de banlieus die net zo lief over andere dingen dan poëzie sprak. Hij verstuurt maandelijks een kaartje, steevast op de vijfentwintigste, met op de voorkant een afbeelding en op de achterkant een tekst. Het is een circulaire die Éric Suchère sinds zijn dertigste verjaardag volhoudt en tot in zijn zestigste levensjaar wil doorzetten, precies zolang totdat hij Petrarca kwantitatief heeft verslagen. De kaarten worden exact naar 25 ontvangers gestuurd, hetgeen betekent dat als er een nieuw iemand in zijn leven komt er een ander uit moet, volgens het principe dat uitsluiting een van de weinige wapens van de kunstwereld is. De teksten interesseerden me. Ook al is de programmatische opzet vergelijkbaar met die van Java, en de afbreking van grammatica evenzeer, de teksten van Suchère zijn sterk beeldend en enkelen van zijn voorstellingen beklijven. Via Suchère maakte ik kennis met een nieuwe generatie Fransen, die minder strikt binnen de avant-gardeprincipes blijven, en waarin het lyrische subject en een narratieve lijn een sterkere rol spelen dan voorheen. Net als Beurard-Valdoye was Suchère verbonden aan een kunstacademie, hij aan die van Saint Etienne. Deze tendens was breder in de Franse poëzie, waar veel dichters als Professeur du Culture Général aan een kunstacademie verbonden waren, daar voornamelijk over poëzie praatten maar evenzeer op beeldend werk reageren. Henri Deluy signaleert deze tendens en daarmee mogelijke invloed op de poëzie in het voorwoord op zijn bloemlezing van de jongste dichters Autres territoires.

Met Éric Suchère voelde ik me minder geremd om de tegenstelling tussen de Franse en Nederlandse dichtkunst door te nemen. Hij schreef de stelselmatigheid waarmee Franse dichters te werk gaan toe aan een angst voor lyriek en sentimentaliteit. Hij benadrukte de grap, zoals die van zijn eigen serie, het plezier, en noemde Denis Roche en Francis Ponge invloeden op de hedendaagse poëzie. Hij vertaalde gedichten van de Amerikaan Jack Spicer, die door de Franse tijdschriften werden opgenomen.

Het heeft me altijd verbaasd dat de in het Nederlands vertaalde dichters Lars Gustafsson, Zbigniew Herbert en Tomas Tranströmer onvindbaar zijn in Frankrijk. Op een poëziefestival in Taiwan heb ik meegemaakt hoe de Estlandse dichter Jaan Kaaplinsky een sterke scheiding maakte tussen een Noordelijke stroming, die hij protestant noemde, en Zuid-Europese poëzie. Kaaplinszky hechtte aan dit onderscheid om de aanwezige Franse dichter Marc Delouze op afstand te houden, die gekleed in een oranje jurk aan het publiek allemaal intieme en esoterische vragen en opdrachten op kaartjes gaf bij wijze van voordracht. Kaaplinski’s stelling is hoogstwaarschijnlijk met opzet overtrokken. De Pool Herbert was katholiek, Kaaplinski zelf praktiserend boeddhist, en ook in Nederland kennen wij genoeg dichters uit het katholieke Brabant en Limburg. Maar Kaaplinski doelde op een vorm van het vrije vers, waarin een aantal beelden op een pagina een relatie met elkaar aangaat. De fixatie die de Fransen op Amerika hebben, lijkt in contrast te staan tot de politieke onenigheid. Maar de stelling, die ik in De Groene las, dat Frankrijk Amerika bekritiseert op die punten waar het zelf als wereldmacht precies hetzelfde zou doen, leidde tot heftige instemmende hoofdknikken van Éric Suchère. Het succes van Spicer in Frankrijk plaatste hij in de lijn van dat van de Fransman Olivier Cadiot: humor, geestigheid, vaart, en iets proza-achtigs dat afwijkt van die poëzie die zijn status van poëzie toont. De Amerikaanse poëzie helpt de Franse om een zwaar metaforische poëzie en de metafysische en lyrische overdrijving daarvan op te geven, zoals Éric Suchère het formuleert. De Amerikanen figureren in het werk van meer jongeren. Éric Giraud, die hier in Marseille een internationale poëziebibliotheek leidt, bracht in het Institut een serie getiteld ‘Le fabrication des Américains’. Met een knipoog naar Kurt Tucholsky’s aanstekelijke Pyreneeënboek wilde ik dit laten vertalen als ‘Het kweken van Amerikanen’, maar de vertaler Kim Andringa hield voet bij stuk en het werd ‘Het vervaardigen van Amerikanen’. Caroline Dubois bracht een serie over een grote, plompe onhandige Amerikaan, die indruk maakte op het Franse meisje Malecot. Het prototype was liefdevol neergezet, met de mengeling van spot en bewondering die de Fransen jegens het Wilde Westen koesteren.

De anthologie bij Farrago kwam tijdens de Salon du livre 2003 uit onder de titel Le verre est un liquide lent. 33 poètes néerlandais. Ook het chique blad Po&sie had me gevraagd een Nederlandse aflevering te verzorgen. Daarvoor woonde ik een bijeenkomst bij in het appartement van hoofdredacteur Michel Deguy, die tevens de baas was van het Maison des écrivains en in de Bibliotheque Nationale de France uren durende conférences over poëzie voorzat, waarbij vooral gediscussieerd en niet voorgedragen moest worden. De entourage kwam op me over als een griezelfilm. Tussen hoge wanden vol Pléiades zat in het Lodewijkse appartement de voltallige redactie van het tijdschrift die met grote verbazing naar de gedichten op tafel keken. Po&sie bestond inmiddels geruime tijd en plaatste voornamelijk vertalingen, met Nederland onderhielden ze nauwelijks contacten.

Na deze escapades achtte ik mijn missie voltooid en vond ik het welletjes met de Fransen. Ik maakte het mee dat een Franse dichter door zijn literair niet al te diep ingevoerde vriendin werd aangespoord om zo te schrijven als de Nederlanders, opdat zij en de verdere schoonfamilie ten minste een beetje konden volgen waar de jongen nou mee bezig was. Dit werd ook mij wat veel van het goede en ik begon stichtelijke taal uit te slaan: dat iedere literatuur nu eenmaal zijn eigen ontwikkeling kent, waar de literatuur van een ander land mogelijk invloed op uitoefent, maar niet het ritme van bepaalt.

Maar de Fransen zijn trouw als je uiteindelijk in hun cercles bent doorgedrongen, en nog steeds ontvang ik met de post allerlei al of niet gesigneerde toestanden, uitgaven als Issue waarin opnieuw de Frans-Amerikaanse poëtische verwantschap wordt geanalyseerd, verhandelingen over het verschil tussen a-prose en anti-prose, tijdschriften als Nioques en Tija die de nieuwe avant-garde uitroepen op basis van door de computer bewerkte teksten, en sporadisch een uitnodiging. En zo kreeg ik voor drie maanden de beschikking over dit donkere appartement in de Refuge, de immigrantenwijk in het oude centrum van Marseille. Anders dan bij Ferrad in Belleville heb ik nu wel een sleutel. Marseille is misschien wat rauw, maar loom en ontspannend vergeleken bij Parijs. Aan de andere kant van de haven dijt de stad over een schiereiland uit. Voor de kust liggen eilandjes, wat een nogal theatraal uitzicht geeft. Op de punt van het schiereiland staat een groot gebouw van het Vreemdelingenlegioen. Van de rotsen daaromheen springen Marseillanen in het nog koude water en zwemmen een paar slagen. De weg naar het schiereiland buigt na de haven langs de kust. In een scherpe bocht ligt een terras op het grote trottoir, onder het gezicht van Zinedine Zidane die ons vanaf een hele zijgevel toelacht. Rond het terras loopt een reling die, als je je tot een bepaalde hoogte bukt, precies samenvalt met de einder van de Middellandse Zee.

soms is de zee een bol;
soms is de zee
niet zo een bol.

(Hans Faverey)

*

Deze brief verscheen maart 2004 in Raster nummer 105, 'Lettres'