De rubriek verscheen 9 januari 2012 in de rubriek Dichters en denkers van De Groene Amsterdammer op www.groene.nl/boeken

Sprokkelhout

G. Brands, de derde redacteur van het tijdschrift Barbarber, publiceerde sinds decennia een dichtbundel , Weerloos overgeleverd, bij de bibliofiele uitgeverij Druksel in Gent. Hij is behoorlijk dartel gebleven, die G. Brands. En Edwin Fagel publiceerde Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin, vernoemd naar een waargebeurde roof op het stoffelijk overschot van de komiek. Al schrijft Fagel beheerst en gelaten, zijn gedichten worden langzaam aan ruwer en surreëler.

'Mijn lichaam is me vreemd,' schrijft Edwin Fagel in het openingsgedicht van zijn nieuwe bundel, om daarna uit te halen: 'Help me,/ ik heb zo lang gewacht,/ ik heb zo lang op je gewacht.' Iemand ligt op zijn jas in een stationshal. Er zit nogal wat dood in zijn werk: 'Op de dag dat hij stierf schilderde hij in de ochtend/ de kozijnen.' Het wringt pas als de verteller van het gedicht die schilder daarna in de middag tegenkomt in een winkelstraat, terwijl die verteller wist dat hij die ochtend zijn horloge vergat en met naakte pols schilderde en naar een meeuw keek 'die langzaam overvloog'. Een passant weet dat niet. Is de verteller dan alwetend? In vorige bundel was er nog een al of niet afwezige god. Het dilemma wordt verzacht doordat deze bundel veel surreëler en broeieriger is dan Edwin Fagels debuut. 'In die tijd had ik vaak een droom/ waarin een beest me in de benen beet' is zo zijdelings opgemerkt een tamelijk dreigende regel.

Al het werk van Edwin Fagel is op een aangename manier helder, zoals al bleek uit Uw afwezigheid. Edwin Fagel is een beheerst dichter. Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin lijkt iets ruwer dan zijn debuut. Niet in zijn versificatie, dat geenszins, maar in zijn thematiek. De stervende schilder wordt in een doorlopende reeks gedichten opgevolgd door een reiger, en die wordt verward met of vervangen door een broer van de spreker. Dat klinkt zo samengevat stukken debieler dan de gedichten uiteindelijk zijn. Edwin Fagel schrijft uiterst toegankelijke poëzie. 'zoals kraaien nog dagenlang roepen/ op de plek waar hun jong verdween,' krijgt een lading mee in de reeks. De verdubbeling broer/vogel wordt goed doorgezet en uitgewerkt, meerdere gedichten lang blijft de dubbelrol bestaan. Het lijkt op een soort serieus want ernstig geformuleerd absurdisme. 'Verdomme dacht ik, ik droom dit leven,' schrijft hij in een van de gedichten die als titel 'Toen ze stierf' dragen. Er zijn mooie, kale beelden, rustig opgeschreven zo lijkt het: 'De bomen in de berm waren wit.' Fagel heeft een voorkeur voor een esthetische vorm van poëzie. De zij-figuur die in ieder gedicht opnieuw sterft, lijkt even een boom: 'het licht viel zo schuin dat het de takken tekende,// stond ze met licht gebogen rug stevig in de aarde/ en keek ze uit over het weiland,/ witte vogels sliepen op het weiland.'

Toen ze stierf

zei ze: Lieve
ongeduldige jongen,
en ze streelde toen ik op
haar lag met haar linkerhand
mijn rug, in de branding

spreidde een meeuw zijn vleugels,
ze sloot haar ogen om zich
van me af te zonderen,

langzaam werd het licht,
vuil geel was het licht,
en de zee werd licht,

hield ik mijn adem in,
ik zag hoe ze steeds verder
weg dreef,

ik was verbaasd,
er was zoveel ruimte,
zo vreemd

als een gezicht dat me
geschrokken aankijkt,
ze is dood.
 
Ja, Edwin Fagel heeft me overtuigd. Ik vermoedde het al bij zijn debuut, maar hij durft zich nu meer te laten gaan. Soms zijn de titels wat onbestemd, 'Contouren' of 'Departures'. En het gevaar is dat alle gedichten iets gelatens hebben. Maar er zit een mooie lyriek in zijn bundel, en die is evenwichtiger geworden, die is zijn werk gaan dragen. En hij frappeert door zijn directheid: 'Toen je de kamer binnenkwam/ zat ik gehurkt bij de deur, mijn hand aan de klink'.
G. Brands publiceerde sinds hij eind jaren vijftig en in de jaren zestig redacteur was van Barbarber enkele kinderboeken. Hij werkte als journalist en maakte onder meer een aantal mooie vraaggesprekken met Chris van Geel.
'Het strikken van een veter is een vreugdevolle daad, / want zie toch eens dat sierlijk lusje, gedachteloos/ gewrocht en altijd weer bereid om schielijk te verdwijnen (...)' Dat citaat komt uit het titelgedicht van 'Weerloos overgeleverd'. De poëzie van G. Brands heeft iets fris behouden. Meer dan door de poëzie van zijn Barbarber-bentgenoten Bernlef en ook dan door dat van K. Schippers, waait door het werk van Brands de geest van C. Buddingh'.
    'K heb een rrok, 'k heb een rrok!
    Hij is te korrt, hij is te korrt.
    Ik draag 'm toch, ik draag 'm toch.
    Je mot 'm wat rrekken, je mot 'm wat rrekken.
Waarom heet bovenstaand gedicht 'Twee kikvorsen'? Onder het gedichtje staat een verwijzing naar de uitgave Sprokkelhout van Dr. E. Laurillard, een in de  19e eeuw populair dichter en predikant die onder meer een scheurkalender uitgaf, als ik wikipedia mag geloven. Het maakt de relatie tussen titel en gedicht er alleen maar zotter op. Weerloos overgeleverd heeft ook traditioneler momenten: 'zo kan de liefde zijn: zo simpel/ en zo bloot, zo triest, zo idioot,/ zo klein, zo komisch en zo groot.' Brands schrijft dartele poëzie met af en toe een treffende regel of strofe. Hulde aan de kleine moedige uitgever Druksel voor dit boekje.

G. Brands, Weerloos overgeleverd. Druksel, 24 blz., € 20,-.
Edwin Fagel, Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin. Nieuw Amsterdam, 36 blz., € 14,90

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact