Deze recensie verscheen in Ons Erfdeel, 51ste jaargang / nummer 4, november 2008.

Spelen met de grote thema’s


Kurt de Boodt. En alle staat stil. Uitgeverij P, Leuven, 2000. 48 p.

Kurt de Boodt. Moules belges. Lannoo, Tielt, 2002. 64 p.

Kurt de Boodt. Anselmus. Lannoo, Tielt, 2002. 64 p.

Kurt de Boodt. Waarop de klok ontwaakt. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2008. 64 p.


door Erik Lindner
 

Beeldende kunst en poëzie hebben een lastige verhouding. Juist de laatste tijd lijkt taal een steeds belangrijker wordend medium in de kunsten, vooralsnog met wisselende resultaten. Of schrijvers daar met hun dichterlijke EHBO-koffertjes bij kunnen helpen, is de vraag. In Watou lijken kunstwerk en gedicht zich ieder jaar autonomer tot elkaar te verhouden. Kurt de Boodt (1969), kunstcriticus en dichter, publiceerde vier dichtbundels. Zijn debuut, in de kartonreeks van uitgeverij P, En alles staat stil is verrijkt met reproducties van werk van Fabre, Schjerfbeck en Spiliaert. De gedichten blijven opmerkelijk dicht bij de schilderijen die ze beschrijven. Ze worden gevangen door een strak rijm dat vaak de inhoud stuurt. Hoe dicht de dichter ook bij de kunst blijft, hij werkt wel meteen al met klankeffecten, zoals opvallend veel a's: 'ze staat stiller dan / een staande klok / stil kan staan' en 'ze poseert / als dankt ze haar bestaan / aan stilstaan.' Hier en daar scheert het werk langs de kitsch, maar het toont wel vakbeheersing. 'Kras me een lichaam' zegt een ets van Sam Dillemans in een gedicht dat ook ets heet. Veel gedichten zijn portretten en af en toe wordt een zelfportret een monoloog. Het is duidelijk wat De Boodt wil: schilderen met woorden. In dit keurslijf komt zijn woordspelerigheid wat flauw uit. 'Trek een lijn, van rand / tot onderkant, van zij- / tot hijkant.' De bundel kent wel de verwachting dat de dichter uit het keurslijf zal breken: 'van jouw / prinsesje tot een besje, / proef ik rotte pruimen.' En de slotregels van de bundel liegen er niet om: 'Het teken moordt, / de mens is woord.'


In zijn tweede bundel Moules belges raakt zijn poëzie functioneler en aanwijzender ten opzichte van de kunst. Duchamp en Broodthaers passeren de revue. Kurt de Boodt maakt zich iets meer los, maar de gedichten hebben de kunstwerken nog nodig. De anatomische venus, ofwel de vrouw met zichtbare ingewanden in het biologiekanaal, spreekt: 'niet ik geef mij, de wetenschap geeft mij vrij.' Tussen aanhalingtekens laat De Boodt telkens een paar strofen lang een schilderij spreken, waarna hij zelf in enkele regels commentaar geeft. Even verzet hij zich daarin tegen zijn kunsteducatie: 'Nee, Florence, ik ben er nog niet geweest.' Sommige wendingen doen teveel aan kunstjargon denken: 'vastgevroren in zijn bewaarpose'. 'zij ziet mij zien' klinkt aardig, maar 'streel me wakker in gestilde taal' is op het randje, alsof het kunstwerk de dichter wil behagen zoals het model de schilder. Verderop distantieert De Boodt zich hiervan, als 'weer een gek / zich verbeeldt / beelden te hebben / zien spreken.' Pas na een citaat van de rockband Nirvana gooit hij het over een andere boeg. De dichter deelt met de zich van het leven beroofde voorman van die groep de voornaam, en dat zullen weten ook. Met lef wordt het onderwerp van een oudere broer beetgenomen, die met stoppels en brute kracht zijn kinderbelevingen binnendendert.


'Het oog ziet zich zien' is wel weer een taaie en wat te bekende wending, en ook 'onder zijn beeld dealt een punk verveling' heeft te lijden aan beeldspraak, al zijn we er wel mee uit de mal van het schilderij gestapt. 'Schrik niet, ik sta enkel vogels te verschrikken' is een rake formulering. Het moet gezegd, Kurt de Boodt weet wel waar hij het over heeft waar het de kunst betreft: 'de maker lacht, hij houdt de verbeelding aan de macht'. Even lijkt hij het evenwicht te vinden tussen kunst en werkelijkheid, in het gedicht 2x0:


En dan elkaar volmaken als in een droom

maar dan in het echt, zoals een bolle buik doet

met holte, haar vullen tot volte.

 

Hangbrug gehaakt tussen twee keer niks.

 

Als illusionist met werkelijke assistente,

het hoofd koel houden, diep inademen,

zich zo ver mogelijk uitstrekken en

zweven, zweven, zweven.

Tot leegte overstroomt.



De bundel eindigt, na een aantal gedichten die aan kinderliedjes doen denken, met de serie Het begin van de wereld waarin de dichter een ei toespreekt: 'Tast ik naar jou, bots ik op buik'. In negen gedichten rolt het ei alle kanten op, langs pixels en embryo’s, en lijkt naar de dichter de oerbron van het al te zoeken.


Daar heeft hij vaker een handje van, zo’n exercitie aan te gaan. De derde bundel Anselmus, vernoemd naar een verre voorvader van De Boodt, is met stip de meest complexe bundel in zijn voorlopig oeuvre. 'Dit zaakje spit ik uit', wordt ons toegeroepen in het openingsgedicht Waarschuwing. In ‘Nawoord’ lezen we direct daarop hoe de dichter zijn dochter van drie het manuscript onder handen nam. We krijgen dus niet alles onder ogen. Kurt de Boodt heeft zijn toon verhard, zoveel is duidelijk. De beeldende kunst is verlaten, maar een bewust aangebracht perspectief blijft aanwezig:

Dat je het eigen hoofd niet ziet.
Enkel onder zonder wolkjes
dromen zich voor je afspiegelen.
Schaduw van het idee ‘hoofd’.

Dat juist deze gedachte je
door het hoofd speelt,
je nog even gegund is
als een laatste wens.


Veel van de bundel is in de gebiedende wijs geschreven, maar of de dichter nu zijn kind, de lezer of zijn eigen voet toespreekt is niet altijd even duidelijk. Het 'zaakje' dat de dichter uitspit, is tamelijk veelledig. Voorvader Anselmus was alchemist en maakte 'drie boucken met blommen, beesten endhe voghelen'. Kurt praat daar vier eeuwen later tegen terug. Die onderneming klinkt een beetje als Jotie ’t Hooft die staat te brullen dat hij zijn eigen grootvader is. Een nabijere referentie is het werk van Peter Holvoet-Hansen, dat vaak uit een zekere enscenering voorkomt en waarbij een bundel in het teken van een project staat. Anselmus staat voor een reeks in de derde bundel van De Boodt, maar omdat de bundel ernaar vernoemd is, krijg je de neiging ook de andere gedichten daaraan te relateren. En dat gaat niet. De telepatische gesprekken met de voorvader worden snel overboord gekieperd. 'langspeelplaat is gaatje zoek. / Mexicaan holt achter hoed' sprint de dichter verder. Net als in de vorige bundel is er een reeks kinderrijmpjes. Daartegenover een serie Waakliedjes met griezelig wakkere gedichten waarin tamelijk expliciete enge sprookjes opgedist worden. Genre Calimero smeekt uit het ei gezogen te worden door een buizerd. Er zijn gedichten over Brussel, waar Kurt de Boodt werkt. En heel even is er rust in de bundel: 'Museum sluit. U gelieve zich / naar de uitgang te begeven. // Lichten uit, waaklamp aan. / Man hervindt hoofd in raam.'


Pas na het lezen van de vierde bundel, Waarop de klok ontwaakt, besef ik me in hoeverre Anselmus een overgang is geweest. De dichter heeft al doende met taal leren spelen. Het eerste gedicht heeft meteen een verrassende vorm die de lezer de keuze laat tussen voltooide tijd en tegenwoordige tijd. Kurt de Boodt (‘rekruut K’) dicht duizelingwekkend in deze bundel. 'Kunt u uit strotten / hoofden een sonate / schrappen uit schroot / hopen een symfonie' vraagt hij zijn lezer. Zijn Manifest lijkt naar Dada te verwijzen: 'de kunst is in beweging blijven / alles willen tegelijk en wel nu' en ook 'achter / hocus pocus aan van dol / gedraaid bestaan.' Dat doldraaien lijkt op zijn regels te gaan slaan, en zo wordt zijn poëzie lijdend voorwerp. De voorkeur van intelligente regelafbrekingen midden in het woord zodat er twee woorden ontstaan, deelt hij met de Duitse dichter Dieter Gräf. Dada betekent vooral hulde brengen aan de lelijkheid. Kurt de Boodt doet dat slim en behendig. 'De oerang-oetang is al dat er staat / niet wat er staat gedoe moe' verraadt een onvrede die hij met veel zijn leeftijdgenoten deelt over de quasi-diepzinnigheid van poëzie. Het werk van Kurt de Boodt is in belangrijke mate licht geworden, hij beheerst zijn gekkigheid beter dan tevoor, en dat kan de winst zijn van niet twee jaar maar vier jaar over een bundel te doen. 'de laatste mens is een kunstwerk' laat hij zijn volgende alter-ego 'kolonel K.' zeggen. Ook de kinderliedjes zijn er weer: 'Blaat! Blaat! Buiten ontploft / een omgevallen schaap'. In Het dichtertje knipoogt hij al of niet bewust naar Baudelaire, die in Het spleen van Parijs een dichter zijn aureool laat verliezen op een drukke verkeersweg en dat eigenlijk wel prima vindt, zich verkneukelend over dat een of andere 'slechte dichter' hem vindt en op het hoofd zet. Sommige gedichten aan collega’s opgedragen zijn wat te particulier om goed te kunnen volgen. Opvallend vaak veranderd Kurt de Boodt van toon in deze gedichten: 'Kwijnt weg gij nieuwe mensch die snoeft in troep en keft om orde' valt hij onverwachts uit. Een pagina later is het de beurt aan de slotreeks, De nieuwe mens. Daarin wordt duidelijk wat Kurt de Boodt doet: spelen met grote thema’s. Of het nu het ei is, of de oerknal, De Boodt vindt het graag uit. 'Om en om wentelt in haar schoot een kleine / lieve revolutie.' De stroom lijkt uit te vallen en weer aan te schieten: 'slaan wekkers aan op klokslag nul uur nul.' Hij heeft een voorkeur voor kreten als 'wauw' en 'rhaaaauw'. 'De nieuwe mens is opgestaan, nooit was de toekomst als weleer.' Wat op het eerste gezicht kreten lijken, weet hij wel degelijk vorm te geven. Opnieuw wordt de inmiddels zo oude Rimbaud geparafraseerd: 'Men behoort absoluut eigentijds te zijn.' Apparaten zijn nodig om 'levens op te liften tot stil stemmende vergezichten.' En een einde is natuurlijk ook een nieuw begin: 'Na maanden coma struikelen over de bedrading / voelen dat je er nog bent en bloeden kan.' Dan lijkt de bundel uit te zijn maar volgt er een bladzijde verder nog een cursief sonnet dat bestaat uit regels uit de veertien voorafgaan gedichten, die opnieuw perfect in elkaar passen. Rare hedendaagse rederijker, die Kurt de Boodt.

 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact