Deze recensie verscheen in Poëziekrant, 33e jaargang / nummer 2, maart-april 2009.

Dieren in de duisternis

 

Victor Schiferli. Toespraak in een struik. De Arbeiderspers. 64 blz. €16,95

 

door Erik Linder

 

Victor Schiferli debuteerde in 2000 met Aan een open raam, een dichtbundel die werd genomineerd voor de C. Buddingh'prijs. Het was een overwogen en tegelijk ingetogen debuut. Hij maakte al of niet gewenst deel uit van die Nederlandse dichters die rond de milleniumwisseling debuteerden en misschien niet direct de traditie bezongen, maar toch teruggrepen op oude vormen. Het was, in Schiferli’s geval, rustige poëzie, met een kenmerkende beheersing. Zijn tweede bundel Verdwenen obers uit 2005 werd afgesloten met een erg mooie serie van veertien gedichten en een proloog, 'vergeten vaders', over een man die in de jaren twintig van de vorige eeuw door zijn vrouw op straat wordt gezet. Hij zal zijn beroep als kelner wel weer heben opgevat, zo wordt over hem gesproken. In uiterst korte en ingehouden regels scheert Schiferli door het leven van de man, via snapshots die een zekere suspense krijgen, zoals een verhaal dat via polaroids verteld wordt. De man krijgt weinig karakter, is 'leeg als een tram op de remise'. Dan volgen enkele vluchtige ontmoetingen in de jaren dertig, veertig en zeventig, totdat de verteller als kleinzoon zelf naast zijn vader in de auto zit. Knap is dat de serie nergens sentimenteel is: het blijft een stemmig en enigzins schrijnend geheel.


Het werk van Victor Schiferli wordt gekenmerkt door een sterke gelatenheid. 'Ik zit / op een fiets en verdwijn in het niets' schreef hij in 'Zuider Buiten Spaarne Blues' in diezelfde bundel Verdwenen obers, waarna hij toevoegt: 'kan niet helpen dat dat rijmt.' Zijn werk lijkt in de verte verwant aan dat van Erik Menkveld, dat wil zeggen dat het mede lijkt te bestaan uit een mengeling van nuchterheid en zelfspot, en het een zekere rust uitstraalt. De dichter steunt op een techniekbeheersing die zonder ook maar enig spoor van vertoon wordt ingezet. Zijn derde bundel Toespraak in een struik speelt zich af in een stukken grimmiger wereld dan zijn eerdere werk. 'Potloodpunten breken / als ondervraagden,' staat er in het openingsgedicht, waarin 'iemands kloten' verdedigd worden.


Victor Schiferli’s gedichten doen een beetje denken aan popmuziek. Dezelfde duidelijke taal, dezelfde afgemeten regels. 'Beneden in de neutrale bar / een vrouw die op je wacht. / En jij wacht op niemand.' Dat het niet goed gaat met de wereld stemt de dichter in Schiferli een beetje laconiek. 'Als je te hard aan de knoop trekt / ontwar je hem nooit. Als je niets doet / blijf je zitten met die knoop,' weet hij. Op momenten neigt hij naar het cynische, net zoals Rob Schouten dat in zijn gedichten doet, op een vrolijke manier. 'Soms kruipt een muis in de muur, / een onwaarschijnlijk fijne opening, de aars van een strontvlieg,' schrijft hij nadat hij een gedicht lang constateerde dat er, zittend op een sofa. niets gebeurt. Vaak is Schiferli’s werk een beetje triest. In het gedicht 'Verschenen ober' duurt het een tijd voor die het bord op tafel zet: 'de saus koud / als je vroegoud gelaat.'


Opvallend genoeg dringen in deze bundel abstracties binnen, die je bij Schiferli niet snel verwacht. Ik vermoed dat hier ironie in het spel is, dat Schiferli de abstractie ridiculiseert: 'In de verte de schim / van een bestaan dat buiten / zichzelf rechtvaardiging vond.' Ook zijn er gedichten waarin hij abstracties personificeert, 'Rechtvaardigheid' die kousen draagt en een pruik, en 'Nostalgie' die brandt in schuren 'van boeren die door je heen kijken / alsof ze je al jaren kennen.' Het is dezelfde methode als Jan Baeke elf jaar eerder in zijn debuut Nooit zonder de paarden hanteerde: neem een begrip en personificeer dat.

Sterker is Schiferli als hij zichzelf en zijn lezer op een nogal koude manier provoceert: 'op het betaalkanaal / schoof een penis als / een zwaardvis heen en weer.' Dat is niet mooi, maar temidden van die kilheid krijgt de gelatenheid van de dichtersstem verdieping. Het is alsof dan de stem van Schiferli aangrijpend wordt, en de onaangezetheid van zijn taal weerklank vindt. 'Het maakte deel uit van een / opeenvolging. Het maakte deel / uit van een opeenvolging,' is een sterke afsluiting van een gedicht waarin hij zichzelf glimlachend bij een hek heeft zien staan, zonder door hem gezien te worden. 'ik / ben hem niet. Wel zie ik er zo uit.'

Broers of zussen heb ik niet. Langzaamaan kom ik tot rust.

Zorgen glijden van me af. Een regenjas ligt op de vloer.

Als de eerste vogels fluiten ben ik nog klaarwakker.

Het is alsof Victor Schiferli in zijn derde bundel de bevreemding binnen laat, en zijn kenmerkende droge humor behoudt. Het gedicht 'Een rondje langs de velden' speelt zich af op een golfbaan: 'soms hoor je een tik, / dat is een balletje.' Mooi zijn zijn bijna overbodige waarnemingen: 'Het lijkt alsof alle bomen / even lang zijn.' In een ander tweeluik,  'Mijn broer', lukt het hem niet de broer, die hij zich voorstelt maar niet heeft, invoelbaar te maken, en onderstreept hij opnieuw de leegheid. 'Wie ziet jou? Een enkeling, die het op / een lopen zet,' schrijft Schiferli in 'De ziel der depressie'. Feitelijk is het meest typerende aan de gedichten van Schiferli de morsigheid die hij om zich heen ziet en op een ingehouden en net niet melancholieke manier beschrijft, met vrolijk-trieste beelden: 'Zijn mouw droop een patroon op het parket' en 'Vorken die languit in de lade lagen.'

Grimmiger en steeds gelatener gedichten geven aan Toespraak in een struik meer reliëf dan de vorige twee bundels. De ingehouden melancholie prikt her en der door de regels heen. 'De man / heeft wit met rode ogen als de muur van een abattoir' is een heftige waarneming voor een dichter die het liefst dicht over hoe hij met zijn hond over straat loopt met binnenpretjes over woorden als 'buurtpreventie' – alsof een buurt tegen zichzelf beschermd moet worden. 'Waar is de poëzie? Die is weg. / Verstorven met het daglicht.' Opvallend is dat in veel gedichten de tweede strofe verrassend knap en beeldend is. Nadat in de eerste strofe iemand is voorgesteld , staat er: 'Lantaarns zwaaien heen en weer. / Een auto komt zigzaggend / tot stilstand tegen een busje.' In die passages laat Schiferli zien met wat een ogenschijnlijk gemak hij een situatie schetst: net als in de serie 'Vergeten vaders' uit de vorige bundel Verdwenen obers doet hij dat meestal met een paar luttele woorden. Vaak heeft Schiferli aan een beeld genoeg om de omgeving duidelijk te krijgen. In het gedicht 'Het grote publiek' waarin een museum opvallend leeg blijft, is het de regel: 'Talloze uitrijkaarten op de grond / van de parkeergarage.' Met humor omschrijft hij een pizzakoerier die iets roept maar zijn helm ophoudt: 'hij kan je / (‘Ik kan je niet verstaan!’) niet verstaan.' Sterk is dat bij een dergelijke omschrijving de peinsende observant achterblijft en juist door te denken karakter krijgt: 'Zijn voorwiel slingert meer dan / zijn achterwiel. Misschien / kan hij het nog laten maken.'


Dat is het karakter van Victor Schiferli. Iemand die met licht geamuseerde blik naar de wereld kijkt, ziet hoe ellendig het met alles gesteld is maar hardnekkig blijft glimlachen. 'We zijn / dieren in de duisternis,' schrijft hij in 'Nacht op de markt.' Voor hij uit wandelen gaat, zit hij op de bank naast de hond die met 'oren als jaszakken' vol van verwachting is. En bij die verwachting houdt Schiferli het het liefst: 'Kon ik maar urenlang snuffelen / aan de werkelijkheid / die stoffering heet.'

    

Victor Schiferli
Lessen in paniek

  

Dit is wat je hebt geleerd

als kind: zijn je ouders

in paniek, blijf dan kalm.

 

Waarschijnlijk raken ze

alleen maar meer in paniek.

Controleer de situatie

 

door te denken aan een ding:

stofnesten in de schuur,

het duister in de afvoerput.

 

Wat te doen bij brand?

Daar maar niet aan denken.

We zitten in de kelder,

 

we eten uit een weckpot,

we dragen klamme bad-

pakken op de groei.

 
 
 
Biografie
Publicaties
Recensies
Recensies
Optredens
Residenties
Redactie
Organisatie
Docentschappen
Links
Voorgrond
Contact