Deze rubriek verscheen 9 maart 2012 in de rubriek Dichters en denkers van De Groene Amsterdammer op www.groene.nl/boeken

 

Engagement

 

Hans Groenewegen publiceerde zijn vijfde dichtbundel van alle angst ontdaan, een breed uitwaaierende bundel die uit vele registers bestaat. Elisabeth Tonnard sampelde speeches van George Bush tot gedichten, ze monteerde dichtregels van Richard Minne opnieuw aan elkaar. En Jimmie Durham leest bij wijze van kunstperformance gedichten voor.

Schrijvers schilderen met vorken. En schilders schrijven met hooivorken. Dat is de oude tegenstelling die nog in een vroeg essay in Raster werd bevestigd. Het tijdschrift besteedde dan wel aandacht aan andere kunstvormen, maar had een broertje dood aan de hooiige taal van beeldende kunstenaars. Maar de tijden veranderen en jongeren schrijven niet zo als de ouderen, wat vooral af te lezen is aan de essayistiek: inhoudelijk en ook wat de vorm ervan betreft. Raster heeft zich ondanks de veelheid aan stromingen die het tijdschrift bracht altijd redactioneel tot één generatie willen beperken. Inmiddels zijn kunstenaars als Miek Zwamborn en auteurs met een beeldendekunstopleiding als Maartje Wortel niet meer weg te denken uit de literatuur. In de galerie Wien Lukatsch in Berlijn houdt de indiaanse beeldend kunstenaar Jimmie Durham een performance die hij Poetry Reading noemt en die uit het voordragen van gedichten bestaat. Als op een titelbordje onder de naam van een kunstwerk het materiaal staat aangeduid waar het mee gemaakt is, dan is dat van de 'reading' volgens Durham: "human larynx and tongue, airwaves (carbon dioxide, nitrogen, oxygen, and other gasses), ears".

Belangrijke in deze generatie- en grensoverschrijding is Elisabeth Tonnard, een beeldend kunstenaar van wie het door Druksel uitgegeven De wereld is er werd genomineerd voor de Hugues C. Pernathprijs, een prijs voor dichters van onder of ik geloof in bepaalde gevallen toch ook net 43 jaar. Tonnard publiceert poëzie, proza en vertalingen in nY en Parmentier en geeft haar bundels voornamelijk zelf uit. Er verschenen er twee kort na elkaar, Enduring Freedom (The Poetry of the President) en De dichter spreekt weer. Wie in die volgorde van titels iets van een prelude op de mogelijkheid van poëzie na Auschwitz wil zien, heeft het mis. De eerste bestaat dan uit samples van speeches van George W. Bush, Tonnard publiceerde ze tien jaar eerder in Armada 24. En dat was in 2001, het jaar van de aanslagen. In de tweede uitgave is niet na Bush's retorisch geweld de dichter Tonnard zelf weer aan het woord, maar geeft ze stem aan Richard Minne, wiens werk ze verknipt tot nieuwe gedichten.

En misschien schuilt in die bewerking wel de in de literatuur zo lang verguisde term 'conceptueel'. De term is iets waar Durham in het boekje Material (uitgegeven voor de komende Documenta) vraagtekens bij zet. Conceptueel veronderstelt volgens hem dat kunstenaars geen sterke materiële basis zouden hebben. Maar hoe zouden we hun kunstwerken dan kunnen waarnemen? Als een tekst bijvoorbeeld op een muur is geschreven, bestaat die uit "stone, plaster, carbon-based ink". Het materiaal van Elisabeth Tonnard bestaat uit andermans tekst. Maar zij maakt er gedichten van en dat doet ze sterk. Ze zet de speeches die Bush na 11 september hield om in dreigende strofes, zoals in Now comes the names:

They are the names
of men and women
who wore the uniform
of the United States
and died at their posts.

Het is een kleine bundel en die bevat niet meer dan acht gedichten, maar dat biedt voldoende om te volgen hoe Tonnard zich bewust is van de poëtische vorm. In de bronvermelding staat uit welk 'address' of 'remark' zij heeft geciteerd en gesneden. Als Bush op 17 oktober van het onheilsjaar de California Bussiness Association Breakfast toespreekt in het Sacramento Memorial Auditorium gebruikt hij de volgende woorden - waar in de speech weten we niet, we weten waar het citaat volgens Elisabeth Tonnard begin en eind van een gedicht is - :

 

What the terrorists want

The terrorists want us
to stop our lives.

They want us to stop
flying,

and they want us to stop
buying.

 

Ook in de op dit jaar gedateerde uitgave De dichter spreekt weer staan bronnen. In het 'vademecum' staat precies uit welke pagina's uit het Verzameld werk van Richard Minne ze de regels heeft gesneden die ze monteerde tot nieuwe gedichten. 'Hier is alles droom,' opent de bundel. Wat in de montage overeind blijft is de klassieke toon, de archaïserende taal: 'De passie is gaan liggen met den wind;/ alles is uit en alles herbegint.' Grappig is dat de titel hiervan, Liedje, aan Nachoem Wijnberg doet denken en het hermaakte gedicht ook een liedje is, zelfs in wijnbergiaanse zin. Het lijkt alsof Elisabeth Tonnard aan een reanimatie van de poëzie van Richard Minne bezig is. In Stof en geest: ''k Ben eenzaam, meer dan ge 't vermoedt,/ meer dan het mag en meer dan 't moet.' Het aantal verwijzingen per gedicht in het vademecum (kan iemand daar niet een moderner woord voor verzinnen?) komt overeen met het aantal regels die Tonnard voor een gedicht gebruikt. Ik ga er voor het gemak dan maar even vanuit dat die regels in hun geheel uit Minne's Verzameld werk komen. De rijmen hierboven komen van identieke pagina's en zullen vermoedelijk ook daar rijmen en onder elkaar staan, maar de volgende opeenvolging is niet van Minne maar van Tonnard: 'De zee is idioot./ En gansch de zon die brandt.' Het doet denken aan een performance van Miek Zwamborn die uit tientallen opengeslagen boeken een zeereis beschrijft waarin de voorgelezen passages feilloos op elkaar aansluiten.

Elisabeth Tonnards beide boekjes zijn een afgerond kunstwerk. Maar hoe noemen we zoiets in poëzie? Ready-made, cut-up? Bewerking? Waarom zou Tonnard de samples van de speeches van Bush uit 2001 opnieuw bundelen in 2011? Misschien is dat te veel een technische vraag waarvan het antwoord te vinden is binnen het fonds van haar eigen uitgeverij. Wat opvalt is dat het expliciet politieke karakter van het eerste boekje de gedichten niet tenietdoet. Tonnard benadrukt zo het vormtechnische element van poëzie. Het is een spel dat ze speelt met Bush's opmerkingen.

Het is een gegeven dat ook andersom kan werken. De Chinese dichter Shang Ch'in heeft ooit verlenging van zijn residentie in Iowa gekregen omdat hij vanwege een gedicht waarschijnlijk opgepakt zou worden. Het is een gedicht dat, als je poëzie op een bepaalde moedwillige manier wil lezen, maar al te makkelijk weggezet zou kunnen worden als esthetisch. Het gedicht beschrijft niet meer dan een duik, of nog minder dan dat: het moment van een duik waarop het lichaam een halve seconde stil hangt, wild maar toch verstijfd als een filmdummy, als wordt de duiker tegengehouden door zijn eigen schreeuw en de weerkaatsing van die schreeuw op het wateroppervlak. Daarna valt hij langzaam verder en daarom, vanwege dat moment van stilte, volgt als hij in het water valt geen splash maar een doffe klap. Natuurlijk is het dreigement voelbaar in het korte prozagedicht, vertaald door Silvia Marijnissen . De echte aanleiding laat zich raden of verder uitpluizen via de Amerikaanse vertaler Steve Bradbury, die de dichter erover sprak. Om het antwoord van de dichter meteen te noteren holde Bradbury tijdens het gesprek even naar de men's room. In Taiwan gold maar liefst veertig jaar de staat van beleg, die het voor militairen mogelijk maakte de wet naast zich neer te leggen. Een van de vermeende eerste bankovervallers (niet eerder dan in 1982) in Taiwan zou zelfmoord gepleegd hebben door van een brug te springen. De dichter weet dat het niet waar is, dat de verdachte Wang Yingxian vanwege de druk om de zaak op te lossen door de politie vermoord is en pas daarna van de brug geduwd. Het gedicht is volgens Shang Ch'in geen spiegel van het leven maar een manier om erin binnen te dringen. Dat maakt zijn half-boeddhistische versie van het surrealisme ook zo veel aantrekkelijker dan de Franse. Wat hij beschrijft is niet waar, niet werkelijk. Maar het gedicht beschrijft wel op een bijna hyperrealistische manier wat er tijdens een duik gebeurt en verbeeldt zo de doodsoorzaak. Geluidssnelheid heet het gedicht.

Het is niet alleen door Elisabeth Tonnards tegenstelling (Bush-Minne) dat ik aan bovenstaand gedicht moet denken, ook door de bundel van alle angst ontdaan van Hans Groenewegen, die een van de redenen vormt dat deze rubriek een paar weken heeft stilgestaan. Het is een rijke bundel, maar het is ook een verwarrende bundel waarin de dichter alle registers opentrekt en de indruk geeft zich nog een keer in een bundel helemaal te willen geven. Een van de 'vragen aan de crisismanager' achter in die bundel luidt: 'hierbij vraag ik toestemming de linkse kerk voor de eerste keer in de geschiedenis aan de macht te brengen, eventjes maar'. Het is een wel heel expliciete vraag in een gedicht en ook binnen het oeuvre van Groenewegen. (Een vraag waarvoor ik tussen twee haakjes om nepotistische redenen de allerlaatste ben om antwoord op te geven.) Hoe verhoudt zich die en de 33 andere vragen uit het gedicht bijvoorbeeld tot het openingsgedicht uit de bundel:

een dood schommelt aan zijn vleugelpennen
aan de schors, in het schommelen
schampen zijn eeltzolen celwanden

nu en dan slingert hij zich loom
naar een andere schorsrand en schommelt

wanneer langs de wervels
hij zich zakken laat, grijpt hij
waar mogelijk met zijn stijve vleugels

valt hij, eenmaal aan het staartbeen hangend
kan hij niet anders dan zich laten vallen

veert hij door alle ineenkrimpende vliezen terug in de schors

Hier wel een antwoord: Groenewegen vraagt de crisismanager 'toestemming spoorloos te verdwijnen/ met het veld, de hemelen en de zee.' De dood trekt door de hele bundel en terwijl die vanzelfsprekend van vernietigende aard is, houdt die deze uitwaaierende veelheid samen. Ik vind het aangrijpend, een wel erg evidente uitdrukking in dit geval, dat Groenewegen een dichtbundel eindigt als lezer, namelijk de lezer van 'h.f.' (Hans Faverey) en 'k.o.' (niet knock-out, maar Kees Ouwens) die hij is. De dichter staat ook bekend als beroepslezer, als essayist, er zijn weinig mensen die zo door poëzie doordrenkt zijn als Hans Groenewegen. Hij heeft de hedendaagse Nederlandse poëzie doorleefd en doorademd.

'Terugveringen' heet de eerste serie van de bundel. Terwijl er sprake is van 'vertraging' denkt de Noordzee na. Waarover? 'over het woord doodtij'. De gedichten bestaan veelal uit herhalingen, net als in zijn vorige bundel Zuurstofschuld, wat zowel een mechanisch als een poëtisch effect heeft. 'enkele stoeptegels veren terug van de vensters/ uit de afgrond die in mij moet zijn klimt een verhongering.' Op die grens van het artificiële en lyrische speelt het scheppend werk van Groenewegen zich af, de ijlheid die dat meebrengt, wordt, in het hoogtepunt uit zijn oeuvre dat deze bundel is, van alle kanten doorbroken. 'wat ik ben/ welt uit mijn nissen en overkomt me niet.' Lyrisch is ook de a-grammaticaliteit, bijna als in Camperts Lamento: 'er vrijwel nooit/ vlinders/ vrijwel nooit zijn'. Vlinders sijpelen niet, maar zo hoort de dichter ze wel in de braamstruiken en ik geloof hem op slag. De herhaling is af en toe ook knap irritant. Groenewegen schrijft tussen zoveel citaten zoals hij ademt onder zoveel wolken: 'zwem naar de lucht die net optrekt'. Het lijkt alsof hij in deze bundel alles uit de kast wil halen. Een oliebesmeurde albatros in Wierum is een doodsengel. Opnieuw dist Groenewegen jaloersmakende woorden op als 'dompelwak': 'de zon zijn dompelwak in een ijzen hemel'.

Die eerste serie is meteen ook de meest overtuigende van de bundel. 'Jaarviering' is klassieker, bestaat uit vierregelige gedichten die vernoemd zijn naar de maanden van het jaar - en hebben iets Japans in hun sierlijke natuurbeschrijvingen. 'De wind weigert te gaan liggen// de ruwe hemel komt hem aan de lippen,' staat er in Patrimonium. Soms lijkt Groenewegen expres te veel woorden te gebruiken, getuige de wending 'en vul verdomme verder zelf maar in' die een litanie besluit. In de reeks 'Toevallige verschijningen' is zijn schaduw er weer:

Een dood verliest niets van zijn snelheid omdat hij zijn bovenlijf
soepel heen en weer beweegt en bijna elke aanraking vermijdt
als hij zich door de slenterende massa in de winkelstraat haast

De vijfde bundel van Hans Groenewegen is geen symfonie, zoals de vorige. De rijkheid van de bundel is niet alleen het gevolg van de hoeveelheid stijlen waarin de dichter zich uitleeft, ook van veel sterke en treffende regels, als 'angst drijft ons uiteen als stuwmeren/ vis'. Ook hierin is de dood aanwezig: 'de lucifer brandde tot aan de vingers af/ verwrijf je op het tafelblad tot as'. In het gedicht zwarteberksstad vertakken ondanks die titel de woorden in lettergrepen, het lijken opnieuw vertakkingen van een uitzaaiend verval. En dan swingt Groenewegen drie gedichten mee met een blinde drummer, een handtrompettist (mooi: 'hand-') en een ook al blinde organist op harmonium. De dichter geeft niet op, hij wil zijn laatste ademstoten overal benutten. De serie 'stemmen' bestaat uit een verzameling loze opmerkingen als 'de wereld is niet slecht, de wereld is vol' en 'bij de gang/ naar het graf knerpt het gras'. Bij Bram van Velde heeft de dichter het over beslagen ramen en pallets. In het gedicht koan voo an ko noteert hij: 'opdat in de tekening van zijn huid/ het verliezen blijft schrijnen als hij schrijft' en:

Een lichte bries doopt de zwarte pluimen van de rietkraag
in de grote schaal wit dons op de horizon
morgen tegen de morgen keren ze hem om
en bedelven ons

In de 'vragen aan de crisismanager' komt behalve de linkse kerk ook een mooie mode-aanduiding voor: 'modderige minilyriek', die de criticus in de dichter verraadt. Ridiculiseert Hans Groenewegen de tendens die precies doet wat Wilders wil: kunst zo politiseren dat je die als 'linkse hobby' weg kunt zetten? De vraag om engagement in de literatuur is hetzelfde als wat Geert Wilders doet in de politiek, om het gechargeerd uit te drukken. Groenewegen is oud en belezen genoeg om ook van die medaille de keerzijde te kennen. Piet Gerbrandy vraagt zich terecht af (voor abonnees) of je Groenewegens 'vragen aan de crisismanager' wel een gedicht mag noemen. Als gezegd, ik ben de laatste om daar een antwoord op te geven, al vermoed ik om wille van de veelzijdigheid van de bundel opzet in het spel. Ieder geslaagd gedicht is al een engagement op zich, gaat onherroepelijk en uiteindelijk over de wereld om ons heen. Als kunst werkelijk expliciet politiek is, vanuit zichzelf, vanuit een zelfverkozen thematiek die niet is opgelegd, irriteert zij niet, zoals de Berlijnse galerie NGBK (Neue Gesellschaft für Bildende Kunst) nog dikwijls aantoont.

Voor H.C. ten Berge schrijft Hans Groenwegen een recept - hoe een dodo te bereiden - en twaalf echo-elegieën: 'wie de lucht verlangt, put zich met zijn ademen uit.' En dan sluit hij af met als gezegd een gedicht over het woekeren in de laatste bundels van Faverey en Ouwens, beiden met 'diezelfde k. voor het onontkoombare kiezen'. Het is dramatisch dat ook de dichter Hans Groenewegen op het einde van zijn bundel (van einden heet het gedicht) weer essayist wordt. Uiteindelijk beschrijft hij ook zichzelf en de ziekte die in hem huist. Maar dramatisch is ook het gegeven. Er zijn er maar weinig die zich op zo'n volledige manier inspannen als hij; als lezer, als essayist, als redacteur en auteur. Het zijn er altijd maar een paar per generatie. Zonder mensen als Hans Groenewegen is er geen literatuur.

 

Jimmie Durham, Material. dOCUMENTA (13). 100 Notizen - 100 Gedanken, n 049. Hatje Cantz Verlag. 24 blz., € 6,-.

Elisabeth Tonnard, Enduring Freedom: The Poetry of the President, 16 blz., € 18,-.

Elisabeth Tonnard, De dichter spreekt weer , 32 blz., € 7,50.

Hans Groenewegen, Van alle angst ontdaan. Wereldbibliotheek, 80 blz., € 15,90

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact