Deze rubriek verscheen 8 december 2011 in de rubriek Dichters en denkers van De Groene Amsterdammer op www.groene.nl/boeken

Kaal

Inge Braeckman publiceerde Incarnaties I, haar tweede bundel bij het Poëziecentrum Gent. De mooi verzorgde bundel bevat opnieuw intense lyriek die tegen alle stromingen in gaat. De winnaar van de Cervantes-prijs is Nicanor Parra, bekend van zijn Poemas y anti-poema's. Hij dicht onder meer over een directe trein  waar je achterin in kunt stappen, met je koffers doorheen kunt lopen en voorin uit kunt stappen. Verder een reactie op Piet Gerbrandy's artikel over Nobelprijswinnaar Tomas Tranströmer.

De Cervantes-prijs is voor de Spaanstalige literatuur wat de Nobelprijs is voor de wereld. Het gaat dan ook om een slordige 175.000 euro. De laureaat Nicanor Parra is inmiddels 97 en publiceerde zijn Poemas y anti-poemas in 1954. K. Michel, die een aantal gedichten van hem vertaalde [www.tijdschriftterras/altijd/vier-gedichten] spreekt van 'een tegendraads boek vol wrange humor, ongewoon kale regels en een heel eigen toon' dat dwars tegen de toen geldende regels in ging en haaks stond op de brede retorische golven van Pablo Neruda. Zijn invloed was groot en volgens een woordenboek 'vaak zonder meer schadelijk'. Roberto Bolano schreef over hem 'Eight seconds with Nicanor Parra' in Between Parentheses (New Directions, 2011).

Een ruime maand voor de bekendmaking van de Cervantes-prijs werd bekend dat de Nobelprijs zou worden toegekend aan Tomas Tranströmer. In De Groene verscheen een uitgebreid stuk (voor abonnees) waarin gesteld werd dat het 'de helers zijn die in de prijzen vallen, nooit de slopers'. Piet Gebrandy benadrukte de voorkeur voor het humanisme van de Zweedse academie die dichters als Seamus Heaney, Wislawa Szymborska en Derreck Walcott bekroont. 'Dichters die de taal molesteren omdat dit universum, en in het bijzonder de westerse beschaving, hen doet walgen, zien het riante geldbedrag aan zich voorbijgaan.' Tranströmer zet volgens hem vaak impressies naast elkaar en laat het aan de lezer over de verborgen connectie op te zoeken. Er zijn ook gedichten die hij 'belerend' noemt en de autobiografische schetsen zijn volgens hem 'nogal onbenullig'. Zijn stuk begint waarderend en eindigt na verschillende omschrijvingen in een trampoline. Na een paar dagen Tranströmer lezen snakt de recensent 'naar een flinke dosis hartstocht, vuil en onbeschoftheid'.

Wij hebben niet de gewoonte in De Groene om over De Groene te schrijven en dat vind ik een goed ding. Als er een bundel van een poëzierecensent verschijnt, krijg je geen plichtmatig positief stukje van de chef of een collega, zoals je vaak in de dagbladen ziet. Toch noem ik Gerbrandy's stuk omdat dat in mij tot een weerwoord oproept. Ik ben geen bespreker die een beeld wil geven van wat voor mij ideale poëzie is, liever lees en signaleer en citeer ik. Daarbij schrijf ik online sinds Piet Gerbrandy van de Volkskrant naar De Groene overstapte. Eerlijk gezegd vind ik sindsdien zijn recensies beter: doordat hij meer ruimte heeft, kan hij zijn opinie onderbouwen en meer essayistisch te werk gaan.

Toch brengt juist het stuk over Tranströmer een duidelijke polemiek teweeg, een opinie met een voorkeur voor het meer ronkende werk van Hans Verhagen en H.H. ter Balkt. Gerbrandy heeft het zelden zo pregnant uitgedrukt. Mooie, fraaie poëzie is er voor de Nobelprijswinnaars, lelijke, rauwe gedichten zijn er voor lezers als hij. In die tweedeling is er meen ik een omissie. Waar plaats je het werk van Gerrit Kouwenaar? Bij de karige dichters, allicht, maar je kunt onmogelijk beweren dat zijn werk veilig zou zijn. Waar plaats je de snijdende kaalheid en de samengestelde neologismen van Paul Celan in deze tweedeling? Al vind ik de beelden van Tranströmer mooi, ik kan ze ook huiveringwekkend vinden, als hij droomt over hoe hij geluidloos piano speelt op de keukentafel en de buren binnenkomen om te luisteren of langs de weg waarover hij rijdt de kippen zo groot zijn als ganzen.

Uiteindelijk heeft zoiets misschien wel van doen met hoe men ooit tot de literatuur is geraakt. Daarbij kan ik alleen voor mezelf spreken. Halverwege de jaren tachtig kende ik geloof ik alleen het werk van de komische Haagse schrijver Adriaan Bontebal uit het hoofd omdat ik met hem van Bedum tot aan Heist op den Berg in zowat ieder Open Jongerencentrum voordroeg. Het lezen en ondergaan van poëzie gebeurde pas later en met name elders. In een nummer van Bzzletin werd er een tweedeling gemaakt tussen taalvernieuwers en taalzuiveraars. Taalvernieuwers, denk aan Lucebert, zijn beeldenstormers, ze dichten overdonderend en meeslepend, over de rand heen, ze rekken het mogelijke en het gangbare op. De taalzuiveraar brengt het weer terug tot strakke gedichten, precieze gedichten, strak van concentratie, leunend op een spanningsboog van begin tot eind van het gedicht. De Hongaarse dichter Sándor Weöres wordt vaak tot de vernieuwers gerekend en is befaamd om zijn taalspel. Dat uitte zich niet altijd in gevallen van tekstuele exuberantie. Weöres gaf onder meer met schrijnende gedichten stem aan psychiatrische patiënten en schooljongens. Dat zijn vaak wezenlijk eenvoudig verhaspelde spreektaalzinnetjes, alleen wordt erin wel van alles op losse schroeven gezet.

Die andere Hongaarse twintigste-eeuwer, János Pilinszky, kreeg na zijn debuut in 1946 een publicatieverbod van tien jaar. We lopen naar een stapel stenen/ En plots vliegt er een vogel op, schreef hij in Ikonen van de grote stad. Hij schreef een gedicht voor Tomas Tranströmer, Uit het dagboek van een beul getiteld. Pilinsky was volgens zijn vertaler Erika Dedinszky getekend door zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog. De vertalingen in het Engels van Ted Hughes doen een beetje te veel denken aan een gothic-achtige vorm van doodskitsch avant la lettre. De Duitse vertaling Lautlos gegen die Vernichtung klinkt nogal gewijd en benadrukt juist het katholicisme van de dichter. Ik heb Dedinszky's vertalingen voor Poetry International (uitgegeven in een soort gestencild telefoonboek door de Rotterdamse Kunststichting) vergeleken met het latere bundeltje Krater, dat in 1984 bij Kwadraat verscheen. Een wereld van verschil, je ziet hoe vertalingen gedichten worden. 'Waarheen, hoe?' vraagt Pilinszky, om te antwoorden: 'weet ik veel.// Waarheen de soldaten./ Zoals de zee.// Waarheen de soldaten na de nederlaag./ Zoals de zee in gebroken monstrans'. Zijn katholicisme benoemt Dedinszky 'calvinistisch' want zeer pessimistisch en doordrongen van de Hongaarse variant van het existentialisme.

Op het eind van zijn leven verbleef Pilinszky in Parijs. Hij was een liefhebber van het theater van Tony Wilson. Hij raakte ziek en werd door Wilsons actrice Sheryll Sutton verzorgd, de actrice die op een troon een half uur onafgebroken indringend naar het publiek kon staren. Dat Sutton Pilinszky verzorgd heeft is waar, wel gefingeerd is het boek dat Pilinszky daarna maakt, Gesprekken met Sheryll Sutton. Het zijn dialogen over het theater, waarin hij achteraf ook haar stem vormgeeft. Pilinszky vertelt Sutton over de saaiheid die hem overviel toen hij als schoolkind literatuur las, die grote boeken. Terwijl later zijn grootste angst is dat die saaiheid nergens meer te vinden is. En dan volgt deze passage:

'De schoonheid is een labyrint. Er zijn veel mensen die zich er in wagen, maar halverwege worden ze moe. Sommigen blijken sterk genoeg om tot het middelpunt van het doolhof door te stoten en daar zit God op ze te wachten die ze opvreet en uitkotst. En zij, zij keren terug uit het labyrint, blijven bij de ingang staan en beginnen alle voorbijgangers heel zachtjes, heel vriendelijk naar binnen te loodsen.'

Helaas is Dedinszky na een busongeluk gestopt met vertalen en is er na Krater geen Pilinszky meer vertaald in het Nederlands, dit in tegenstelling tot vrijwel alle moderne talen. Ik meen dat die absentie iets over de literatuur zegt, net als de presentie van Tranströmer en de Pool Zbigniew Herbert. Kwam ik niet bij toeval pal voor de val van de Muur in Boedapest terecht en was Pilinszky niet de lievelingsdichter van mijn geliefde (ik geloof dat het meeste van alle kunde zich verspreidt door de kennis van en aan Vriendinnen, om de titel van een dichtbundel van Gerbrandy te parafraseren), dan was ik er waarschijnlijk niet zo doordrongen geraakt. Pilinszky dreef de zaak tot het uiterste, als leek het gedreven door een zwaar schuldbesef, een dat hem eerder stil maakte dan breedsprakig. Er bestaat geen veiligheid in de poëzie, in goede poëzie althans. En of het nu voorbeeldige humanisten zijn of eerder een soort jehova's getuigen die iedereen heel vriendelijk de poëzie staan binnen te loodsen, zoals in de tekst uit Besélnek Sheryl Suttonal... Het is afgebeende poëzie die nogmaals zichzelf onder het mes brengt. Het is, zoals in een regel van Pilinszky die haast op een Giacometti lijkt, 'een mens die uit de aarde steekt'.

 

Wie op een heel andere manier tegen de gangbare stromingen in gaat is Inge Braeckman, die juist onvervalst lyrisch schrijft. Haar debuut viel me eerder op als romantisch, vol beelden en metaforen en voortkomend. Ze leek voort te komen uit een associatieve ecriture automatique. Braeckman schrijft over kunst voor <H>art. Haar voorstellingsvermogen is groot, ze is vertrouwd met abstractie. Tijd en herinneringen lijken centraal te staan in haar debuut en in het hetzelfde jaar (2008) bij Het Zwarte Laken verschenen bundel Gedaantes, die de ondertitel (de elegieën van het beeld) droeg. De teksten daarin zijn overwegend prozagedichten, bij werk van Stefan Serneels, wat het hallucinatoire effect van haar taal alleen maar vergroot. Tijd dan vooral als negatie: 'je moet bedenken dat er geen tijd is, dat die tijd niet bestaat en niets anders is dan een mistig landschap waarover je ogen glijden voor het gesloten raam', zo schrijft ze in de 'Prélude' van die bundel. Wat heb je aan tijd in de zin 'ik vrees de vergankelijkheid van mijn spiegelbeeld'. Ook hier is sprake van lyriek:

 

            Ik heb

            Ik heb een vis proberen aan te raken in water

 

Haar werk is intiem, het is zoals in Spoorloos een individualistisch-eigen wereld: 'van alle gesprekken die ik voer of te horen krijg als ik koffie drinken ga, als ik op de trein achteloos in een krant zit te bladeren, als ik in een winkel verse vijgen koop als als als ik. Van alle gesprekken die mijn hersenen opnemen, herinner ik me 90%. Het moment dat ik ze neerschrijf ben ik ze kan ik ze mag ik ze laat ik me toe ze te vergeten.' 90 procent is opmerkelijk veel. Braeckman beschrijft een pijn die op het moment dat die ondraaglijk wordt, maakt dat ze achter de pc gaat zitten. Haar 'vingers krommen zich zoals de rug van een kat', de 'beelden tollen rond en rond' en de 'roekeloosheid aarzelt even'.

De nieuwe bundel Incantaties I opent in een atelier, 'een plaats/ voor het ontwaken en nakend/ raken.' Zolang als eeuwig is, heet de eerste serie gedichten uit de bundel. Braeckman spreekt van de 'valkuil van de slaap'  en 'in uw blik word ik opnieuw maagd'. Is het het model dat spreekt tegen de schilder? Ze schrijft over 'vlekken vergetelheid in een natijd/ die geen zon meer draagt'. Een typerende regel: 'de zee waarin wij bladeren/ vriest zelden dicht.' In het vijfde gedicht komen strepen voor die ontbrekende lettergrepen lijken te suggereren, zoals je die in de nagelaten schetsen en fragmenten van Leopold vindt, als heeft Braeckman ze met opzet willen onvoltooien. Er komen net als in haar debuut Engelse termen in haar gedichten voor, die haaks staan op de lyrische toon. Fade in.) Interieur. Dusk. Ze doen denken aan de aanwijzingen in een filmscript. Mogelijk biedt het motto voor de serie een handvat: is this my dream, or the truth?

'Aantekeningen' staat niet achterin maar is de titel van de tweede serie uit de bundel. Er duikt een jij-figuur op: 'Je raakt nooit uitgeput/ en blijft een drive-inpoem voor hen die je/ bezoeken.' Ze lijkt een zekere beteugeling gevonden te hebben in haar vloeiende ecriture, zelfs als ze het heeft over 'het speeddaten van/ praten', zonder de spontaniteit te verliezen. Nog steeds botst de lyriek met begrippen, vaak cursief en in het Engels gesteld: 'Dit landschap/ een take-ingesprek'. Vaak worden er leesvariaties open gehouden door twee woorden te scheiden met een schuine streep ('Zoals / Zodra') , precies zoals Ivo Michiels ooit haar 'aangrijpende / ongrijpbare vrouwelijkheid' aanprees.

Tijd en herinnering lijkt nog steeds het dichten in de weg te zitten, moet vernietigd worden. 'Er is geen tijd', zegt ze onomwonden. Dit in tegenstelling tot haar lyriek: 'de koude zong/ in hen' of 'de berkenbomen kreunden onder hun last'. Uit het gedicht Stanza het volgende fragment:

 

(...) Zonder tijd

zonder afscheid in de zomeruren.

Vergat ik het ijkpunt van genot.

De kringloop van het kijken.

Het geluid van meeuwen en fonteinen.

Ik weet het niet precies, maar ik heb het vermoeden dat Braeckman het wezen van het dichten aan dat 'ijkpunt' en die 'kringloop' wil koppelen. Het lijkt het sleutelgedicht. 'De extase is nooit volbracht' kun je desgewenst als een optimistische en levenslustige wending lezen.

In de laatste serie van de bundel Plaatsen komt het lastige woord 'tijdsbegrippen' voor.

Struikelend over keien die nooit opgeraapt worden
door wat zich naar tijdsbegrippen plooien kan

De titels van de gedichten verwijzen naar plaatsen, zoals hier Place Sainte Catherine. Over Gent schrijft ze:

Dit is de stad die me tot een vreselijk zwijgen

heeft gebracht en waaruit ik me niet meer

kan bevrijden. De strop van deze zonde. Heidens maar

met een koninklijk gebaar. Zoals pianohuiveringen. Op het moment

dat alles als van marmer wordt en ongenaakbaar eeuwig blijft.

Het lijken odes, de plaatsbeschrijvingen van Brussel en Gent, of als ze in 'Leie in de mist'  het over 'de alchemie van ochtenddauw' zich als 'het antidotum van tijd' bezingt. Wil ze de tijd, die verderop een 'enkelband' wordt genoemd, dan toch gewoon stilzetten? Of zal ze er zich op de duur mee verzoenen? Wie weet gaat het daar niet om, net zo min als de karigheid of juist de rijkheid van haar zinnen. Het gaat erom dat ze de moed opbrengt om met man en macht een weg te ontginnen en die vervolgens met kenmerkende eigen hand te plaveien.

 


Inge Braeckman, Incantaties. 46 blz., € 22,50

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact