Deze rubriek verscheen 5 april 2012 in de rubriek Dichters en denkers van De Groene Amsterdammer op www.groene.nl/boeken

 

Legioen

 

In de film Hundstage hangt een schommel stil in het midden van een schommelrek. Links schommelt een vrouw in een tweezitsschommel, rechts stapt een man in een vergelijkbaar plastic geval. De enkele lege schommel in het midden hangt een stuk lager. Er valt een zware bui na een hittegolf.

De symboliek is zwaar en duidelijk: het stel heeft een kind verloren. De hele film lang bewegen ze langs elkaar heen in het huis. De man stuitert constant een bal. De vrouw brengt mannen het huis in. Eigenlijk is het beeld kitsch, de symboliek ligt er dik bovenop, maar de film kan het goed hebben. Hundstage speelt in een nieuwbouwwijk tijdens een loeihete zomer. De film van Ulrich Seidl lijkt af en toe op snoeiharde slapstick.

In Berlijn werd onder de titel Holland in Not gediscussieerd in het Deutsches Theater over de kunstbezuinigingen in Nederland. 'Holland in Not' is sinds een paar eeuwen een staande uitdrukking en stamt van de dreiging dat de Spanjaarden maar de dijken hoefden door te prikken om de Hollanders uit te hongeren. Het debat tussen theater- en gezelschapsleiders werd vlak van tevoren nog veranderd in Alles für die hälfte, omdat die week in Der Spiegel een stuk stond dat suggereerde dat vergelijkbare bezuinigingen voor de Duitse cultuur heilzaam zouden kunnen werken. Het vergelijk was onzin, stelde cultureel attaché Bart Hofstede na afloop van het debat vast. In Nederland is er brede politieke steun voor cultuurbezuinigingen, in Duitsland is daar geen enkele partij vóór te vinden. Het stuk in Der Spiegel was niet meer dan een hypothese, een proefballonnetje van vier professoren, en het is niet eens een pleidooi voor bezuinigingen, maar voor een andere besteding van de huidige cultuurmiddelen in Duitsland. De miljarden die genoemd werden liepen nogal uiteen, al maakte Alize Zandwijk het publiek goed duidelijk dat er in Nederland een verschil is tussen productiehuis en theater. In Duitsland is het theater ook het gezelschap en gebouw tegelijk en interne opleiding en kindertheater. Directeur van het Deutsches Theater stelde aan het slot van het debat dat kunst volgens hem in principe links was. Dat moet je in Hongarije niet hardop zeggen, merkte een dame achter me op.

Het debat ging vooraf aan een voorstelling van het RO-theater, Hondsdagen getiteld, voor een afgeladen zaal. Het toneelstuk was lichtjes geënt op de film uit 2001, maar cabaretesker, zotter, en verplaatst van de balkons van een nieuwbouwwijk naar een inrichting. Het was niet echt het stuk dat je na een dergelijk debat zou willen vertonen, maar het publiek dacht daar anders over. Bij de derde staande ovatie liep ik weg.

Berlijn, het is ook de stad waar Menno Wigman van tijd tot tijd vertoeft, de ik-figuur van zijn gedichten althans die ik blijkbaar altijd zonder er goed en wel over na te denken moeiteloos op de dichter projecteer. In zijn nieuwe bundel Mijn naam is Legioen komt Berlijn twee keer voor, eenmaal via de titel Tiergarten (al doelt Wigman daar meen ik op een andere dierentuin, die uit een film in een kapotgeschoten stad) en nog eens als de spreker onder de douche staat in het gedicht Hitlermüde en de fascinatie voor het Derde Rijk en de dictator van hem afspoelt. Wigmans vierde bundel begint met een paar gedichten waarin hij zijn beklag doet over het métier, dat vermaledijde dichterschap. Hij lijkt daarmee een doorbraak te forceren in een schrijversblok. Pal daarop volgt dit gedicht, Aan een man in de supermarkt:

 

 

En toen, gifmuze, kroop hij in mijn blik:

een man, klein, dik, met onbemand gezicht

die keek alsof hij Ron of Ruud moest heten.

En alles wat hij dacht was mij bekend:

belasting, voetbal, Emma, missverkiezing,

 

broccoli, koffiefilters - heel zijn mond

een dunne brief vol blanco levensdrift.

En ik was in verwachting van een scheef

gedicht, wou hem haten, kon het niet -

want alles wat hij droomt, dacht ik, droom ik

 

niet beter. Goed, gegroet dus, vale oom

die net zo magisch over lakens droomt.

De rij in, dan naar huis, deurmat, ijskast,

de bank, de oven, later weer die slaap.

Ik ben zo bang dat je niet eens bestaat.

 

Die compassie met een figuur die hem helemaal niet aanstaat komt vaker voor bij Wigman, ook in deze bundel. Maar het is vooral de slotregel die me raakt, die benadrukt dat het toch alleen maar de dichter is die de man de woorden in de mond legt. Menno Wigman kan raak en gevat noteren. 'Er heerst een rookverbod maar niemand kijkt nog fris.' Het zijn regels die direct aankomen. Als hij zijn moeder bezoekt die kapot gaat schrijft hij 'Ik lepel bevend eten in haar mond.' Een glazenwasser hangt in een frame 'als een ijskoud schilderij'. De brandstichter van de Reichstag Marinus van der Lubbe wordt in maar een paar regels raak getypeerd.

Wigman geeft geen werk uit handen voor hij het ritmisch en inhoudelijk kloppend heeft gekregen. Zijn werk bestaat uit de grote thema's, jeugd, dood, liefde, aftakeling, verval. Het is onvermijdelijk hem klassiek te noemen, zijn werk refereert voornamelijk aan Baudelaire. Het lijkt of de generatie pal voor de zijne het dichterlijke vermeed: Tonnus Oosterhoff, Nachoem Wijnberg, Astrid Lampe, F. van Dixhoorn. Alsof Wigman en leeftijdgenoten als Ilja Pfeiffer, René Puthaar en Victor Schiferli het opnieuw invoerden. Een gedicht kon weer dichterlijk zijn, op een gedicht lijken. Bij Wigman speelt behalve het klassieke element simpelweg ook zijn tijd mee. In zijn poëzie weerklinkt de punk, de spleen, de doem, elementen die allerminst kantiekerig overkomen in zijn werk en het juist een dwingende kracht geven. Als hij zijn wijk beschrijft, Oud-West in Amsterdam, en van het balkon driehoog neerkijkt op hoe men er van verschillende herkomst bang is en bidt, dan klinkt hij op het eind zelf haast religieus: "kijk dan godverdomme, daar komt de zon/ mijn kamer in gerold, wat zou ik beven/ bij die gloed, wat zou ik bidden als het licht// straks stil en ongestraft de dag dichtschroeft?"

Feitelijk gaan de gedichten uit Mijn naam is Legioen twee kanten op. Bepaalde gedichten gaan recht op hun doel af. Net als Simon Armitage, Ingmar Heytze of Wolf Wondratschek weet Wigman gedichten te maken die klip en klaar zijn, goed neergezet en die ook een groot publiek aanspreken. Het toont een grote vakbeheersing, ook als hij met de tegengestelde boodschap eindigt ("voor ik de weg van alle boeken ga/ en roemloos bij De Slegte sta"). Maar er is ook de broeierige Wigman, de weifelaar, de dichter die onverwacht uithaalt, die ondanks zijn succes onzeker blijft. In het zich in Athene afspelende gedicht Tot de Sirenen begint het gedicht plotsklaps te zingen, zingt hij ook daadwerkelijk als dichter, schrijft poëzie die zingt. In Een brief aan een luie vriend vertrekt hij vanuit de bekende gedachte van Pascal dat alle ellende in de wereld komt omdat 'men niet in staat is/ rustig in een kamer te blijven'. Het gedicht lijkt gestaag die gedachte uit te werken en naar de vriend ('een pasja') toe te schrijven. Tot het compleet onverwachte slot:

 

Ver van de steden trekken bomen tegen bomen op.

            Takken wortels, alles wurgt

elkaar, struiken vechten en verdelgen, gras wint alom veld.

   Niks ruikt naar God. De aarde neemt een nieuw begin.

         De dieren voeren eensgezind een paspoort in.

 

Het is lyriek, een bittere lyriek als een mens die zijn leven lang betaald heeft 'sterft alsof een fruitkast geld uitkotst'. Maar in al zijn pessimisme en zijn metrisch kloppende versregels en zijn enjambementen klinkt Menno Wigman evengoed energiek:

 

Heet nu. Te heet om nog een mens te zijn. En bij

de avonddienst, ik zeg je, brak een ruit. Een schreeuw

 

van angst, van woede, toen gejoel, we ramden ons

een weg naar buiten, branden cellenblokken af

 

en dansten dronken van vernielzucht op het dak.

God weet hoeveel verjonging al dat slopen bracht.

 

En nog diezelfde nacht brak onweer los en nam

de bliksem foto's van volmaakte levenskracht.

 

 


 

Menno Wigman, Mijn naam is Legioen. Prometheus, 72 blz., € 14,95

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact