Deze rubriek verscheen 24 november 2011 in de rubriek Dichters en denkers van De Groene Amsterdammer op www.groene.nl/boeken


DADA


Tonnus Oosterhoff publiceerde zijn zesde dichtbundel, Leegte lacht. Die sluit wat humor betreft aan bij zijn hilarische derde (Robuuste tongwerken,) een stralend plenum. Tegelijk blijft hij zijn eigengereide experimenten verder uitbreiden. In het Museum Dr8888 loopt een grote overzichtstentoonstelling van de broeders Thijs en Evert Rinsema, beiden schoenmaker en respectievelijk schilder en schrijver. In een uitgave van het museum verschenen de Denkbeelden van Evert Rinsema.

Theo van Doesburg, grondlegger van De Stijl, ontmoet als hij in 1915 in dienst is en zijn schoenen wil laten maken een schoenmaker die Plato zit te lezen. Hij is verrukt, hij vindt iemand om mee te praten in de oersaaie compagnie in Tilburg. Het is een Fries, hij heet Evert Rinsema. Later zou Rinsema voor Van Doesburg zijn vertrouwenspersoon worden voor de conflicten en de impasses waar hij als kunstenaar in belandt.

Evert Rinsema kon theoretiseren over de eenvoudigste dingen. Hij vroeg zich af of als je water uit een kan schonk het onderste gedeelte het eerst eruit kwam. De schoenmaker stelde: 'Als ik een schoen gelijk moest maken, ik zou haar in 't laatst geloof ik toch slechter maken.' Hij woonde in het noorden, Drachten, en kende de natuur goed. Hij wist dat wanneer de lucht iets lichter werd als het begon te regenen het warmer zou worden. Het was een kijker, die Rinsema, een observator. Het fascineerde hem, terwijl hij het middagmaal at, hoe een kip als die stilstond nooit helemaal recht stond. Hij zag dat een zwarte kat pas zwart was als het een wit befje had, zo niet dan was het zwart veel valer. Hij dwong in de correspondentie met Van Doesburg de soms wat al te uitbundige theoreticus tot eenvoud.

De schoenmakerij van Rinsema deelde Evert met zijn broer Thijs, die schilderde. Die kon, volgens K. Schippers in Holland Dada, een verwondering in de voorwerpen brengen, in de figuren zelf zonder de omgeving. Veel van zijn stillevens bijvoorbeeld kenden geen schaduwen, geen contouren van een tafel, de tafelrand leek eerder op een horizon. Hij had de abstractie in zijn vingers voordat hij terugkeerde tot portretten en stillevens. Van Doesburg beïnvloedde ook de schilder Thijs, alsmede de dadaïst Kurt Schwitters, die in de schoenmakerij langskwam en door het raam naar binnen stapte en samen met Thijs collages maakte van wat ze op strooptochten door het bos bij Olterterp verzamelden en uitspreidden op de hagelwitte sprei van mevrouw Rinsema, die daar minder blij mee was. Het zijn de beroemde Merz-werken van Schwitters. Ze maakten ook doosjes om weer voorwerpen in te bewaren om andere collages mee te maken. In de schoenmakerij stonden in de etalage schilderijen tussen de schoenen. De schoenmakerij en de 'De Stijl'-kamer ernaast waren in de kenmerkende primaire kleuren van de stijl geverfd, geel, rood, blauw. Evert maakte zelfs schoenen in die kleuren. Het was ongekend zowat een eeuw geleden en het vond plaats in Drachten.

Het aardige van de overzichtstentoonstelling is dat men in het museum Dr8888 de schoenmakerij en De Stijl-kamer heeft nagebouwd. Men heeft mensen opgeroepen werk van Thijs Rinsema in bruikleen te geven, wat veel plaatselijke particulieren deelgenoot maakt van de collectie. Veel waarde aan hun werk hechtten de broers indertijd niet. Brieven van Kurt Schwitters werden gebruikt als mal om de maat van een voet op af te tekenen en versneden. Schilderijen werden weggegeven, ook om als doeken te laten gebruiken en over te laten schilderen. Nu alsnog een groot deel van zijn werk bijeengebracht is, valt op hoe veelzijdig het is. Rinsema gaf, bij monde van K. Schippers, in zijn collages 'speels vakantie aan voorwerpen die in het dagelijks leven door veelvuldig gebruik weinig momenten van rust kennen'. Daarnaast zijn er kubistische schilderijen, schilderijen waarin de beweging van voetballers (Thijs Rinsema zijn zoon Dirk speelde voetbal) en paardrijders zijn gevangen. En als genoemd stillevens, maar geen gewone. Bijzondere aandacht is er voor verstorven takjes en distels, met vreemde objecten die de broers verzameld hadden op de voorgrond.

Thijs Rinsema jr., kleinzoon van de schilder en cultuurhistoricus, heeft nauwgezet het leven en werk van de broers in kaart gebracht. Het is een mooie, geïllustreerde uitgave van Museum Dr8888, waarin directeur Paulo Martina in een nawoord getiteld Thijs Rinsema en de schoonheid van het alledaagse zijn werk in een internationaal verband brengt, bijvoorbeeld een fotogram van Man Ray naast een compositie van de Friese schoenmaker plaatst. Als Siamese tweeling van de uitgave is een kleiner boekje Denkbeelden van Evert Rinsema verzameld, ook bezorg door Thijs Rinsema jr.. Een deel ervan is ooit gepubliceerd als Verzamelde volzinnen, een uitgave van De Stijl van Van Doesburg. Schwitters heeft nog enkele van die volzinnen voorgelezen bij een voordracht in zaal de Phoenix in Drachten in 1923, op het eind van zijn Dada-veldtocht door Nederland. Holland is Dada, schreef Schwitters. Naar verluidt reisde hij vierde klas, met een zak aardappelen en een spiritusbrander voor als hij honger kreeg. 'Je weet nooit of je plotseling iets nodig hebt', verklaarde Schwitters de aanwezigheid van een hoefijzer en een aantal stenen in zijn bagage tijdens een andere reis.

Fraai is het de denkbeelden te leggen naast de brieven van Evert Rinsema aan Theo van Doesburg, die Schippers opnam in Holland Dada. Rinsema filosofeert dat rijken helemaal geen kunst kopen omdat ze iets mooi vinden. Ze kopen iets dat andere mensen ook mooi vinden, om het aan hun te ontnemen en voor hun zelf te houden. Daarom willen ze weten welke werken in de smaak gaan vallen. Het gaat hun om het onttrekken van het werk aan het publiek, om het alleenrecht door de aankoop en om als bezitter naam te maken. Dat is een tamelijke politieke gedachte, terwijl de vrienden van de broeders Rinsema, Van Doesburg en Schwitters, zich zijdelings van het radicale begin van Dada opstelden, althans van gangmakers als de dichter Huelsenbeck ('Onze koningin op haar zomerverblijf: de koeien spelen schaak op de telegraafdraden.') Dada wilde niet bekeren, ontkent de evolutie. Volgens Anthony Kok, ook een vriend in dezelfde legercompagnie, werd door Dada het woord weer open, werd het materie. Theo van Doesburg, die zijn hond Dada noemde, wilde 'het leven explikeeren'. Hij zag Dada als antikunst, niet als uitbreiding van het materiaal van de kunstenaar. Volgens zijn redevoering waarmee de avonden van de Dada-veldtocht opende, berusten de bestaansmogelijkheden van de ballast, ballast van leven, kunst, religie, politiek, filosofie, slechts op twee dingen: reclame en suggestie.

Tegenover dat geweld aan theorie en vertoon was de kunst van de Friese broers ingetogen en vooral subtiel. Het kubistische werk van Thijs Rinsema leek een persiflage op de ernst van het kubisme, het was zachter, esthetischer, verfijnder. Thijs was volgens K. Schippers een naïeve abstract, had charme, kinderlijke humor en warmte. En Evert noteerde uiterst sensitief: 'Ik heb meermalen ondervonden dat wanneer ik aan iets onbenulligs denk, ik juist mijn pas ga versnellen.' Theo van Doesburg zei terecht over zijn teksten: het leven zit erin. 'Gij zijt niet wakker als ge nog geen lust hebt op te staan,' is ook een rake gedachte. IJzersterk en altijd toepasbaar is de volgende: 'De menigte oordeelt niet, zij vonnist.' En dit is ook een mooie:

Geeft aan bloemen als u bloemen heeft
geleidelijk en langzaam water
maathouden
doe het alsof gij 't niet doet
daarbij neuriënd.

Via de broers raakten stadsarchitect van Drachten C.R. de Boer onder invloed van Van Doesburg en De Stijl - en dat maakte dat een rij huizen felle kleuren deuren en kozijnen kregen, indertijd meteen door de bevolking met afkeer omgedoopt tot de papegaaienbuurt. Die rij is inmiddels in ere hersteld. Er zijn zelfs interieurs ontworpen door Van Doesburg ('dat scheelt behangen', zoals een van de bewoners opmerkte) en zelfs tuinen, al scheen de voorman van De Stijl niet veel verstand van bloemen te hebben en kunnen die wel eens  stukken moeilijker te verwezenlijken zijn.

Of het iets met de toegenomen aandacht voor Dada te maken heeft durf ik niet te beweren. Onlangs verscheen de zesde dichtbundel van Tonnus Oosterhoff, iemand die uiterst geestig en fijnzinnig de tijdsgeest weet te vangen in toch hoogst eigen en eigenaardige gedichten. Het gaat goed met de dichter, zo krijg ik de indruk, hij is minder somber dan in zijn voorganger, Ware grootte uit 2008. De concluderende strofe uit die bundel was kernachtig naar weinig hoopvol. Die 'ware grootte' uit de titel leek een 'meetsnoer over de aarde', bestaande uit rechte lijnen die gebogen worden 'zodat je je, als je je tot verzet opricht, juist bukt'. Ik vrees dat ik veel herken in die gedachte, al is die pessimistisch. Voor Tonnus zijn doen was die tamelijk ernstig en zwaar op de hand geformuleerd. In Leegte lacht keert dat meetlint terug, maar nu in een hilarisch gedicht over penisverlenging volgens de 'spamhaai' Shasta Merilyn en is die ware grootte een 'dauwpunt' die mijmert over 'de ziel als rustplaats'. We kunnen opgelucht ademhalen. Tonnus maakt ons weer aan het lachen. En dat betekent helemaal niet dat het minder slecht gaat met de wereld, integendeel. De humor en de speelsheid zijn terug, dat is het.

Wat is het toch dat we Tonnus eigenlijk zo adoreren? Wij, die literaire goegemeente, die paar lezers. Ooit stelde ik een Franse bloemlezing samen van werk van 33 Nederlandse dichters die Frankrijk bezocht hadden. Ik liep ermee rond op de Salon du livre in Parijs van 2003 en liep een medewerker van Radio 1 tegen het lijf. Leuk, poëzie, riep die. Hij bekeek de namen die erin stonden. Bij Tonnus Oosterhoff verstijfde hij en legde het boek neer. Dat was geen dichter. Dat was voor hem de antichrist. Dat was geen poëzie. Hij liep boos weg. Terwijl... een bloemlezing hedendaagse poëzie zonder Tonnus Oosterhoff, wie kan zich dat indenken? Als er iemand is die helemaal niet tegen die adoratie kan. is het de dichter zelf. In zekere zin heeft hij het over zich uitgeroepen door al in zijn tweede bundel De ingeland een gedicht te schrijven over zijn eigen naam. 'Je bent zo integer, zo  bescheiden...'

Criticus Arie van den Berg bracht eerder Tonnus Oosterhoffs werk in verband met Jan Elburg. Ik moest hem na aarzelingen daarin toch gelijk geven. Er zit iets van de durf, de baldadigheid van de Vijftiger in Tonnus zijn werk en hij is ook daadwerkelijk voor hem van belang geweest. Arnoud van Adrichem kapittelde onlangs op De Reactor [] Van den Berg zijn bespreking in NRC van Leegte lacht, waarbij hij zich op het begrip 'geëngageerde lectuur' beroept. Het deed me denken aan de uitspraak 'Taal is toch ook van de wereld' van Paul Bogaert, in een publieksgesprek met Marc Kregting, die verhitte discussies over werkelijkheid en engagement prachtig relativeert. De reactie op de NRC verraadt weer het onhebbelijke ('Afblijven! Tonnus is van ons!'), dat telkens weer de kop opsteekt. Bij een bijeenkomst tussen makers van literaire tijdschriften, een jaar of tien geleden, riep de dienstdoende redacteur van De Revisor dat Tonnus Oosterhoff alleen bij hun mocht publiceren, hij stond voor het soort poëzie dat zij brachten. Het pijnlijke was dat de redacteur van Tirade die naast hem zat in zijn eerdere functie van fondsredacteur bij De Bezige Bij Oosterhoff ooit had laten debuteren. Die zou dus geen gedichten meer van hem mogen afdrukken. Het is een dergelijk gekrioel als het Tonnus Oosterhoff betreft waar waarschijnlijk de dichter zelf claustrofobisch en allergisch van wordt, en dat ook een net wat breder publiek afkerig maakt, omdat het te intern, teveel voor de insiders is. Ze laten de dichter niet vrij om zelf tot het publiek te spreken.

Ja maar waarom dan? Ik denk omdat iedereen die gedichten schrijft en in de literatuur opereert snapt hoe eigenzinnig en persoonlijk Tonnus als dichter blijft, hoe scherp hij is, hoe gevoelig. Vandaar, in een poging Oosterhoff maar weer eens gewoonweg te lezen: in de bundel komen veel dieren voor. Om te beginnen een aap, die dient als introductie. Vervolgens een poes, poes genaamd, die de hele bundel lang als een soort tweede vertelpunt optreedt, die door het gras loopt en aan een theepot ruikt die daar is blijven staan. Hij 'heeft zijn onzichtbaar horloge om,/ hij kijkt er met zijn hersentjes op.' Het is zeker zo dat de dichter veel feitelijke maatschappelijke elementen in zijn bundel zet ('service/ van KPN-kwaliteit, menswaardige/ zorg', 'bedelaar gevolgd door surveillance-camera', 'aanmaning kamer van koophandel waarvan de wet me dwingt lid te zijn'). Maar dat deed hij net zo goed in eerdere bundels die verschenen toen het begrip engagement zo ongeveer taboe was ('We organiseren een antifascistische avond. De avond valt; hij niet antifascistisch', en 'de nsb'er danst onschuldog met de nsb'se').

We hebben een kat genaamd poes op de bank, een muis onder de bank en een rug en een buik die verschillende entiteiten zijn. En ook nog een pot visfond die door de kamer rolt. Tonnus raakt langzaam aan steeds zotter in de taal, hij blijft zich per bundel meer veroorloven. In Freule met labrador: 'De rijbaan wilde ik kruipend versteken.' Het maakt hem niet noodzakelijk hermetisch, dergelijke wendingen worden afgewisseld door die van een ontegenzeggelijke helderheid: 'staan blijven is blijven lopen'. Her en der wordt zijn humor macaber, ook meer dan voorheen is mijn indruk. Hij is abrupt en onmiddellijk. Vis op een markt gekocht wordt vervoerd in kraanwater 'juist toereikend voor het vervoer van een gewoon wonder'.

 

Opeens kan ik weer goed en veel lezen,
de galligheid is terug, de eerzucht, de verlegenheid.
Mijn geheugen wordt elke dag beter:
ik zie het kind zo helder,
ik kan er mijn haar haast in kammen.
De toekomst verstrooit het niet meer.

en alle kinderen verloren
stroomden opeens onderlangs

Ik onthoud Hölderlin weer, leer Russisch.
Wel vallen veel dingen van de plank
als ik ze terugzet.

Een 'nachtkrabbel' eindigt zo: 'Ik leg/ voor vandaag het dichterschap af./ Nu ik na het tandenpoetsen gorgel en daarna/ onder het uitstoten van zeehondengeluiden/ ritmisch op mijn lul sta te wijzen/ die uit mijn pyjamabroek hangt,/ lijk ik in niets op mijzelf.'

Hij schrijft 'val samen met het volk dat ik uitroei' maar ook 'geen vlieg doe ik kwaad, maar een volk'. Als altijd is zijn formulering raak en geestig: 'Ik ben, en dan hou ik erover op ook,/ verdwaald in de anekdotische wereld.' In de tekst Activiteiten en records zit een passage waarin hij bezoekers van een receptie die de koningin geen hand willen geven via een trappenstelsel verplaatst worden naar een ander gedeelte van de ruimte. 'Het Oranjehuis was, is niet, maar zal zijn,' klinkt het onheilspellend.

Een ander element is dat van de herhaling, simpel en bijna retorisch, dat ik niet uit zijn eerdere werk ken. Het komt in deze hele bundel voor., een regel, opnieuw in andere woordvolgorde, zoals:

 

De boot is verkocht,
de ligplaats vergeven,
maar de hond is aan boord.

Aan boord de hond nog.

 


Tonnus Oosterhoff, Leegte lacht. De Bezige Bij, 62 blz., € 17,50
Thijs Rinsema jr., Thijs en Evert Rinsema, eigenzinnig en veelzijdig. Museum Dr8888, 240 blz., € 24,95
Thijs Rinsema jr., Denkbeelden van Evert Rinsema. Museum Dr8888, 56 blz., € 9,95

De overzichtstentoonstelling van Thijs en Evert Rinsema in Museum Dr8888 loopt tot 18 maart 2012

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact